ECLI:NL:RBZWB:2026:5183

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/434597 FA RK 25-2090
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderbijdrage na wijziging omstandigheden in ouderschapsplan

Partijen, voormalig gehuwd en gezamenlijk ouderlijk gezag dragend over vier minderjarige kinderen, kwamen overeen dat de man €172 per maand per kind zou betalen aan kinderalimentatie, vastgelegd in een beschikking van september 2023.

De man verzocht wijziging van deze bijdrage naar €26 per maand totaal, stellende dat zijn inkomen als ondernemer lager is dan eerder aangenomen. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man zijn inkomen kan verhogen door terug in loondienst te treden.

Tijdens de zitting erkenden partijen een relevante wijziging van omstandigheden en stemden zij in met een herberekening op basis van een bruto jaarinkomen uit onderneming van €38.400. De rechtbank berekende de draagkracht van beide partijen en de behoefte van de kinderen, waarbij een tekort aan draagkracht ontstond.

De rechtbank paste een zorgkorting van 25% toe en verdeelde het tekort gelijkelijk. Dit leidde tot een nieuwe kinderbijdrage van €164 per maand per kind, ingaande op de datum van de beschikking. Verzoek tot wijziging van verblijfsoverstijgende kosten werd ingetrokken en afgewezen. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De kinderbijdrage wordt gewijzigd naar €164 per maand per kind met ingang van de datum van de beschikking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/434597 FA RK 25-2090
12 mei 2026
beschikking over levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J. de Jong,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.F.J. Martens.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 18 april 2025 van de man ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 1 juli 2025 van de vrouw ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brief van mr. De Jong van 28 juli 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. Martens van 8 januari 2026 met bijlagen;
- de F9-formulieren van mr. De Jong van 12 januari 2026 en 14 januari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Martens van 30 maart 2026 met bijlagen;
- de beschikking van de rechtbank van 19 september 2023 en het daaraan gehechte convenant en ouderschapsplan.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 7 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2010 tot [datum 2] 2023;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
4. [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2018 te [geboorteplaats 2] ;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen.
2.2
Ingevolge voormelde beschikking met aangehecht ouderschapsplan dient de man met ingang van 1 februari 2023 € 172,= per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Inclusief de wettelijke indexeringen bedraagt die bijdrage in 2025 € 194,53 per maand per kind en nu € 203,48 per maand per kind.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, samengevat, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:
1. dat het in het aan de beschikking van 19 september 2023 gehechte ouderschapsplan neergelegde bedrag van € 172,= per kind per maand aan te betalen kinderbijdrage met ingang van de datum van indiening van zijn verzoekschrift wordt gewijzigd naar € 26,= per maand in totaal voor de vier kinderen (€ 6,50 per kind per maand);
2. dat er inzake de kindgebonden verblijfsoverstijgende kosten vooraf overleg plaatsvindt tussen partijen, deze kosten pas worden gemaakt indien partijen het daarover eens zijn en deze kosten naar rato van draagkracht door partijen zullen worden gedragen.

4.De beoordeling

Kinderalimentatie
4.1
De man voert als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie aan dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
4.2
In dit verband stelt de man het volgende. Hij is in 2020 een eigen (garage)bedrijf gestart. Daarnaast had hij nog een baan in loondienst tot 1 januari 2022. Vanaf die datum is hij fulltime ondernemer. Tijdens de zitting heeft de man toegelicht dat hij in februari 2023, in aanloop naar de zitting in de voorlopige voorzieningen procedure, met de vrouw, zonder de advocaten daarin te betrekken, heeft afgesproken dat de man € 172,= per maand per kind zou gaan betalen. Dat bedrag is vastgelegd in de beschikking voorlopige voorzieningen en later overgenomen in het ouderschapsplan dat aan de beschikking van 19 september 2023 is gehecht. Dat bedrag was toen al niet in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Volgens de man is sprake van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro, omdat inmiddels is gebleken dat hij – gelet op zijn inkomen en draagkracht – de kinderalimentatie niet kan betalen, dan wel van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 4 BW Pro en anders wellicht van dwaling. De afgesproken bijdrage is onhoudbaar en moet worden herzien, aldus de man.
4.3
De vrouw voert verweer. Zij betwist primair dat sprake is van een (relevante) wijziging van omstandigheden ten opzichte van 2023, toen partijen de afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt op grond van wat de man redelijkerwijs zou kunnen verdienen. Als de man de verdiencapaciteit waar eerder van is uitgegaan niet kan realiseren met zijn bedrijf, dan moet hij (terug) in loondienst gaan. In zoverre is volgens de vrouw sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Er zijn veel vacatures. De man kan daarmee zijn oude inkomen weer verwerven. De keuze om te blijven ondernemen is aan hem, maar vormt geen reden om de afgesproken kinderalimentatie te verlagen, aldus de vrouw.
4.4
Tijdens de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die tot een herberekening van de kinderalimentatie moet leiden. Die wijziging is er in gelegen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het feit dat voor de berekening van de huidige draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een bruto jaarinkomen uit onderneming van € 38.400,=. De rechtbank zal daarom de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en de huidige financiële draagkracht van partijen onderzoeken. Daarna zal blijken of de wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
4.5
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
4.6
Partijen zijn het niet eens over de ingangsdatum. Omdat partijen tijdens de zitting overeenstemming hebben bereikt over de noodzaak tot een herberekening en een deel van de daarbij te hanteren uitgangspunten, vindt de rechtbank het redelijk om de – zo zal hierna blijken – te wijzigen kinderalimentatie te laten ingaan per de datum van deze beschikking.
Behoefte
4.7
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarigen in 2023 € 1.558,= per maand bedraagt, zijnde € 390,= per maand per kind, als opgenomen in het ouderschapsplan.
Rekening houdende met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu, afgerond, € 461,= per maand per kind.
4.8
Het aandeel van partijen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht van de man
4.9
Zoals hiervoor onder 4.5 overwogen, zijn partijen zijn het er tijdens de zitting over eens gebleken dat voor de vaststelling van het NBI van de man wordt uitgegaan van een gemiddelde winst uit zijn onderneming van € 38.400,= bruto per jaar.
4.1
De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op € 2.808,= per maand.
4.11
Tussen partijen staat vast dat de man geen woonlasten heeft omdat hij bij zijn moeder woont, zodat er – ook gelet op het tekort aan gezamenlijke draagkracht, zoals hierna onder 4.17 zal blijken – geen bedrag aan woonbudget/woonlasten wordt opgenomen in de draagkrachtberekening.
4.12
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.010,= per maand.
Draagkracht van de vrouw
4.13
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
4.14
De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties per 1 februari 2026 een inkomen van € 1.905,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies (als vermeld op de salarisspecificatie) en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 15.184,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 3.219,= per maand.
4.15
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 622,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
4.16
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van partijen (€ 1.010 + € 622 = € 1.632) lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen (vier maal € 461 = € 1.844) per maand. Het (totale) tekort aan draagkracht is dus € 212,= per maand.
Zorgkorting
4.17
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de zorgkorting. De rechtbank past een zorgkorting toe van 25%, uitgaande van de zorgregeling die partijen hebben opgenomen in het ouderschapsplan. Dat partijen daar (tijdelijk) in de praktijk deels een andere invulling aan (hebben) (ge)geven, is geen reden om de zorgkorting nu te bepalen op 15%, zoals de vrouw tijdens de zitting heeft betoogd. Omdat de behoefte van de minderjarigen € 461,= per maand per kind bedraagt, is de zorgkorting € 115,= per maand per kind (en in totaal voor vier kinderen € 460,= per maand).
4.18
Omdat de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 1.010,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 460,= [bedrag zorgkorting] - € 106,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 656,= per maand, zijnde € 164,= per maand per kind.
Conclusie met betrekking tot de te betalen kinderbijdrage
4.19
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking wijzigen in € 164,= per maand per kind.
4.2
Een gescand exemplaar van de door de rechtbank gemaakte berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.
Verblijfsoverstijgende kosten
4.21
De man heeft zijn verzoek met betrekking tot de verblijfsoverstijgende kosten tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank hoeft dat verzoek daarom niet meer te beoordelen zodat zij het zal afwijzen.
Proceskosten
4.22
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijzigt voormelde beschikking van 19 september 2023 en het daaraan gehechte ouderschapsplan als volgt:
5.2
bepaalt dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
4. [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2018 te [geboorteplaats 2] ;
met ingang van de datum van deze beschikking nader wordt vastgesteld op € 164,= (honderdvierenzestig euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling door de man aan de vrouw te voldoen;
5.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.