Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5187

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2802
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonsanctie en reïntegratie-inspanningen door UWV tegen eiseres

Eiseres, een onderneming, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende reïntegratie-inspanningen voor een zieke werknemer. De loonsanctie hield in dat eiseres de loonbetalingsverplichting met 52 weken moest verlengen. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit.

De rechtbank beoordeelde of het UWV de eerder geconstateerde motiveringsgebreken had hersteld. Ten aanzien van spoor 1 oordeelde de rechtbank dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat eiseres niet voldeed aan haar verplichting om een volledig overzicht van passende functies binnen de organisatie te overleggen. Dit motiveringsgebrek was daarmee hersteld en de loonsanctie bleef in stand.

Ten aanzien van spoor 2 constateerde de rechtbank dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de werknemer onvoldoende passende sollicitaties had verricht. Hoewel eiseres stelde dat er wel voldoende passende sollicitaties waren, kon het UWV dit niet overtuigend weerleggen. Desondanks werd dit gebrek gepasseerd omdat de loonsanctie op grond van spoor 1 terecht was opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bepaalde dat het UWV het griffierecht aan eiseres moest vergoeden en veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de loonsanctie tegen eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2802

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.W.J. van Sikkelerus),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het UWV aan eiseres opgelegde verlenging van de loonbetalingsverplichting aan [werknemer] (werknemer). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het eerder door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van spoor 1 is hersteld. Dit betekent dat de loonsanctie stand houdt. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Werknemer was bij eiseres werkzaam als autoverkoper voor 40 uur per week. Hij meldde zich ziek op 14 september 2020.
2.2.
Met het besluit van 18 augustus 2022 (primaire besluit) heeft het UWV de loondoorbetalingsverplichting van eiseres aan de werknemer met 52 weken verlengd tot 10 september 2023 (de loonsanctie), omdat eiseres niet voldoende aan de reïntegratie van de werknemer heeft gedaan. De aanvraag van werknemer om een WIA-uitkering is daarom toen niet in behandeling genomen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Met een beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 heeft het UWV de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.4.
Met het besluit van 15 maart 2023 heeft het UWV de loonsanctie verkort tot en met 6 april 2023, omdat eiseres volgens het UWV inmiddels voldoende aan de reïntegratie had gedaan.
2.5.
In de uitspraak van 13 december 2024 [1] heeft deze rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van haar uitspraak.
2.6.
Met het besluit van 9 april 2025 (bestreden besluit) heeft het UWV een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het UWV heeft de bezwaren van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en de loonsanctie gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering door een arbeidsdeskundige bezwaar & beroep (b&b). Eiseres heeft hiertegen opnieuw beroep ingesteld.
2.7.
Op 12 februari 2026 heeft de rechtbank een beslissing genomen over de kennisneming van medische stukken over werknemer door eiseres. [2] De rechtbank heeft bepaald dat kennisneming van één stuk is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is.
2.8.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [directeur] (directeur), bijgestaan door mr. N.S. van der Werf (een kantoorgenoot van de gemachtigde), en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het UWV de door de rechtbank in de uitspraak van 13 december 2024 geconstateerde motiveringsgebreken ten aanzien van spoor 1 en spoor 2 heeft hersteld en op goede gronden de aan eiseres opgelegde loonsanctie heeft gehandhaafd.
Het motiveringsgebrek ten aanzien van spoor 1
4. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar passages uit de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter [3] en de Werkwijzer poortwachter [4] – samengevat - geoordeeld dat het UWV ten onrechte niet heeft gereageerd op het primaire standpunt van eiseres dat er geen vacatures binnen het bedrijf waren, ook niet in andere vestigingen.
4.1.
In de rapportage van 22 januari 2025 – behorende bij het bestreden besluit – heeft de arbeidsdeskundige b&b als volgt op dit motiveringsgebrek gereageerd.
Een werkgever dient in het kader van de beoordeling van de reïntegratieinspanningen een overzicht van de binnen de eigen organisatie voorkomende functies te overleggen en daarbij aan te geven welke van deze functies, gezien het scholingsniveau van werknemer, zijn vaardigheden en werkervaring, geschikt zouden zijn, al dan niet na van het volgen van een kortdurende opleiding of training. Op het moment dat een werkgever een dergelijk overzicht heeft overgelegd, dan pas kan werkgever aangeven waarom de potentieel geschikte functies niet aan werknemer aangeboden kunnen worden. De reden hiervan kan zijn dat er geen sprake is van een vacature. Immers, als de geschikte functies al zijn bezet door anderen, kan niet van een werkgever worden verlangd dat hij een van deze werknemers ontslaat om een zieke werknemer te herplaatsen. Dit ontslaat de werkgever echter niet van zijn verplichting om een overzicht te verstrekken. Daarom kan een werkgever niet volstaan met het primaire standpunt dat er geen vacatures zijn, aldus de arbeidskundige b&b.
4.2.
In haar beroepsgronden voert eiseres aan dat zij een zo’n overzicht wel heeft overgelegd. Zij verwijst daarvoor naar het arbeidskundig onderzoek van [adviesbureau] van 21 september 2021. Het UWV motiveert volgens eiseres niet waarom de overgelegde lijst met functies en uitleg waarom die functies ongeschikt zijn, onvoldoende duidelijk zou zijn. Uit het rapport volgt volgens eiseres overduidelijk welke functies er bestaan binnen de onderneming van eiseres. Ook is aangegeven dat alle functies niet passen bij de opleiding van werknemer en zijn werkervaring. Daarbij is van belang dat eiseres ook heeft gekeken naar haar andere filialen. Gelet op de aard van de functies binnen het bedrijf en de beperkingen van werknemer zijn er geen passende of passend te maken functies bij de eigen werkgever. Eiseres stelt dat het erop lijkt dat partijen inmiddels in een soort semantisch steekspel zijn geraakt over de definitie van het woord “overzicht”.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het UWV in de nieuwe beslissing op bezwaar alsnog heeft gereageerd op het primaire standpunt van eiseres dat er geen vacatures waren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidskundige b&b voldoende gemotiveerd dat het systeem van de Wet Poortwachter een bepaalde volgorde voorschrijft, waarbij eerst een volledig overzicht gegeven moet worden van alle functies die passend zijn of passend gemaakt kunnen worden voor de werknemer die moet reïntegreren. Pas als dat volledige overzicht er is, kan een werkgever aangeven dat een potentieel geschikt of geschikt te maken functie niet aan de werknemer kan worden aangeboden, zoals vanwege het ontbreken van vacatures. Het eerder door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van spoor 1 is daarmee hersteld.
4.4.
Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres in beroep opnieuw betoogt dat zij wel voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er geen herplaatsingsmogelijkheden in ander/aangepast werk in het bedrijf waren. Eiseres verwijst daarbij opnieuw naar het arbeidskundig onderzoek van [adviesbureau] van 21 september 2021.
In de uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank onder 5.2 als volgt geoordeeld:
“De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt stelt dat hij een volledige inventarisatie van alle binnen de organisatie voorkomende functies op en onder het (opleidings-)niveau van de werknemer mag eisen. Dat leidt de rechtbank af uit de recente rechtspraak [5] en uit paragraaf 4.2.3 van de Werkwijzer. In de rapportage van [adviesbureau] van 21 september 2021 is deze inventarisatie onvoldoende per functie gespecificeerd en dus onvoldoende inzichtelijk voor toetsing door de arbeidsdeskundigen van het UWV.”
Dat betekent dat de rechtbank deze beroepsgrond van eiseres in de uitspraak van 13 december 2024 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Volgens de zogenoemde Brummen-rechtspraak leidt het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank ertoe dat de rechtbank in de nieuwe procedure moet uitgaan van de juistheid van haar eerdere oordeel voor zover zij daarbij bepaalde gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, tenzij er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden dan wel van een gewijzigd rechtsregime. [6] Die uitzonderings-situatie is niet aan de orde. Omdat eiseres geen hoger beroep heeft ingesteld, kan zij deze grond niet opnieuw aan de rechtbank voorleggen.
4.5.
Omdat het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van spoor 1 is hersteld, is de conclusie dat eiseres onvoldoende reïntegratieinspanningen heeft verricht in spoor 1 en dat het UWV op goede gronden de loonsanctie aan eiseres heeft opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.
Het motiveringsgebrek ten aanzien van spoor 2
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat de werknemer in het reïntegratietraject naar andere werkgevers niet op passende functies zou hebben gesolliciteerd, terwijl uit het sollicitatieoverzicht dat als bijlage bij de voortgangsrapportage van 3 augustus 2022 is gevoegd, blijkt dat werknemer veelvuldig heeft gesolliciteerd op diverse functies waaronder op de vacature van administratief medewerker; een functie die bij de bekorting van de loonsanctie wel passend werd geacht.
5.1.
In de rapportage van 22 januari 2025 – behorende bij het bestreden besluit – heeft de arbeidsdeskundige b&b als volgt op dit motiveringsgebrek gereageerd.
Bij het opleggen van de loonsanctie had de werknemer ongeveer 23 sollicitaties verricht. Daarvan waren vijf sollicitaties verricht naar de functie van (commercieel) administratief medewerker. De arbeidsdeskundige b&b stelde in zijn rapportage van 28 februari 2023 al dat voor het gros van de functies die als potentieel passende functies werden aangemerkt zoals telefonist/receptionist, medewerker meldkamer taxicentrale, commercieel medewerker en medewerker wagenpark beheer of politie backoffice het alleszins aannemelijk is dat er sprake is van afleiding door activiteiten van anderen, veelvuldige storingen en onderbrekingen en veelvuldige deadlines of productiepieken. De werknemer heeft overwegend op vergelijkbare functies gesolliciteerd.
Gelet op het aantal genoemde sollicitaties zijn dat er ongeveer 18 van de 23. De functie van
administratief medewerker wordt hierbij niet genoemd. De conclusie van de arbeidsdeskundige b&b is dan ook niet dat de werknemer uitsluitend gesolliciteerd heeft op functies die niet aansluiten bij zijn belastbaarheid, maar dat hij overwegend op niet passende functies heeft gesolliciteerd. Van de functie van administratief medewerker kan op basis van de functienaam niet per definitie vastgesteld worden dat deze niet passend is vanwege het zich voordoen van veelvuldige storingen en onderbrekingen of van veelvuldige deadlines of productiepieken of van afleiding door activiteiten van anderen. Dit kan alleen op basis van de inhoud van de werkzaamheden van (commercieel) administratief medewerker.
De loonsanctie is bekort, omdat de werknemer na het opleggen van de loonsanctie alleen nog maar gesolliciteerd heeft naar functies van administratief medewerker. Dit is een terechte conclusie, omdat de verwachting is dat deze functies over het algemeen wel passend zijn. Afleiding door activiteiten van anderen, veelvuldige storingen en onderbrekingen en veelvuldige deadlines of productiepieken zijn immers niet per definitie kenmerkend voor deze functies, zo stelt de arbeidsdeskundige b&b.
5.2.
Eiseres voert in beroep aan dat zij al vele malen bij het UWV heeft aangekaart dat er gekeken moet worden naar de omvang van de bedrijven waar de werknemer heeft gesolliciteerd in vergelijking met de onderneming van eiseres. Eiseres heeft een kleine onderneming, waardoor er veel meer op het bordje van de werknemers komt. Bij grotere ondernemingen werken meer mensen en kan meer rekening gehouden worden met de belastbaarheid van werknemer. Bij de sollicitaties van de werknemer is met die omstandigheid rekening gehouden. De werkzaamheden bij eiseres zijn dus niet precies gelijk aan de werkzaamheden bij een andere auto-gerelateerde onderneming.
Daarnaast stelt eiseres dat het totale aantal sollicitaties minimaal 43 bedraagt, zo blijkt uit het sollicitatieoverzicht. Volgens eiseres wordt er door het UWV een onjuist beeld gecreëerd en een verkeerde verhouding (18 van 23 sollicitaties) toegepast. Als het UWV al vindt dat er op 18 niet passende functies is gesolliciteerd, dan is dat dus nog minder dan de helft. Er is in dat geval dus wel in overwegende mate gesolliciteerd op passende functies.
Ook stelt het UWV ten onrechte dat functies zoals medewerker wagenpark beheer niet passend zouden zijn. Bij deze functies is er volgens eiseres weinig contact met klanten en hoeft er niet veel gecommuniceerd te worden met collega’s. Eiseres blijft dus van mening dat geconcludeerd moet worden dat werknemer genoeg heeft gesolliciteerd op overwegend passende functies en dat er dus geen reïntegratiekansen zijn gemist in spoor 2.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van spoor 2 niet heeft hersteld. Op het sollicitatieoverzicht dat als bijlage bij de voortgangsrapportage van 3 augustus 2022 is gevoegd, staan eerder 43 dan 23 sollicitaties vermeld. Op de zitting heeft de gemachtigde van het UWV niet kunnen aangeven waarom de arbeidsdeskundige b&b desondanks uitgaat van slechts 23 sollicitaties in totaal, waarvan er 18 niet passend zouden zijn geweest. Dat eiser in overwegende mate op niet passende functies heeft gesolliciteerd, is voor de rechtbank daarom nog steeds onvoldoende gemotiveerd.
Dat betekent dat het UWV niet goed heeft gemotiveerd dat onvoldoende reïntegratie-inspanningen zouden zijn verricht in spoor 2. Nu evenwel de loonsanctie stand houdt vanwege de tekortkomingen van eiseres in spoor 1, ziet de rechtbank aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres is hierdoor immers niet in haar belangen geschaad.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de loonsanctie stand houdt. De rechtbank heeft wel een motiveringsgebrek geconstateerd in overweging 5.3, maar dit gebrek wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
6.1.
Omdat artikel 6:22 van Pro de Awb is toegepast, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en zijn kantoorgenoot aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 12 juni 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

2.Op grond van artikel 8:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224.
4.Zie de Werkwijzer Poortwachter op www.uwv.nl, versie 1 augustus 2022.
5.CRvB van 3 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:517, r.o. 4.4.
6.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:360.