Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5188

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
02-206156-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 10 lid 4 en 5 OpiumwetArt. 3a lid 5 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen productie amfetamine en metamfetamine

Op 16 augustus 2023 heeft verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht voor de productie van amfetamine en metamfetamine door het voorhanden hebben en vervoeren van roestvrijstalen reactieketels die geschikt zijn voor de productie van deze drugs. Verdachte huurde een bakwagen en vervoerde de ketels naar een locatie waar op grote schaal BMK werd vervaardigd, de grondstof voor (met)amfetamine.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap had van de inhoud van de vracht, mede door de sterke geur van amfetamine en zijn eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. Verdachte leverde een materiële bijdrage door het vervoeren van de ketels en handelde in nauwe samenwerking met medeverdachten, wat kwalificeert als medeplegen.

De rechtbank hield rekening met het hardleerse gedrag van verdachte, zijn strafblad en het reclasseringsadvies. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd de straf gematigd. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met bijzondere voorwaarden en aftrek van voorarrest.

Daarnaast is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf toegewezen omdat verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig maakte aan een nieuw strafbaar feit. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op waaronder toezicht en begeleiding door de reclassering vallen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en verklaarde hem strafbaar voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine en metamfetamine, zoals omschreven in de Opiumwet.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, voor medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine en metamfetamine.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-206156-23
Parketnummer TUL: 20-000877-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 juni 2026
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964
ingeschreven op het adres [adres 1]
raadsman mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 16 augustus 2023 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine en metamfetamine, door voorwerpen die daarvoor bestemd waren voorhanden te hebben.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat verdachte geen wetenschap had van hetgeen hij vervoerde. Daarnaast wordt aangevoerd dat verdachte een beperkte rol heeft gehad.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte heeft een voertuig (een bakwagen) gehuurd waarmee hij in de ochtend van 16 augustus 2023 naar het adres van medeverdachte [medeverdachte] aan de [adres 2] is gereden. Daar is het voertuig op het terrein geparkeerd ter hoogte van een schuur waarin diezelfde ochtend roestvrijstalen reactieketels zijn aangetroffen.
Op diverse plekken en in diverse ruimtes op het perceel aan de [adres 2] zijn bij het politieonderzoek nog andere goederen aangetroffen die geschikt zijn voor drugsproductie.
Door de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) is gerelateerd dat de aangetroffen goederen en chemicaliën typisch zijn voor locaties waar synthetische drugs en/of precursoren vervaardigd of bewerkt worden en dat het aannemelijk is dat op de [adres 2] op grote schaal BenzylMethylKeton (BMK), zijnde de grondstof van (met)amfetamine, is vervaardigd en/of bewerkt met behulp van de rvs-reactieketels.
Medeverdachte [medeverdachte] , eigenaar van het onroerend goed aan de [adres 2] , heeft verklaard dat er die dag door een oudere man uit [plaats 1] met een bakwagen ketels zijn afgeleverd. Bij het onderzoek in de schuur heeft de politie vastgesteld dat de ketels vervuild waren en sterk roken naar amfetamine.
Verdachte heeft verklaard dat hij in opdracht van een derde een bakwagen moest huren om iets te vervoeren. Hij heeft die bakwagen bij zijn huis geparkeerd en de sleutel daarvan aan een onbekende meegegeven. Toen hij bericht kreeg dat hij kon gaan rijden met de bakwagen, heeft hij dat gedaan. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de bakwagen dicht bij een schuur op het terrein aan de [adres 2] heeft geparkeerd en dat hij vervolgens in de woning koffie is gaan drinken. Anderen hebben volgens hem de vracht uit de bakwagen gehaald. Hij wist niet wat hij vervoerde en hij betwist dat hij iets wist van reactieketels in de bakwagen.
Wetenschap
Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in de artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap van en de beschikkingsmacht over de aangetroffen voorwerpen had. De rechtbank stelt vast dat verdachte in opdracht van een derde vervuilde reactieketels met een sterke geur van amfetamine in een door hem gehuurde bakwagen voorhanden heeft gehad. Daarmee had verdachte de beschikkingsmacht over de ketels. Ook had hij wetenschap van de inhoud van de vracht gelet op de sterke geur daarvan die verdachte geroken moet hebben. Bovendien is het ongeloofwaardig dat verdachte de lading niet heeft bekeken voordat hij ging rijden, aangezien hij verantwoordelijk was voor veilig vervoer van de vracht. Daar komt bij dat verdachte eerder is veroordeeld voor het vervoeren van drugs-gerelateerde goederen in opdracht van anderen en dus bij uitstek wist welk risico hij daarmee nam. Kortom: hij was een gewaarschuwd mens.
Medeplegen
Door als vervoerder van de ketels te fungeren, heeft verdachte een actieve en essentiële bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen. Hij heeft daartoe nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten. Het handelen van verdachte kan worden beschouwd als een materiële bijdrage van voldoende gewicht om als medeplegen te kunnen kwalificeren.
Conclusie
De rechtbank acht derhalve het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
hij op 16 augustus 2023 te [plaats 2] , gemeente Moerdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of metamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen voorhanden heeft gehad,
immers, hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- onderdelen van een productieopstelling, bedoeld voor de productie van (met)amfetamine laboratoriumbenodigdheden en/of hardware voorhanden gehad en vervoerd en afgeleverd, te weten meerdere ketels, waarvan hij, verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van het voorarrest. Hij heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Hij verzoekt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De verdediging verzoekt een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs. Hij heeft rvs-reactieketels in een door hem gehuurde bakwagen voorhanden gehad, vervoerd en bij medeverdachte [medeverdachte] afgeleverd. Met deze ketels kan op grote schaal BMK worden vervaardigd, wat de grondstof is voor (met)amfetamine. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Door als vervoerder op te treden, heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van en de daaropvolgende handel in harddrugs, wat vaak samengaat met georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Ook is de productie van en handel in harddrugs regelmatig oorzaak van geweld, waarmee ook nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij hier kennelijk geen oog voor heeft gehad en hij zijn eigen financiële belangen voorop heeft gesteld.
De persoon van verdachte
In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn strafblad. Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens het overtreden van de Opiumwet. Hij liep zelfs nog in een proeftijd toen hij het bewezenverklaarde feit pleegde. Ook is er gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte een nieuwe verdenking ontstaan voor het overtreden van de Opiumwet. Verdachte is kennelijk hardleers.
De rechtbank houdt verder rekening met het reclasseringsadvies van 12 mei 2026. De reclassering ziet een patroon omtrent vermogens- en drugsdelicten door de jaren heen. Verdachte laat zich makkelijk beïnvloeden, zodra er geld tegenover staat. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht praktische begeleiding nodig om te zorgen dat verdachte pro-sociale keuzes blijft maken. In dat kader heeft de reclassering bijzondere voorwaarden geadviseerd. Dit betreffen een meldplicht, vinden en behouden van een dagbesteding, meewerken aan ambulante begeleiding en financiële hulpverlening, inzage geven in zijn sociaal netwerk en een contactverbod met de medeverdachten.
Overschrijding redelijke termijn
Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank stelt namelijk vast dat het recht op een berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in deze zaak is geschonden. De redelijke termijn is op 16 augustus 2023 aangevangen, aangezien verdachte die datum in verzekering is gesteld en daarom redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat er strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld in deze zaak. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Dat maakt dat de redelijke termijn met tien maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding het matigen van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Strafoplegging
Gelet op het hardleerse gedrag van verdachte en de aard en de ernst van het feit acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en de rol van verdachte in het geheel. Gelet hierop zal de rechtbank een straf opleggen die lager ligt dan de eis van de officier van justitie. In beginsel ziet de rechtbank aanleiding om een gevangenisstraf van elf maanden op te leggen. Ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn zal de gevangenisstraf met twee maanden worden gematigd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachten nu die voorwaarde niet van enige toegevoegde waarde is gebleken.

7.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 179 dagen die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 mei 2024 ten uitvoer zal worden gelegd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen en in plaats daarvan de proeftijd te verlengen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 in Tilburg;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte zicht laat begeleiden door Humanitas Homerun, Unitio of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start na aanmelding. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
* dat verdachte bij nieuwe schulden meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen in samenwerking met zijn huidige bewindvoerder of zijn ambulant begeleider. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* dat verdachte inzicht geeft in zijn sociaal netwerk en houdt afstand van negatief sociale contacten;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van 25 mei 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 20-000877-22
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een
gevangenisstraf van 179 dagen;
- heft de voorlopige hechtenis die bij eerder bevel is geschorst op.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juni 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 16 augustus 2023 te [plaats 2] , gemeente Moerdijk
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of metamfetamine, in elk geval een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te
zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te
verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of
zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden
dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) toen
aldaar
- onderdelen van een productieopstelling, bedoeld voor de productie
van (met)amfetamine laboratoriumbenodigdheden en/of hardware
voorhanden gehad en vervoerd en afgeleverd, te weten meerdere ketels,
waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige
reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit.
(art l0a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art l0a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art
l0a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van
Strafrecht)