Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5189

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
02-206334-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen productie amfetamine en bezit amfetamine-olie

Op 16 augustus 2023 werd verdachte samen met anderen aangetroffen in een loods waar drugsgerelateerde goederen en chemicaliën werden gevonden die typisch zijn voor de productie van amfetamine en methamfetamine. Verdachte ontkende betrokkenheid bij productie en stelde dat het ging om drugsafval waarvan hij geen wetenschap had.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wel wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen stoffen en goederen, mede gelet op zijn eigen verklaring ter plaatse. Hoewel een deel van de goederen afval betrof, was een aanzienlijk deel bestemd voor productie en vormde dit voorbereidingshandelingen. Verdachte werd daarom partieel vrijgesproken voor het afval, maar veroordeeld voor de overige voorbereidingshandelingen en het aanwezig hebben van 3,3 liter amfetamine-olie.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, het reclasseringsadvies en de overschrijding van de redelijke termijn. De opgelegde straf bestaat uit 198 dagen gevangenisstraf waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. Tevens is beslag gelegd en is een geldbedrag van 650 euro aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 198 dagen gevangenisstraf waarvan 100 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur voor medeplegen voorbereidingshandelingen productie amfetamine en bezit van 3,3 liter amfetamine-olie.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-206334-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 juni 2026
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999
ingeschreven op het [adres 1]
raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:op 16 augustus 2023 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van (met)amfetamine;
feit 2:op 16 augustus 2023 samen met anderen opzettelijk 3,3 liter amfetamine-olie heeft vervaardigd dan wel aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten heeft de verdediging primair bepleit verdachte integraal vrij te spreken, omdat de aangetroffen goederen afval betrof en dat staat in een te ver verwijderd verband van het plegen van voorbereidingshandelingen. Daarnaast had verdachte geen wetenschap van de aangetroffen goederen in zijn loods.
Ook ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging vrijspraak, nu verdachte geen wetenschap had van de aanwezige amfetamine-olie en er daardoor ook geen sprake kan zijn van medeplegen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Vaststaande feiten
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 16 augustus 2023 heeft de politie een inval gedaan op [adres 2] . Naar aanleiding daarvan kregen verbalisanten een melding dat er mogelijk een drugslab aanwezig was in een loods aan de [adres 3] die verband hield met de aangetroffen drugsgerelateerde goederen aan de [adres 2] . Een van de loodsen aan de [adres 3] werd gehuurd door verdachte. Verdachte is op 16 augustus 2023 in zijn loods aangetroffen met twee andere personen die in een bus zaten. In de loods en bus zijn verschillende drugsgerelateerde goederen en chemicaliën aangetroffen. Uit het rapport van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) volgt dat de goederen en chemicaliën die zijn aangetroffen zeer typisch zijn voor de vervaardiging van BMK, een grondstof voor amfetamine en methamfetamine. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat in het aangeboden onderzoekmateriaal sporen van amfetamine, amfetaminesulfaat, BMK (grondstof voor amfetamine en metamfetamine) fosforzuur, mierenzuur, formamide, caustic soda en BMK-glycidezuur zijn aangetroffen. In de loods stonden ook 3 flessen met amfetamine-olie.
Wetenschap
Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in de artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap van en de beschikkingsmacht over de aangetroffen voorwerpen en stoffen had. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Ter plaatse heeft verdachte uit zichzelf verklaard dat hij wist dat de inval eraan kwam en dat zij bezig waren met drugsafval, afkomstig van de inval van die ochtend. Verdachte moest dit doen om niet in de schulden te komen, want hij zat in een wereld waarvoor hij ‘dingen’ moest doen. Hieruit blijkt dat verdachte op de hoogte was van alle goederen en chemicaliën in zijn loods. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het proces-verbaal van bevindingen dat op ambtsbelofte is opgemaakt. Daaruit blijkt bovendien dat verdachte bij zijn aanhouding direct gewezen is op het recht om te zwijgen en het recht op een advocaat. Verdachte is er nogmaals op gewezen dat hij het recht had om niet te antwoorden toen hij spontaan voornoemde verklaring aflegde. Verdachte begreep wat dit inhield en deelde desgevraagd mede bij zijn verhaal te blijven.
Voorbereidingshandelingen
Verdachte ontkent betrokkenheid bij productie van drugs. Wel was hij in de loods bezig met het opruimen van drugsafval.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat een aanzienlijk deel van de in de loods aangetroffen goederen wel degelijk geschikt was voor de productie van synthetische drugs. Zo stonden er bijvoorbeeld ook volle jerrycans gevuld met chemicaliën die voor de productie van harddrugs worden gebruikt. Dat ook sprake was van drugsafval doet daaraan niet af. Sterker nog, bij de productie van amfetamines komt afval vrij.
Het aangetroffen drugsafval zelf vormt geen onderdeel van de voorbereidingshandelingen. Dit betreft immers een afvalproduct en ziet juist op de fase ná het productieproces. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte hiervan partieel vrijspreken.
De overige aangetroffen voorwerpen zijn bestemd tot het produceren van synthetische drugs en zien op voorbereidingshandelingen daartoe.
Medeplegen
De rechtbank stelt vast verdachte met anderen in de loods is aangetroffen. Uit de verklaring van verdachte ter plaatste blijkt dat hij bezig was met goederen afkomstig van de [adres 2] , het adres van [medeverdachte] en tevens goede vriend van verdachte, waar eerder die dag goederen zijn aangetroffen die behoren bij de productie van synthetische drugs. Hieruit blijkt een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van voorbereidingshandelingen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het vervaardigen van (met)amfetamine, zoals hieronder onder 4.4 weergegeven.
Feit 2
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 augustus 2023 in totaal 3,3 liter amfetamine-olie aanwezig heeft gehad, zoals hieronder onder 4.4. weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
hij op 16 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Moerdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen voorhanden heeft gehad,
immers, hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- een hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen, te weten fosforzuur, mierenzuur, formamide, caustic soda, BMK-glycidezuur en
- een hoeveelheid (laboratorium)benodigdheden, te weten jerrycans, maatbekers, IBC’s, vaten, gascilinders, laboratoriumglaswerkdelen, vacuümmachine
voorhanden gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat zij bestemd
waren tot het plegen van dat feit;
feit 2
hij op 16 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Moerdijk opzettelijk aanwezig heeft
gehad 3,3 liter van een materiaal bevattende amfetamine-olie, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs en het aanwezig hebben van 3,3 liter amfetamine-olie. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van en de daarop volgende handel in harddrugs, wat vaak samen gaat met georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Verder vindt verontreiniging van het milieu op grote schaal plaats doordat chemisch afval afkomstig van drugslaboratoria in de natuur wordt gedumpt. Ook is de productie van en handel in harddrugs regelmatig oorzaak van geweld, waarmee ook nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij hier kennelijk geen oog voor heeft gehad.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eenmaal eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar dat dit langer dan vijf jaar geleden is waardoor deze niet in strafverzwarende zin zal worden meegewogen.
De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies van 30 april 2026 dat over verdachte is opgesteld. De reclassering ziet geen risico verhogende factoren en geen problemen op de diverse leefgebieden. Zij schat het risico op recidive in als laag en ziet daarom geen aanleiding om bijzondere voorwaarden te adviseren. Verder heeft de reclassering ter overweging meegegeven dat het verdachte veel moeite heeft gekost om na zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis zijn leven weer op te bouwen en om die reden oplegging van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf wordt geadviseerd.
Overschrijding redelijke termijn
Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank stelt namelijk vast dat het recht op een berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in deze zaak is geschonden. De redelijke termijn is op 17 augustus 2023 aangevangen, aangezien verdachte die datum in verzekering is gesteld en daarom redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat er strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld in deze zaak. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Dat maakt dat de redelijke termijn met tien maanden is overschreden en dat hiermee rekening dient te worden gehouden bij de strafoplegging. De rechtbank zal hiermee rekening houden in de strafmodaliteit, hetgeen hieronder nader zal worden toegelicht.
Strafoplegging
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk aanwezig hebben van 3,3 liter harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Verdachte heeft hiernaast nog voorbereidingshandelingen verricht voor het vervaardigen van harddrugs. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij niet recent terzake de Opiumwet is veroordeeld, de inhoud van het reclasseringsrapport en de overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 198 dagen waarvan, 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis passend en geboden.
Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

7.Het beslag

7.1.
De teruggave
Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 198 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
650 EUR (G2625947);
Voorlopige hechtenis
- heft de voorlopige hechtenis die bij eerder bevel is geschorst op.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juni 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdacht is tenlastegelegd dat
1
hij op of omstreeks 16 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Moerdijk
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van amfetamine en/of methamfetamine, in elk geval een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te
zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te
verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of
zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden
dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
Immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) toen
aldaar
- meerdere goederen en/of chemicaliën/grondstoffen voor een
productieplaats ten behoeve van het op grote schaal
vervaardigen/bewerken van BMK (benzylmethylketon) vanuit een
pre-precursor met behulp van een zuur en de amfetamine-base, welke
BMK (vervolgens) als (grond)stof kan worden gebruikt bij/voor de
bereiding en verwerking en vervaardiging van amfetamine en
metamfetamine, in elk geval middelen vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I en/of
- (een) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen, te weten fosforzuur,
mierenzuur, formamide, caustic soda, BMK-glycidezuur en/of
- (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden, te weten
jerrycans, maatbekers, IBC’s, vaten, gascilinders, laboratorium
glaswerkdelen, vacuümmachine
voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd
waren tot het plegen van dat feit;
( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art
10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van
Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 16 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Moerdijk
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft
gehad
ongeveer 3,3 liter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine-olie,
zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet.
( art 2 ahf Pro/ond D Opiumwet )