ECLI:NL:RBZWB:2026:5195

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/439649 / JE RK 25-1640, C/02/447603 / JE RK 26-726
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens voortgezet hulpverleningsbehoefte

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2011. De Stichting Jeugdbescherming West Zeeland verzocht om verlenging van de OTS, omdat de doelen van de maatregel nog niet waren behaald.

De minderjarigen wonen bij hun moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag uitoefent. De OTS was aanvankelijk ingesteld in november 2023 en meerdere malen verlengd tot 15 mei 2026. De GI vroeg nu verlenging voor negen maanden, waarvan een deel direct en een deel aangehouden.

De kinderrechter constateerde positieve ontwikkelingen bij de oudste minderjarige, die een bijbaantje heeft en gemotiveerd is met haar opleiding, maar die geen ruimte ziet voor hulpverlening. De jongste minderjarige kampt met schoolverzuim en start binnenkort een behandeltraject bij een ggz-instelling. De moeder slaagt er niet in haar te motiveren.

Gezien deze omstandigheden acht de rechter verlenging van de OTS noodzakelijk: voor de oudste tot 15 augustus 2026 met een borgingsplan richting afronding, en voor de jongste tot 15 mei 2027 om de hulpverlening te monitoren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van beide minderjarigen wordt verlengd vanwege voortzetting van noodzakelijke hulpverlening en onvoldoende bereikte doelen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers:
C/02/439649 / JE RK 25-1640
(restant verlenging ondertoezichtstelling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] )
C/02/447603 / JE RK 26-726
(verlenging ondertoezichtstelling [minderjarige 1] )
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak C/02/439649 / JE RK 25-1640:
  • de beschikking van 5 november 2025 en alle hierin opgenomen en vermelde stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 7 april 2026, ontvangen op 24 april 2026;
  • het gezinsplan van 7 april 2026, ontvangen op 24 april 2026.
In de zaak C/02/447603 / JE RK 26-726:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 24 april 2026, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
Op 13 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader en moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 15 november 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht
gesteld met ingang van 15 november 2023 en tot 15 mei 2024. Deze maatregel is daarna
steeds verlengd, voor het laatst tot 15 mei 2026.

3.Het verzoek

In de zaak C/02/439649 / JE RK 25-1640
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor
de duur van negen maanden, waarvan zes maanden direct worden uitgesproken en de
overige drie maanden worden aangehouden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren.
3.2.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek, te weten de verlenging van de ondertoezichtstelling met ingang van 15 mei 2026 en tot 15 augustus 2026.
In de zaak C/02/447603 / JE RK 26-726
3.3.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de verzoekschriften.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek van de GI toewijzen. Ook zal de kinderrechter het verzoek van de GI tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] toewijzen. Hij legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is het de kinderrechter gebleken dat er in de afgelopen periode een aantal positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan. [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed. Zij heeft een bijbaantje en is serieus en gemotiveerd bezig met haar opleiding. In de afgelopen periode is het [minderjarige 2] echter niet gelukt om van de hulpverlening te kunnen profiteren. [minderjarige 2] ervaart op dit moment geen ruimte om de hulpverlening vanuit [hulpverlening] aan te gaan. [minderjarige 2] richt zich volledig op haar opleiding en heeft geen behoefte aan verdere ondersteuning. Met [minderjarige 1] is het de afgelopen periode minder gegaan. Het lukt [minderjarige 1] nog steeds niet om naar school te gaan, ondanks dat er individuele afspraken rondom haar rooster zijn gemaakt. Het lukt de moeder ook niet om [minderjarige 1] hierin te motiveren. [minderjarige 1] is aangemeld voor behandeling bij [ggz-instelling] en zal binnenkort starten met haar individuele programma waarbij er gewerkt zal worden aan een terugkeer naar school.
5.3.
Gelet op het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat de doelen van de ondertoezichtstelling (nog) niet zijn behaald. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Voor [minderjarige 2] zal deze verlengd worden tot 15 augustus 2026. De kinderrechter vindt het hierbij van belang dat er een borgingsplan wordt opgesteld en dat er wordt toegewerkt naar een afronding van de ondertoezichtstelling, mede gezien het feit dat zij in september 2026 achttien jaar oud wordt. Ten aanzien van [minderjarige 1] vindt de kinderrechter het van belang dat de hulpverlening vanuit [ggz-instelling] wordt opgestart en dat dit de komende periode gemonitord wordt. In het verleden zijn eerdere trajecten niet van de grond gekomen en de kinderrechter vindt het van belang dat de inzet van deze hulpverlening gaat slagen. Gelet op het voorgaande wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 15 mei 2027.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 15 mei 2026 en tot 15 augustus 2026;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 15 augustus 2026 en tot 15 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 20 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.