ECLI:NL:RBZWB:2026:52
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding in belastingzaak na intrekking beroep
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 9 januari 2026, wordt het verzoek van de belanghebbende om een proceskostenvergoeding afgewezen. De belanghebbende had zijn beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting 2024 ingetrokken, nadat de heffingsambtenaar op 19 november 2024 had meegedeeld dat de naheffingsaanslag ambtshalve werd vernietigd. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar de gelegenheid gegeven om te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar de heffingsambtenaar stelde dat er geen kosten waren die voor vergoeding in aanmerking kwamen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank overweegt dat, hoewel de heffingsambtenaar tegemoet is gekomen aan het beroep van de belanghebbende door de naheffingsaanslag te vernietigen, dit niet automatisch leidt tot een proceskostenvergoeding. De rechtbank concludeert dat er geen proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien het beroepschrift niet door een derde met beroepsmatige rechtsbijstand is ingediend. De rechtbank wijst er wel op dat de heffingsambtenaar verplicht is het door de belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden, indien dit bedrag nog niet is terugontvangen.
De uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl. Partijen zijn op de hoogte gesteld van de uitspraak en hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met de uitspraak.