Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
C/02/447621 / JE RK 26-734
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
- de brief van mr. Van der Sluis, houdende een verzoek om aanhouding, ontvangen op 20 april 2026;
- de reacties van de GI en mr. Edelmann op voornoemd aanhoudingsverzoek, ontvangen op 21 april 2026;
- het bericht van de griffier van de rechtbank aan partijen d.d. 21 april 2026 dat het aanhoudingsverzoek niet wordt gehonoreerd;
- het van de GI op 23 april 2026 ontvangen visiedocument ouderverstoting;
- het verweerschrift alsmede zelfstandig verzoek van de zijde van de vader, met producties 1 t/m 7.
- drie vertegenwoordigers van de GI;
- de vader met zijn advocaat;
2.De feiten
3.De verzoeken
I het verzoek van de GI af te wijzen;
III zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
4.De standpunten
De GI heeft grote zorgen dat [minderjarige] in een enorm loyaliteitsconflict verkeert en mogelijk al de kant van vader heeft gekozen. Door de GI en Sterk Huis wordt gezien dat [minderjarige] meteen begint te huilen en in paniek raakt als het over haar moeder gaat. De GI ziet bij [minderjarige] traumarespons. [minderjarige] weigert hier verder over te spreken. De GI acht contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] van groot belang voor haar identiteitsontwikkeling. Het contactherstel kan echter niet worden opgestart als [minderjarige] niet de vrijheid voelt om contact met haar moeder te hebben en er geen hulpverlening tot stand komt om te werken aan het trauma(respons). [minderjarige] heeft recht op contact met beide ouders. Er is sprake van een hoog schoolverzuim van [minderjarige] . School ziet een gesloten meisje dat moeite heeft met vertrouwen en maakt zich al jaren zorgen over het hoge schoolverzuim van [minderjarige] . [minderjarige] woont in [plaats 1] en gaat nog steeds in [plaats 2] naar school. De vader brengt en haalt haar. [minderjarige] loopt stage. Op haar stageadres wordt gezien dat al het contact over de stage via vader verloopt. Als ze zich afmeldt, loopt dit via vader. Daarnaast ziet stage dat er controle is op het wegbrengen en ophalen van [minderjarige] . Stage benoemt dat vader controlerend en beschermend overkomt en benoemt dat in gesprekken [minderjarige] zelden aan het woord komt in het bijzijn van vader. Zij geeft dan een terughoudende indruk. Tijdens het werk lijkt ze wat losser te komen en plezier uit te stralen. De hulpverlening signaleert dat [minderjarige] gaandeweg haar eigen perspectief lijkt te zijn kwijtgeraakt. Er bestaat ernstige zorg dat haar visie en beleving volledig gevormd wordt door die van de vader. Dit wordt versterkt doordat vader [minderjarige] geen emotionele ruimte biedt om vrij te spreken met de hulpverlening. Er is bij vader een patroon van vertragen en beperkte medewerking aan de hulpverlening waarin hij continu de regie naar zich toetrekt en in eigen belang handelt, afspraken ondermijnt of uitstelt en structureel belemmeringen opwerpt voor de voortgang. De vader geeft aan dat hij volledig wil meewerken met de hulpverlening maar dit wordt niet teruggezien in zijn handelen. De vader richt zich meer op strijd tegen de GI dan op de wensen en behoeften van [minderjarige] . Hij zegt dat hij bedreigd en onheus bejegend is door de GI, hetgeen wordt betwist. Er is om die reden een tweede jeugdzorgwerker gekoppeld om de gesprekken met de vader met twee jeugdzorgwerkers te kunnen voeren. Er zijn verschillende schriftelijke aanwijzingen aan vader gegeven met de opdracht mee te werken, maar deze hebben geen effect gehad. De GI had gehoopt na de beschikking van 19 januari 2026 verandering te zien in het gedrag van vader, maar dit wordt niet gezien. Dit maakt dat de ondertoezichtstelling onuitvoerbaar is. Nu de vader wederom niet meewerkt aan het inzetten van hulpverlening en weer continu controlerend gedrag laat zien, ziet de GI geen andere mogelijkheid meer dan [minderjarige] uit huis te plaatsen. Dit is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Alleen dan kan haar ontwikkelingsbedreiging worden weggenomen. De GI heeft om een brede machtiging verzocht. De bedoeling is [minderjarige] in een gezinshuis of pleeggezin te plaatsen en niet op een (crisis)groep. Dat laatste acht de GI niet in haar belang. Voor het geval het verzoek niet toewijsbaar is, verzoekt de GI het verzoek aan te houden zodat er een pressiemiddel is de vader te dwingen zijn medewerking te verlenen.
De vader betwist dat hij structureel niet meewerkt aan de hulpverlening en dat dit de voornaamste oorzaak is van de stagnatie. De GI heeft daar zelf een wezenlijke bijdrage aan geleverd. De vader heeft constructief gereageerd op de meest recente correspondentie van de GI. Hij is bereid mee te werken aan een constructief traject. Er heeft reeds een intakegesprek plaatsgevonden en de vader werkt mee aan het geadviseerde hulpverleningstraject. Volgens de vader heeft de GI hem bejegend als “haar hond en haar slaaf” en heeft zij hem medegedeeld dat hij “niets meer te willen had”. Een omgeving van intimidatie en machtsongelijkheid bemoeilijkt constructieve samenwerking. Uithuisplaatsing van [minderjarige] is niet noodzakelijk en niet in haar belang. Er is sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen de vader en de GI. Een minder vergaand middel dan een uithuisplaatsing zou vervanging van de GI zijn. De vader merkt verder op dat er van aanvang af in een dwingend kader is geopereerd. Er is nimmer geprobeerd hulpverlening in een vrijwillig kader op te starten. De vader heeft steeds verklaard bereid te zijn mee te werken aan hulpverlening voor de minderjarige, mits die hulpverlening passend is. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom geen minder ingrijpend alternatief mogelijk is. Een inbreuk op het familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, artikel 9 en Pro 18 IVRK is in deze situatie dan ook niet gerechtvaardigd. De vader is dan ook van mening dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen.
Aangezien er duidelijk sprake is van een verstoorde verhouding tussen de vader en de GI en er sprake is van een onzorgvuldige taakuitvoering van de GI is voortzetting van de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige] . Om die reden verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat de GI wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De vader beseft dat het van belang is nu hulpverlening in te zetten en daarom is hij bereid zijn zelfstandig verzoek in te trekken onder de voorwaarde dat de hulpverlening wordt voortgezet en aan het onderlinge vertrouwen en de samenwerking gewerkt wordt.
5.De beoordeling
Op grond van artikel 1:259 BW Pro kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft over de minderjarige op verzoek van (onder meer) een met het gezag belaste ouder vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
- [minderjarige] dient indien mogelijk onbelast en passend contact te mogen hebben met beide ouders;
In voornoemde beschikking heeft de kinderrechter voorts overwogen dat er geen zicht is op de belemmeringen die [minderjarige] voelt in het contact met de moeder en dat er ook geen zicht is op mogelijke trauma’s die zij heeft opgelopen door de jarenlange strijd die er is tussen de ouders.
Op 5 juni 2024 heeft er een intake plaatsgevonden bij Sterk Huis en 1 september 2024 is Intensieve Gezinsbehandeling (IGB) gestart met het contact met de vader. Besproken is dat IGB twee keer in de week langs zal komen. Vervolgens is het ondanks vele pogingen niet gelukt om contact met de vader te krijgen. Uiteindelijk heeft op 3 oktober 2024 een eerste kennismaking plaatsgevonden. Er is toen nogmaals benoemd dat er twee afspraken per week nodig zijn. Vervolgens werd bij het eerste huisbezoek de deur aanvankelijk niet open gedaan, maar is de afspraak met de vader uiteindelijk alsnog doorgegaan. Bij het tweede huisbezoek werd de deur opnieuw niet opengedaan en bleek -na meerdere pogingen tot contact met de vader- dat hij de afspraak vergeten was.
In februari 2025 heeft de vader drie volle weken met afspraken afgezegd wegens ziekte.
Op 27 maart 2025 heeft de vader [minderjarige] afgemeld wegens belangrijke lessen op school, terwijl alle afspraken met school waren besproken en school heeft aangegeven dat er geen belangrijke lessen waren. De afspraak van [minderjarige] hierna op 3 april 2025 is ook afgezegd door de vader.
In april 2025 stond een groot overleg met school, hulpverlening, de vader, de GI en leerplicht gepland. Vader heeft kort voor het overleg laten weten eerst alleen met school in gesprek te willen gaan. De afspraak van [minderjarige] is afgezegd wegens ziekte van [minderjarige] .
[persoon] merkt op dat het patroon van uitstel en beperkte medewerking door vader niet nieuw is en ook al in eerdere hulpverleningstrajecten naar voren is gekomen. Ook binnen [persoon] werd dit patroon nadrukkelijk zichtbaar.
Ook de kinderrechter is het niet gelukt om in gesprek met [minderjarige] te gaan. [minderjarige] heeft op de betreffende datum en tijdstip voor het kindgesprek in de rechtbank, in het bijzijn van haar vader en oma vaderszijde, een handgeschreven brief in een open envelop aan de kinderrechter overhandigd. Ondanks meerdere malen daartoe uitgenodigd te zijn door de kinderrechter, is zij niet in gesprek gegaan. Zij oogde zeer gespannen en antwoordde nauwelijks, de vader voerde het woord. Na overhandiging van de brief heeft de vader aan [minderjarige] gevraagd of zij nog iets over de brief en de zitting wilde vragen. Daarop antwoordde [minderjarige] dat zij de kinderrechter wilde vragen de brief niet voor te lezen tijdens de zitting maar wel kort te zeggen wat in de brief geschreven stond. De vader heeft daarop aangevuld dat hij had gelezen dat de inhoud van de brief anders niet gebruikt mag worden voor de beslissing.
6.De beslissing
10 augustus 2026;
in de zaak met nummer C/02/447621 / JE RK 26-734:
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.