ECLI:NL:RBZWB:2026:5202

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/440388 / JE RK 25-1759
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige met borging naar vrijwillig kader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds december 2023 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en de ouders wonen inmiddels in een woning met begeleiding vanuit het vrijwillig kader.

De GI constateert positieve ontwikkelingen, zoals actieve deelname van de moeder aan begeleiding en uitbreiding van omgang met de vader, maar acht verdere verlenging noodzakelijk vanwege resterende zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en de noodzaak van cultuursensitieve hulpverlening en relatietherapie. De ouders zijn het niet eens met verlenging; de moeder wil eerst relatietherapie, de vader ontkent problemen.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling nog niet kan worden beëindigd omdat een goede overdracht naar het vrijwillig kader nog niet is afgerond. De verlenging wordt beperkt tot drie maanden om de GI de gelegenheid te geven de hulpverlening over te dragen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt met drie maanden verlengd om de overdracht naar het vrijwillig kader mogelijk te maken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440388 / JE RK 25-1759
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2022 in 's- [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 19 november 2025, op schrift gesteld op 3 december 2025, en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI met bijlagen van 12 maart 2026, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
Op 29 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI (via MS Teams).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 5 december 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 19 november 2025 met ingang van 5 december 2025 tot 5 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
De moeder verbleef sinds september 2023 samen met [minderjarige] in een trainingssetting voor ouder en kind van [hulpverlening] in [plaats 1] . Sinds januari 2026 verblijven de moeder en [minderjarige] in een woning voor ouder en kind van [accommodatie] te [woonplaats 1] .

3.Het resterende verzoek

3.1.
Ter beoordeling ligt nog het resterende verzoek van de GI voor om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft aangegeven dat er positieve ontwikkelingen zijn, maar dat de ondertoezichtstelling nog niet kan worden afgesloten. De moeder en [minderjarige] zijn inmiddels verhuisd naar een woning van [accommodatie] in [plaats 2] . Zij ontvangen hier begeleiding vanuit de 2e schil, hetgeen inhoudt dat de moeder een eigen woning heeft en de begeleiding op vaste tijden per week op bezoek komt bij de moeder en [minderjarige] . De moeder staat open voor de contactmomenten en neemt actief deel aan de begeleiding/gezinsbehandeling. De moeder wil gaan toewerken naar hereniging met de vader en dit houdt samenwonen als gezin in. Zij is zich er van bewust dat hiervoor nog stappen gezet moeten worden en zij wil zich daarvoor inzetten. Vanuit [accommodatie] zal ingezet worden op opvoedondersteuning om moeder te leren om te gaan met het gedrag van [minderjarige] . Moeder staat daar voor open.
Vanuit de GI zijn afspraken gemaakt over de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De ouders houden zich goed aan de afspraken. Inmiddels is de omgang uitgebreid met één nacht slapen. Hier zijn geen zorgen uit naar voren gekomen. Voor verdere uitbreiding vindt de GI het van belang dat de ouders cultuursensitieve hulpverlening gaan accepteren en hieraan mee gaan werken. De oorzaak van de discussies/ruzies tussen de ouders in het verleden is gelegen in het feit dat zij geen overeenstemming kunnen bereiken over de verschillen in visie over opvoeding en rolverdeling. De vader houdt vast aan de traditionele rolverdeling en waarden en normen vanuit zijn cultuur en is daar vrij dominant in, terwijl de moeder daar moeilijk in mee kan gaan. De moeder wil meewerken aan een vorm van relatietherapie/ systeemtherapie, de vader is daar wisselend over. Verdere verlenging van de ondertoezichtstelling is nog noodzakelijk voor vormgeving van verdere hulpverlening met als einddoel overdracht naar het vrijwillig kader met een borgingsplan waarin afspraken staan waarop alle partijen terug kunnen vallen mocht dit nodig zijn.
4.2.
De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat en dat zij eerst de relatietherapie wil aangaan voordat zij weer met [minderjarige] bij de vader gaat wonen. De problemen tussen de ouders speelden vier jaar geleden, ze kenden elkaar net en moesten heel erg wennen. Inmiddels zijn er geen verschillen meer in de opvoeding en zitten de ouders op één lijn. De moeder is het niet eens met een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling. Via [accommodatie] is er ook begeleiding en hulpverlening en daar wordt aan meegewerkt.
4.3.
De vader is het ook niet eens met verdere verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft aangegeven dat de GI blijft zeggen dat hij een probleem heeft, maar dat dat niet waar is. Hij praat gewoon op zijn manier, maar dat wil niet zeggen dat hij boos is. Volgens de vader kent de GI hem niet, dus kan zij ook niet zeggen dat hij een probleem heeft en in therapie moet. Er is een misverstand geweest, maar in elke relatie bestaan misverstanden. De GI heeft het heel groot gemaakt. Het gaat goed tussen de ouders, aldus de vader.

5.De (nadere) beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Er bestaan nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij is rigide en druk en de moeder heeft moeilijk regie over [minderjarige] . De moeder werkt mee aan de hulpverlening en staat open voor therapie. De vader heeft gesprekken gehad met de praktijkondersteuner over zijn emotieregulatie. De vader zou wisselend zijn geweest over de therapie tegenover de GI, maar de praktijkondersteuner geeft aan dat de vader wel open staat voor hulpverlening.
Er zijn tijdens de ondertoezichtstelling van [minderjarige] positieve stappen vooruit gezet om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De ouders accepteren de hulpverlening die de GI heeft ingezet en de moeder staat open voor de ondersteuning vanuit [accommodatie] en kan daar ook bij afsluiting van de ondertoezichtstelling op terugvallen. Naar het oordeel van de kinderrechter is een gedwongen kader dan ook niet lang meer nodig. De kinderrechter vindt het op dit moment nog te vroeg om de ondertoezichtstelling af te sluiten, omdat eerst een goede overdracht naar het vrijwillig kader nodig is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom nog met drie maanden verlengen, teneinde de GI de gelegenheid te bieden om de hulpverlening over te dragen naar het vrijwillig kader, zodat deze door blijft lopen als de ondertoezichtstelling eindigt. Het resterende deel van het verzoek zal worden afgewezen.
5.4.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als daartegen beroep wordt ingesteld.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 juni 2026 tot
5 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.