Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- de in deze zaak gegeven beschikking van 19 november 2025, op schrift gesteld op 3 december 2025, en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI met bijlagen van 12 maart 2026, ontvangen op 13 maart 2026.
- de moeder;
- de vader;
2.De feiten
3.Het resterende verzoek
4.De standpunten
Vanuit de GI zijn afspraken gemaakt over de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De ouders houden zich goed aan de afspraken. Inmiddels is de omgang uitgebreid met één nacht slapen. Hier zijn geen zorgen uit naar voren gekomen. Voor verdere uitbreiding vindt de GI het van belang dat de ouders cultuursensitieve hulpverlening gaan accepteren en hieraan mee gaan werken. De oorzaak van de discussies/ruzies tussen de ouders in het verleden is gelegen in het feit dat zij geen overeenstemming kunnen bereiken over de verschillen in visie over opvoeding en rolverdeling. De vader houdt vast aan de traditionele rolverdeling en waarden en normen vanuit zijn cultuur en is daar vrij dominant in, terwijl de moeder daar moeilijk in mee kan gaan. De moeder wil meewerken aan een vorm van relatietherapie/ systeemtherapie, de vader is daar wisselend over. Verdere verlenging van de ondertoezichtstelling is nog noodzakelijk voor vormgeving van verdere hulpverlening met als einddoel overdracht naar het vrijwillig kader met een borgingsplan waarin afspraken staan waarop alle partijen terug kunnen vallen mocht dit nodig zijn.
5.De (nadere) beoordeling
Er zijn tijdens de ondertoezichtstelling van [minderjarige] positieve stappen vooruit gezet om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De ouders accepteren de hulpverlening die de GI heeft ingezet en de moeder staat open voor de ondersteuning vanuit [accommodatie] en kan daar ook bij afsluiting van de ondertoezichtstelling op terugvallen. Naar het oordeel van de kinderrechter is een gedwongen kader dan ook niet lang meer nodig. De kinderrechter vindt het op dit moment nog te vroeg om de ondertoezichtstelling af te sluiten, omdat eerst een goede overdracht naar het vrijwillig kader nodig is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom nog met drie maanden verlengen, teneinde de GI de gelegenheid te bieden om de hulpverlening over te dragen naar het vrijwillig kader, zodat deze door blijft lopen als de ondertoezichtstelling eindigt. Het resterende deel van het verzoek zal worden afgewezen.
6.De beslissing
5 september 2026;
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.