ECLI:NL:RBZWB:2026:5208

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/403848 / FA RK 22-5366
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking voorlopige omgangsregeling tussen ouders en minderjarige kinderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 mei 2026 een tussenbeschikking gegeven in een zaak betreffende de omgangsregeling tussen een man en zijn minderjarige kinderen. Eerder was op 11 juli 2025 een voorlopige regeling vastgesteld waarbij de man eenmaal per maand professioneel begeleide omgang en video-belcontact had met de kinderen.

Uit rapportages en brieven van partijen blijkt dat de omgang sinds oktober 2025 maandelijks op neutraal terrein plaatsvindt en goed verloopt. De man wenst de omgang substantieel uit te breiden, terwijl de vrouw vooralsnog een voortzetting van de voorlopige regeling prefereert om de belangen van de kinderen te waarborgen.

Partijen hebben vervolgens in overleg een nieuwe regeling getroffen waarbij de omgang wordt uitgebreid naar twee weekenden per maand met duidelijke afspraken over ophalen, terugbrengen en verblijfplaatsen. De rechtbank neemt deze regeling over zonder nadere mondelinge behandeling en houdt de zaak aan tot 1 oktober 2026, in afwachting van verdere berichtgeving over het contactverloop en de verdere afdoening van de zaak.

Uitkomst: De rechtbank wijst de door partijen overeengekomen uitbreiding van de voorlopige omgangsregeling toe en houdt de zaak aan tot 1 oktober 2026.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/403848 / FA RK 22-5366
13 mei 2026
nadere beschikking betreffende omgang
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.M.A. Leijser.

1.Het verdere procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak op 11 juli 2025 gegeven beschikking en alle daarin vermelde stukken;
- de brief van mr. Leijser van 24 februari 2026;
- de brief van mr. Van Wijk van 25 februari 2026;
- de brief van mr. Leijser van 30 april 2026;
- de brief van mr. Van Wijk van 30 april 2026.

2.De nadere beoordeling

2.1
In de beschikking van 11 juli 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij, op verzoek van beide partijen, zonder nadere mondelinge behandeling, het advies van de Raad ten aanzien van de omgangsregeling zal overnemen en de behandeling van de zaak zal aanhouden voor een periode van zes maanden, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop van het contact tussen de man en de minderjarigen en de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan. Vervolgens heeft de rechtbank, conform het advies van de Raad, bepaald dat de man en de minderjarigen [persoon 1] en [persoon 2] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van eenmaal per maand professioneel begeleide omgang in de regio [woonplaats 2] en eenmaal per maand video-belcontact, waarbij de verdere invulling van het contact geschiedt in samenspraak met de [hulpverlening 1] .
2.2
Uit de brieven van partijen van 24 en 25 februari 2026 en het door de man overgelegde verslag van 26 januari 2026 van [hulpverlening 2], blijkt dat er vanaf oktober 2025 maandelijks een omgangsmoment plaatsvindt tussen man en de minderjarigen gedurende één uur op neutraal terrein en dat deze contactmomenten goed verlopen. De man heeft aangegeven dat hij de contactmomenten graag (substantieel) wil uitbreiden en heeft om die reden verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling te plannen. De vrouw heeft aangegeven dat de voorlopige regeling nog langer moet worden voortgezet om vast te kunnen stellen welke regeling aansluit bij de belangen van de minderjarigen en de mogelijkheden van de man. Zij verzoekt om die reden de zaak aan te houden voor een periode van zes maanden.
2.3
Naar aanleiding van voormelde brieven van partijen heeft de rechtbank een datum en tijdstip voor een nieuwe mondelinge behandeling bepaald. Kort voor de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank bij brieven van 30 april 2026 bericht dat zij overleg hebben gevoerd en dat zij de volgende uitbreiding en wijziging van de huidige voorlopige regeling zijn overeengekomen:
- Eenmaal in het 1e weekend van de maand: vader haalt de kinderen op zaterdag om 10.00 uur bij moeder op en brengt ze om 19.00 uur terug. Vader zal deze dag doorbrengen in [woonplaats 2] . Vader gaat iets leuks doen met de kinderen en eet in de avond met ze.
- Eenmaal in het 3e weekend van de maand: moeder brengt de kinderen op zaterdag om 10.00 uur naar het station in [woonplaats 2] ( [station] ). Vader haalt daar de kinderen op en brengt verder de dag door in [woonplaats 1] . Vader brengt de kinderen om 19.00 uur terug naar [woonplaats 2] met de trein. Moeder haalt daar de kinderen op.
- Dan als deze 2 dagen goed zijn verlopen, dan zullen de kinderen gedurende een viertal maanden in het eerste en derde weekend van de maand van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij vader verblijven. Moeder brengt op zaterdag om 10.00 uur de kinderen naar het station in [woonplaats 2] ( [station] ) en vader brengt ze daar op zondag om 19.00 uur terug.
- Het staat de vader en de kinderen vrij om telefonisch contact met elkaar te hebben.
Partijen geven aan dat de mondelinge behandeling niet door hoeft te gaan. Verder verzoeken zij de rechtbank de onderlinge regeling op te nemen in een tussenbeschikking en om de behandeling van de zaak aan te houden voor een periode van vier maanden.
2.4
De rechtbank zal, conform het verzoek van partijen, zonder nadere mondelinge behandeling, bepalen dat de man en de minderjarigen voorlopig recht hebben op contact met elkaar volgens de onderlinge afspraken van partijen en de behandeling van de zaak aanhouden voor een periode van vier maanden, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop van het contact tussen de man en de minderjarigen en de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
bepaalt dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag] 2013,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op 7 september 20214,
voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar overeenkomstig de onderlinge afspraken tussen partijen zoals verwoord in rechtsoverweging 2.3 van deze beschikking;
3.2
houdt de behandeling van de zaak aan tot
1 oktober 2026 pro forma, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het verloop van het contact tussen de man en de minderjarigen en de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan;
3.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.