ECLI:NL:RBZWB:2026:5211

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/435684 / JE RK 25-933
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en vervanging gecertificeerde instelling in gezinszaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van vijf minderjarige kinderen en de vervanging van de gecertificeerde instelling (GI) die het toezicht uitvoert.

De kinderen zijn sinds juli 2024 onder toezicht gesteld van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. De ondertoezichtstelling is meerdere malen verlengd. De GI verzoekt verlenging voor een jaar, terwijl de ouders primair afwijzing van dit verzoek vragen en subsidiair de vervanging van de GI door Stichting Jeugdbescherming west Zeeland.

De GI baseert haar verzoek op ernstige zorgen over de veiligheid en het welzijn van de kinderen, met name door het gedrag van de moeder en de gezinssituatie. De ouders betwisten deze zorgen en wijzen op positieve ontwikkelingen en inzet van hulpverlening. De kinderen zelf geven aan dat het beter gaat, maar ervaren wel stress door de hulpverlening.

De kinderrechter constateert dat de visies van GI en ouders sterk uiteenlopen en dat de verstandhouding tussen hen ernstig verstoord is. Gezien de onduidelijkheid over de ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van een borgingsplan, wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor de periode van 18 mei tot 18 juli 2026. Tevens wordt de GI vervangen door Stichting Jeugdbescherming west Zeeland om een nieuwe start en betere samenwerking te bevorderen.

De bijzondere curator blijft voorlopig betrokken en wordt verzocht verslag uit te brengen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd en de gecertificeerde instelling vervangen vanwege een verstoorde verstandhouding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/435684 / JE RK 25-933
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Uitwerking verkorte beschikking van 13 mei 2026 betreffende verlenging ondertoezichtstelling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5], geboren op [geboortedag 5] 2022 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader], hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
mr. I.H.T.J. ANTHONISE-GIELING, advocaat te Goes,
in haar hoedanigheid als bijzondere curator over de voornoemde minderjarigen,
hierna te noemen de bijzondere curator.
Als informant is in de procedure betrokken:
- de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van deze rechtbank van 9 april 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het emailbericht van de GI d.d. 22 april 2026;
  • de brief van de GI d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;
  • het op 8 mei 2026 door mr. De Nooijer ingediende verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen;
  • de brief van mr. De Nooijer d.d. 11 mei 2026 met bijlagen.
1.2.
Op 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling
met gesloten deuren nader behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
- de bijzondere curator;
- een tweetal vertegenwoordigsters van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 13 mei 2026 een verkorte beschikking gegeven. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] wonen bij ouders.
2.3.
Bij beschikking van 18 juli 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juli 2024 en tot 18 januari 2025. Deze
maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 18 december 2025.
2.4.
Bij beschikking van 7 november 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 7 november 2024 en tot 21 november 2024.
2.5.
Bij beschikking van 18 november 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, verleend met ingang van 21 november 2024 en tot 21 december 2024. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 18 december 2025.
2.6.
Bij beschikking van 11 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd met ingang van 18 december 2025 en tot 18 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Tevens is bij diezelfde beschikking het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, afgewezen.
2.7.
Bij beschikking van 9 april 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd tot 18 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Ook is bij deze beschikking mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling, advocaat te Goes, benoemd tot bijzondere curator van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 18 mei 2026 en tot 18 juli 2026.
3.3.
De moeder verzoekt primair het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te vervangen door Stichting Jeugdbescherming west Zeeland en de hiertoe strekkende beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI benoemt dat door het delen van de informatie tijdens de vorige zitting het nog moeilijker is geworden om zicht te krijgen op de gezinssituatie. De zorgen die de GI nadien heeft ontvangen vanuit de hulpverlening en het netwerk versterken het beeld dat de ouders sindsdien hun handelwijze bewust aanpassen. De verklaringen die de GI in de afgelopen periode heeft verzameld geven een samenhangend en verdiepend zorgbeeld. [hulpverlening] concludeert dat de opvoedcapaciteiten onder druk staan door blijvende patronen bij de moeder van dwang, beperkte emotieregulatie en afhankelijkheid van de vader. De draagkracht van de moeder neemt af bij stress, drukte of onverwachte situaties. Zij verliest dan het overzicht en beschikbaarheid en sensitiviteit voor de kinderen. [hulpverlening] ziet een terugkerend patroon dat de moeder de onrust in huis koppelt aan de aanwezigheid van de hulpverlening. [hulpverlening] krijgt geen volledig beeld op het gezin, waardoor de risico’s en spanningsmomenten onvoldoende kunnen worden weggenomen. Daarnaast hebben de kinderen in gesprek met de GI ernstige zorgen geuit over de thuissituatie. Zij benoemen dat het fysieke geweld weliswaar is afgenomen, maar ook dat zij nog steeds de thuissituatie ervaren als onveilig, gespannen en belastend vanwege het dwangmatige, controlerend en fysiek grensoverschrijdende gedrag van de moeder. Tevens benoemen de kinderen verbaal geweld en psychische druk om naar derden vooral te vertellen dat het thuis goed gaat. Ook benoemen zij dat de ouders weten wanneer de hulpverlening komt en de moeder zich dan aangepast opstelt. Vanuit het netwerk heerst veel onbegrip over de thuiskomst van de moeder. In de buurt wordt gezien dat ouders sinds de vorige zitting hun gedrag bewust aanpassen. De rolluiken zijn gesloten en de kinderen zijn minder buiten. Tevens krijgen zij signalen van verbale agressie gedurende de nacht, in de vorm van schreeuwen en ruzies. Voorts heeft de GI vanuit school vernomen dat [minderjarige 3] sinds december 2025 in toenemende mate zorgelijk gedrag laat zien. Alle informatie meewegende concludeert de GI dat de kinderen nog steeds opgroeien in een gezinssysteem waarin sprake is van onvoldoende voorspelbaarheid, emotionele onveiligheid en spanning. De eerder geconstateerde patronen zijn niet doorbroken. De observaties vanuit [hulpverlening] tonen aan dat de moeder bij spanning moeite heeft met haar emotieregulatie en dwangmatige patronen kent. De signalen van school en de kinderen tonen aan dat deze dynamiek doorwerkt in het gedrag en welzijn van de kinderen. De GI vindt daarom dat verlenging van de ondertoezichtstelling voor de resterende duur van het verzoek noodzakelijk is. Zonder gedwongen kader ontbreekt het zicht en de mogelijkheid om grenzen te stellen wanneer de belangen van de kinderen in het geding zijn. De GI maakt zich ernstige zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van alle gezinsleden. Het blijft de vraag of de huidige gezinsopstelling verenigbaar is met het veilig en gezond opgroeien van de kinderen. De GI adviseert de moeder dringend om hulp voor zichzelf aan te gaan. Zolang de moeder dit niet doet, kan de GI de veiligheid van de kinderen niet borgen. De doelen in het plan van aanpak zijn inmiddels aangescherpt. Deze doelen zien vooral op individuele hulpverlening voor beide ouders, systeemtherapie, onverwachtse huisbezoeken en frequentie van de evaluaties. Zojuist is bekend geworden dat De Gezinsmanager begin juni kan gaan starten met de systeemtherapie. Deze vorm van therapie zal voornamelijk zien op ouders en minder op de kinderen. Over het verzoek van de moeder om de GI te vervangen laat de GI zich niet uit. Het is aan de kinderrechter om hierover te beslissen.
4.2.
Namens de ouders stelt mr. De Nooijer dat de ondertoezichtstelling al vanaf het begin tumultueus is verlopen. De GI heeft de moeder maandenlang verboden om thuis te wonen. Zij heeft de kinderen langer dan een jaar alleen onder begeleiding in haar eigen huis mogen zien. De moeder woont sinds december 2025 weer thuis, na een beslissing van de kinderrechter. Tijdens de vorige zitting heeft de GI na een schorsing nieuwe informatie gedeeld, waaruit door de GI geconcludeerd werd dat de situatie zeer zorgelijk was. Terwijl de ouders voorafgaand aan deze zitting door de positieve signalen die zij kregen vanuit [hulpverlening] in de veronderstelling waren dat het goed ging binnen het gezin. Op het verzoek van ouders om nadere informatie over de zorgmeldingen hebben ouders geen reactie vanuit de GI ontvangen. De ouders ervaren al langere tijd dat de GI enerzijds van hen volledige openheid en transparantie verlangt, terwijl anderzijds richting ouders juist een beperkt zicht wordt gegeven. In plaats van het gesprek aan te gaan lijkt de GI actief het netwerk, de omgeving en de betrokken hulpverlening te benaderen om vooral negatieve informatie te verzamelen. Dat de GI buitenom de ouders een beraad heeft georganiseerd met familie en buren bevestigt deze stelling en versterkt het wantrouwen van ouders jegens de GI. De GI heeft hen zelfs aangespoord om voor de kinderrechter zoveel mogelijk concrete zorgen en voorbeelden te delen. Dit getuigt naar de mening van ouders van onvoldoende professionele distantie. Daarbij is opvallend dat informatie vanuit familieleden die nauw betrokken zijn bij het gezin ontbreekt in dit geheel en er een zeer eenzijdig (negatief) beeld wordt geschetst op basis waarvan de GI het noodzakelijk acht om het toezicht op het gezin aanzienlijk te intensiveren. Daarnaast wordt ouders verweten dat de inzet van De Gezinsmanager onvoldoende van de grond is gekomen, terwijl de aanvraag bij de gemeente stil leek te liggen in afwachting van informatie vanuit de GI. Daarnaast concludeert de GI steeds dat er bij moeder sprake is van problematiek, terwijl haar behandeling en begeleiding via FZZ is afgerond omdat een diagnose niet kon worden vastgesteld. De GI lijkt zich hier niet bij neer te kunnen leggen. Ouders kunnen alle door de GI in haar brief van 4 mei jl. aangevoerde stellingen weerleggen en zijn het absoluut niet eens met de conclusie die de GI trekt uit deze informatie. Kort samengevat benoemen zij dat de klassensamenstelling van [minderjarige 3] begin 2026 is gewijzigd, waardoor de groepsdynamiek is veranderd en [minderjarige 3] zich zichtbaar beter voelt. De conclusies die de GI vervolgens trekt uit de verklaringen van de kinderen zijn onvoldoende concreet en onderbouwd. Ook betwisten de ouders dat er sprake is van nachtelijke ruzies of een verstoord dag-/nachtritme dan wel dat de kinderen zich steeds meer zouden terugtrekken. [hulpverlening] spreekt over een zichtbare ontwikkeling, wel met een aantal aandachtspunten. Ouders erkennen deze punten en om daaraan te werken wordt juist De Gezinsmanager ingezet. Voorts merken ouders op dat de door de GI geformuleerde zorgen grotendeels lijken te zijn gebaseerd op aannames. De werkwijze van de GI is voor niemand helpend, nu het de verhoudingen tussen
ouders en bepaalde familieleden wederom op scherp zet. Ouders vinden het zorgelijk dat de GI in toenemende mate lijkt te steunen op indirecte signalen en subjectieve netwerkverklaringen. Ook lijkt de GI veel gewicht toe te kennen aan de stelling dat het rustiger zou zijn geweest tijdens de afwezigheid van moeder en lijkt de GI aan te sturen op een nieuwe uithuisplaatsing van moeder. De ondertoezichtstelling brengt veel onrust en stress voor het gezin. Volgens ouders is niet gebleken dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die een langere ondertoezichtstelling rechtvaardigt. De ouders stellen zich primair op het standpunt dat het resterende deel van het verzoek dat ziet op verlenging van de ondertoezichtstelling moet worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de wettelijke gronden hiervoor. Daarbij is van belang dat ouders zich reeds langdurig openstellen voor intensieve hulpverlening en begeleiding. Door de GI is onvoldoende onderbouwd waarom voortzetting van deze begeleiding alleen vanuit een gedwongen kader mogelijk is. Ouders staan achter de inzet van systeemtherapie en zullen zich hier actief voor inzetten, ook vanuit een vrijwillig kader. Voor het geval de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk vindt, is het aangewezen dat de uitvoering van deze maatregel overgedragen wordt naar een andere GI. De verhouding tussen de ouders en de GI is zodanig verstoord dat er geen sprake meer is van een werkbare samenwerking.
4.3.
[minderjarige 1] heeft in een afzonderlijk gesprek de kinderrechter verteld dat het beter gaat thuis, omdat er niet echt meer geweld en minder (heftige) ruzie plaatsvindt tussen de ouders. Wel merkt [minderjarige 1] dat mama snel gestrest en onrustig kan zijn. Zij merkt dat dat komt door de hulpverlening die onverwachts langs komt en alle rechtszaken. Volgens [minderjarige 1] is mama bang om iets fout te doen. [minderjarige 1] vindt het op zich fijn dat mama weer thuis woont. Toen mama niet thuis woonde, moest zij weg als mama naar huis wilde komen. [minderjarige 1] benoemt dat zij druk is met haar eigen dingen en zelf niet veel thuis is en anders op haar kamer zit. [minderjarige 1] vindt het erg lastig dat [hulpverlening] onverwachts langs komt en zij aan het douchen of omkleden is. [minderjarige 1] vindt het prettig om met de psycholoog en de bijzondere curator te praten. Zij vindt het niet fijn dat zij haar eigen afspraken moet afzeggen voor de gesprekken die er zijn. Het is veel. [minderjarige 1] weet niet goed wat de ondertoezichtstelling inhoudt en kan dus geen antwoord geven op de vraag van de kinderrechter of zij vindt dat de jeugdbeschermer langer moet blijven.
4.4.
[minderjarige 2] heeft de kinderrechter verteld dat zij blij is dat mama weer thuis is. Zij vindt het niet meer nodig dat [hulpverlening] langskomt. Het gaat namelijk beter tussen papa en mama. Het is nog niet perfect, maar dat is nergens zo. [minderjarige 2] betwijfelt of de hulpverlening meer kan zien als zij onverwachts langskomen. Mama doet dan niet anders. [minderjarige 2] vindt het logisch dat mama zich bekeken voelt. De geluiden die de buren horen zijn normaal en horen bij een groot gezin. Het zijn leefgeluiden. [minderjarige 2] vindt het jammer dat alleen naar de negatieve dingen wordt gekeken en niet naar de positieve. Zij zou het fijn vinden als de ondertoezichtstelling stopt en dat zij zelf verder gaan met systeemtherapie. [minderjarige 2] wil niet dat de jeugdbeschermers nog alles kunnen bepalen. Tot slot benoemt [minderjarige 2] dat zij graag met het gehele gezin op vakantie wil gaan.
4.5.
[minderjarige 3] heeft de kinderrechter verteld dat het goed met hem gaat. Op school zijn de groepjes gewisseld, waardoor hij zich nu beter kan concentreren en in de klas zit bij zijn vriend. [minderjarige 3] vindt het leuk dat mama weer thuis woont en om weer leuke dingen met haar te kunnen doen. Hij weet niet goed wat er nog moet verbeteren. [minderjarige 3] vindt het niet leuk dat er mensen thuis komen kijken. Hij wordt dan gestoord in de dingen die hij op dat moment aan het doen is. [minderjarige 3] wil graag dat de ondertoezichtstelling stopt.
4.6.
De bijzondere curator heeft in de afgelopen weken leuke gesprekken gevoerd met de kinderen. Ook heeft zij met de ouders, de GI en het netwerk gesproken. Het beeld dat in de stukken wordt geschetst, in die zin dat er twee kampen zijn ontstaan, is de bijzondere curator ook gebleken. De kinderen geven aan dat het thuis beter gaat. De ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening geven in de thuissituatie veel spanning. De bijzondere curator heeft zelf moeten constateren dat het bij de ouders stress en zelfs ook paniek oproept. De bijzondere curator kan niet beoordelen of het uit loyaliteit aan de ouders is wat de kinderen aangeven of dat de thuissituatie daadwerkelijk is verbeterd. De kinderen geven aan dat zij rust willen, omdat de huidige situatie hen veel stress geeft.
4.7.
De zittingsvertegenwoordigster van de beoogde GI laat weten dat als de kinderrechter de zaak zal overdragen er voorlopig geen vaste jeugdbeschermer benoemd kan worden. In eerste instantie zal het instroomteam alleen beoordelen of de acute veiligheid van de kinderen voldoende is geborgd. Ingezette of reeds aangevraagde hulpverlening, zoals bijvoorbeeld van De Gezinsmanager, kan wel doorgang vinden. Een warme overdracht zal lastig worden, gezien de zeer korte tijd van de huidige ondertoezichtstelling. Het is daardoor voor de GI niet mogelijk om de regie te gaan voeren die nodig is.

5.De verdere beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter verwijst naar haar laatste in deze procedure gegeven beschikking van 9 april 2026. De kinderrechter heeft zich destijds genoodzaakt gezien om de ondertoezichtstelling opnieuw voor een korte duur te verlengen, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Aanleiding hiervoor was dat de GI tijdens de zitting - na overleg met de gedragswetenschapper - heeft besloten om informatie van de kinderen (die zij eerst niet wilde delen) toch te delen. Van deze informatie waren ouders zichtbaar geschrokken en overrompeld. Op basis van de overgelegde stukken en toelichting ter zitting stelde de kinderrechter vast dat de zorgen over de kinderen en hun huidige opvoedsituatie niet waren weggenomen en dat de visies van ouders en de GI wederom tegenstrijdig zijn. Naar het oordeel van de kinderrechter werd daarom voldaan aan de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Gelet op de ontwikkelingen ter zitting is de ondertoezichtstelling voor de duur van een maand verlengd onder aanhouding van het restantverzoek met als doel dat de GI in de tussentijd een reactie kon geven aan ouders ten aanzien van hun vragen omtrent de anonieme meldingen die zijn gedaan en om de genoemde zorgen nader te onderbouwen. De ouders kregen daarmee ook de gelegenheid om de verkregen informatie te bespreken met hun advocaat en tijdens een nadere zitting hierop te reageren.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat na de vorige zitting door zowel de GI als namens de ouders uitgebreid is gereageerd en dat de visies die in de stukken naar voren zijn gebracht en de informatie die is gedeeld behoorlijk uiteenlopen en op punten zelfs tegenstrijdig zijn. De GI heeft aanzienlijke zorgen over het functioneren van het gezinssysteem, in het bijzonder die van de moeder en het effect daarvan op de kinderen. Volgens de GI zijn er anonieme meldingen gedaan en zorgen geuit door derden en de kinderen. De GI heeft zich in de afgelopen periode ingespannen om meer zicht hierop te krijgen. Zo is de begeleiding vanuit [hulpverlening] geïntensiveerd middels onverwachte huisbezoeken en heeft de GI informatie opgevraagd bij enkele familieleden, buren en de hulpverlening. Op basis van de verkregen informatie concludeert de GI dat sinds de thuiskomst van de moeder de positieve ontwikkeling en rust in huis is gekeerd en er wederom ernstige zorgen zijn over de veiligheid en het welzijn van de kinderen. Zo zou er sprake zijn van nachtelijke onrust en ruzies, fysiek grensoverschrijdend dwangmatig gedrag van de moeder en zou het gezin zich steeds meer terugtrekken. Daarnaast bestaat het vermoeden dat de ouders bewust gedrag inzetten naar de hulpverlening. [hulpverlening] benoemt dat moeder onvoldoende in staat blijft tot zelfstandige emotieregulatie bij spanning of onverwachte situaties. Volgens de GI kent moeder persoonlijke problematiek en gaat zij hiervoor geen hulpverlening aan. Al deze zorgen worden stellig door de ouders betwist. Volgens hen baseert de GI de zorgen op aannames en niet op feiten en is de GI actief bij derden op zoek gegaan naar (negatieve) informatie die haar zorgen kunnen bevestigen. De kinderrechter merkt in dit kader op dat ouders terecht aangeven dat de personen die het meest dichtbij ouders staan door de GI hierin niet zijn betrokken. Daarnaast geeft de GI aan dat het niet goed gaat met de kinderen en dat zij uitingen doen van onrust en spanningen in huis als gevolg van de emotieregulatie en dwangmatige patronen van de moeder. Tijdens de afzonderlijke gesprekken hebben [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] afzonderlijk van elkaar de kinderrechter niet de indruk gegeven dat het niet goed met hen gaat. Zij hebben aangegeven dat zij het fijn vinden dat mama weer thuis is en dat het goed (met hen) gaat, al ondervinden zij wel veel last van de onverwachtse huisbezoeken vanuit [hulpverlening] . De moeder is wel wat gespannen, maar dat komt door de rechtszaak en onverwachte bezoeken. Zij hebben geen signalen gegeven waar uit de ernst van de gestelde zorgen op dit moment kunnen worden bevestigd. Dit alles maakt naar het oordeel van de kinderrechter dat de informatie die op dit moment voorhanden is en op basis waarvan zij moet beslissen haaks op elkaar staat en dat dus niet duidelijk is of de ontwikkelingsbedreigingen voldoende zijn weggenomen [1] . Daarbij is er geen borgingsplan voor het afschalen naar het vrijwillig kader. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling van kracht blijft en dat het resterende deel van het verzoek van de GI wordt toegewezen.
Vervanging gecertificeerde instelling
5.3.
Artikel 1:259 van Pro het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, kan vervangen door een andere gecertificeerde instelling, wanneer de verhoudingen tussen de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert en de betrokkenen dermate slecht zijn dat het belang van het kind dit vereist.
5.4.
De kinderrechter moet helaas vaststellen dat de verstandhouding tussen de GI en de ouders al maanden erg moeizaam verloopt en dat deze door alle recente ontwikkelingen inmiddels ernstig verstoord is geraakt. De bijzondere curator spreekt zelfs over twee kampen. In de afgelopen maanden heeft de kinderrechter zich genoodzaakt gezien om zich actief te bemoeien met de uitvoering en invulling van de ondertoezichtstelling door de ontwikkelingen nauwlettend op te volgen en met grote regelmaat een toetsmoment ter zitting te hebben. Met de huidige ontwikkelingen, de tegenstijdige visies en het grote wantrouwen dat bij ouders is ontstaan jegens de GI (en mogelijk omgekeerd ook bij de GI jegens in ieder geval de moeder) ligt het niet in de lijn der verwachting dat binnen de huidige verstandhouding tussen de GI en de ouders op korte termijn een doorbraak in de impasse kan worden bereikt en lijkt het overdragen van de ondertoezichtstelling de beste weg om verder te gaan, hoe ingrijpend ook. Dat de beoogde GI vooralsnog geen vaste jeugdbeschermer kan benoemen om de regie op te pakken weegt naar het oordeel van de kinderrechter niet op tegen het voordeel van een overdracht. Het doel is namelijk om een nieuwe start te maken om zodoende tussen de ouders en de beoogde GI een positieve samenwerking te bereiken, zodat aan de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt kan worden en ouders op termijn de verzorging en opvoeding weer samen kunnen gaan oppakken. De kinderrechter zal het hiertoe strekkende verzoek van de ouders daarom toewijzen. Zij wil benadrukken dat de professionaliteit en kundigheid van de huidige betrokken jeugdbeschermers losstaat van dit besluit. Hun inzet en betrokkenheid worden gezien. Dit besluit wordt genomen enkel op basis van voornoemde verstoorde verstandhouding. De kinderrechter verwacht dat de huidige jeugdbeschermers zoveel als mogelijk zorgdragen voor een warme overdracht. Zoals door de beoogde GI ter zitting is toegezegd kan de hulpverlening vanuit [hulpverlening] als ook de systeemtherapie bij De Gezinsmanager ook na een overdracht ingezet dan wel gecontinueerd worden. Met name de inzet van systeemtherapie behoeft prioriteit. Ten aanzien van [hulpverlening] lijkt het de kinderrechter wenselijk als toegewerkt wordt naar opnieuw geplande bezoeken, gezien de signalen die de minderjarigen afgeven over hun ervaringen met de onverwachte bezoeken.
Bijzondere curator
5.5
De kinderrechter acht in het belang van de kinderen dat de bijzondere curator voorlopig nog betrokken blijft en zal daarom haar taak nog niet als beëindigd beschouwen. In de vorige beschikking is de bijzondere curator de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de omstandigheden en de behoeften van de kinderen en om daarover haar bevindingen kenbaar te maken en een advies uit te brengen. De bijzondere curator wordt verzocht om binnen de onderhavige procedure haar verslag van bevindingen
uiterlijk 23 juni 2026te overleggen aan de kinderrechter en in afschrift aan de nieuwe GI. Aan de hand van deze informatie zal bezien worden of de kinderen nog langer belang hebben bij de betrokkenheid van de bijzondere curator of dat haar taak kan worden beëindigd.
Beide verzoeken
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] met
ingang van 18 mei 2026 en tot 18 juli 2026;
6.2.
vervangt de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming &
Reclassering door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
verzoekt de bijzondere curator
uiterlijk 23 juni 2026 PRO FORMAaan de kinderrechter - en in afschrift aan de nieuwe GI - verslag te doen van haar bevindingen zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.5.
Deze beslissing is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.