Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5240

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/3369
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:17 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen parkeerbelasting naheffingsaanslag

De heffingsambtenaar van de gemeente Sluis legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat op 21 augustus 2023 onvoldoende parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende en zijn gemachtigde dienden bezwaar in tegen deze aanslag. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar op 24 oktober 2023 ongegrond en handhaafde de aanslag.

Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar niet tijdig had beslist op het bezwaar en startte een beroep bij de rechtbank. De rechtbank stelde vast dat de uitspraak op bezwaar tijdig was gedaan en aan belanghebbende was toegezonden, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Tevens stelde belanghebbende dat de uitspraak niet aan zijn gemachtigde was toegezonden, wat volgens hem een schending van artikel 6:17 Awb Pro opleverde, maar de rechtbank vond onvoldoende aanleiding om proceskosten toe te kennen.

De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, wees het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De naheffingsaanslag en de beschikking blijven daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3369

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach verbonden aan Verkeersboete.nl),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sluis, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft aan de belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met [aanslagnummer] voor de auto met kenteken 1RLA006 (de naheffingsaanslag).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 24 oktober 2023 het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. De heffingsambtenaar heeft zich afgemeld voor de zitting. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn zonder kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.
1.3.
Belanghebbende is via het systeem Digitale Toegang onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder aanwezigheid van belanghebbende.

Feiten

2. De auto met kenteken 1RLA006 stond op 21 augustus 2023 geparkeerd aan de Gerrit van Hoekestraat in Retranchement. Deze plaats is door de gemeente aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
2.1.
Tijdens een controle door een verbalisant op diezelfde dag omstreeks 12:28 uur is geconstateerd dat onvoldoende parkeerbelasting is voldaan. Naar aanleiding van de controle heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.2.
Op 21 september 2023 is door belanghebbende bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag.
2.3.
Vervolgens heeft gemachtigde namens belanghebbende op 25 september 2023 bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag.
2.4.
Op 24 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan en aan belanghebbende toegezonden.
2.5.
Tot het dossier behoort een e-mail van belanghebbende gericht aan de gemeente van 25 oktober 2023 waarin staat, voor zover relevant: “
Wij maken ernstig bezwaar tegen het besluit de naheffingsbelasting niet terug te betalen immers jullie besluit is blijkbaar gebaseerd (…) graag aanpassing van uw standpunt zodat we niet in beroep dienen te gaan bij de rechtbank (…)
2.6.
Op 5 januari 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de heffingsambtenaar een ingebrekestelling verstuurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 17 april 2024.

Beoordeling door de rechtbank

3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende dat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag en of er strijdigheid bestaat met artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij doet dat aan de hand van de gronden die belanghebbende in beroep heeft aangevoerd.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is en dat geen proceskostenvergoeding verschuldigd is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Niet tijdig beslissen
3.2.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
3.3.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar op 24 oktober 2023 is gedaan en aan belanghebbende is toegezonden. Belanghebbende heeft op 25 oktober 2023 per mail aan de heffingsambtenaar gereageerd op de uitspraak op bezwaar, zodat niet in geschil is dat de uitspraak op bezwaar tijdig door belanghebbende is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft de beslistermijn niet overschreden en is daarom geen dwangsom aan belanghebbende verschuldigd. Het beroep, voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaar, is daarom niet-ontvankelijk.
3.4.
Nu de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan, heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [2]
Schending artikel 6:17 Awb Pro
3.5.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2023 enkel aan belanghebbende heeft toegezonden en niet ook aan de gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende concludeert daarom dat het beroep niet onredelijk is ingediend en dat de heffingsambtenaar de proceskosten aan hem moet vergoeden. De heffingsambtenaar heeft niet inhoudelijk gereageerd op dit standpunt.
3.6.
Ook als mogelijkerwijs de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze bekend is gemaakt doordat deze enkel naar belanghebbende is toegezonden en niet ook naar de gemachtigde, ziet de rechtbank gelet op de specifieke feiten en omstandigheden onvoldoende reden om te oordelen dat de wederpartij van belanghebbende veroordeeld dient te worden tot het vergoeden van proceskosten dan wel teruggave van geheven griffierecht.
3.7.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ook als de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze tevens aan de gemachtigde is toegezonden, maakt dat gelet op de specifieke feiten en omstandigheden in dit geval het oordeel niet anders. Belanghebbende wist namelijk zelf overduidelijk dat er uitspraak op bezwaar was gedaan en heeft die bovendien in goede orde ontvangen (zie 2.5). Dan zou namelijk ofwel belanghebbende opdracht hebben gegeven aan zijn gemachtigde om de ingebrekestelling te sturen en dan feitelijk de gemachtigde dus onjuist geïnformeerd hebben dat er nog geen uitspraak op bezwaar was, dan wel wendt de (gesteld) gemachtigde zonder overleg met belanghebbende rechtsmiddelen aan namens die belanghebbende. In beide gevallen betreft het naar het oordeel van de rechtbank zodanige feiten en omstandigheden dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de verzochte vergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de beschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).