Op 5 oktober 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vernielen van meerdere ruiten, het beledigen van politieagenten en het dragen van een zelf gefabriceerd mes tijdens een druk sportevenement in Breda. Verdachte werd aangehouden na een korte zoektocht. De rechtbank sprak verdachte vrij van het voorbereiden van samenspanning tot moord dan wel doodslag met terroristisch oogmerk wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank hield rekening met een trajectconsult waaruit bleek dat verdachte leed aan diverse psychische stoornissen, waaronder een schizofreniespectrumstoornis en een posttraumatische stressstoornis, die zijn gedragingen beïnvloedden. Hierdoor werd de verwijtbaarheid verminderd geacht. De rechtbank legde een gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest van tien dagen en een geldboete van 300 euro, te vervangen door drie dagen hechtenis bij niet-betaling.
Daarnaast werd een zorgmachtiging voor zes maanden verleend, gericht op behandeling van verdachte. De rechtbank achtte de eis van de officier van justitie voor een voorwaardelijke straf niet passend gezien de psychische gesteldheid en de ernst van de feiten. De benadeelde partij, Politie Breda, kreeg een schadevergoeding van €707,06 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 december 2025.
De strafoplegging hield rekening met het recidiverisico en het advies van de reclassering, waarbij een taakstraf niet haalbaar werd geacht. De rechtbank benadrukte de impact van het zichtbaar dragen van het mes tijdens het drukke evenement en de belediging van politieagenten, maar vond toepassing van artikel 9a Sr te ver gaan gezien de ernst van de feiten.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 29 januari 2026.