Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5251

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
02-169570-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor belaging, bedreiging en vernieling ex-partner

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van belaging, bedreiging van zijn ex-partner en vernieling van een telefoon van de Nationale Politie.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte in de periode van oktober 2024 tot mei 2025 zijn ex-partner stelselmatig belaagde en bedreigde, waarbij sprake was van eendaadse samenloop van belaging en bedreiging. De bedreiging met de woorden “ik knal je kankerkop eraf” kon niet wettig worden bewezen, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken. Ook werd bewezen verklaard dat verdachte in juni 2025 een politie-telefoon vernielde.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten en het reclasseringsrapport dat een hoog recidiverisico signaleerde. De opgelegde straf bestaat uit 70 dagen gevangenisstraf waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 180 uur, en een contact- en locatieverbod voor drie jaar. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partijen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 70 dagen gevangenisstraf waarvan 60 voorwaardelijk, een taakstraf en contact- en locatieverbod wegens belaging, bedreiging en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-169570-25
vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1988 te [geboorteplaats]
wonende aan de [woonplaats]
raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 1 oktober 2024 tot en met mei 2025 [slachtoffer] heeft belaagd;
feit 2: in de periode van 1 september 2024 tot en met 2 maart 2025 die [slachtoffer] heeft bedreigd;
feit 3: op 10 juni 2025 een telefoon van de Nationale politie heeft vernield.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 is sprake van eendaadse samenloop.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de gehele in feit 1 genoemde ten laste gelegde periode. De verdediging verzoekt verdachte partieel vrij te spreken voor de maanden april 2025 en mei 2025. Daarnaast is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de in feit 2 genoemde bedreiging met “ik knal je kanker kop er af” en de bedreiging met verkrachting, gijzeling of feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De verdediging verzoekt verdachte ook hiervan partieel vrij te spreken. De verdediging is met de officier van justitie van mening dat sprake is van samenloop van de feiten 1 en 2. De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3 aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte in de gehele ten laste gelegde periode [slachtoffer] heeft belaagd. Dat de frequentie van de berichtjes en benaderingen via de telefoon en/of facetime na het stopgesprek met de politie op 26 maart 2025 in april 2025 en mei 2025 afnamen en met name over hun gezamenlijke zoon gingen, maken dit niet anders. Verdachte had na het stopgesprek namelijk geheel moeten stoppen met contact opnemen met [slachtoffer] . Verdachte is toen door de politie medegedeeld dat hij op geen enkele wijze contact met haar mocht opnemen, maar dat hij deze contacten via hun advocaten moest laten lopen. Door na dit stopgesprek toch door te gaan met contact opnemen met [slachtoffer] , bleef hij ook in de maanden daarna wederrechtelijk inbreuk maken op haar persoonlijke levenssfeer en haar vrees aanjagen.
Feit 2
De rechtbank gaat wel mee met het betoog van de verdediging dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met de woorden “ik knal je kankerkop eraf”. Met alleen de aangifte van [slachtoffer] is hiervoor immers onvoldoende wettig bewijs voorhanden. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Daarnaast kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met:
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstond, en/of
- verkrachting, en/of
- feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of
- gijzeling.
Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.
Dit geldt eveneens voor het onderdeel “er wordt een foto gestuurd van verdachte met een masker, tactisch vest en handboeien met de tekst: vanacht kom ik je halen”. In de tenlastelegging staat immers dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd door haar dreigend de daarna volgende woorden toe te voegen. Het sturen van genoemde foto is echter geen woordelijke bedreiging.
Conclusie feiten 1 en 2
Gelet op de bewijsmiddelen als genoemd in bijlage II acht de rechtbank de in feit 1 ten laste gelegde belaging en de in feit 2 ten laste gelegde bedreiging, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen. Hierbij is sprake van eendaadse samenloop van beide feiten.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 1 oktober 2024 tot en met mei 2025 in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig berichten toe te sturen (via onder andere whatsapp en sms) en
- die [slachtoffer] veelvuldig telefonisch te benaderen en
- die [slachtoffer] veelvuldig via facetime te benaderen,
met het oogmerk die [slachtoffer] vrees aan te jagen;
2.
in de periode van omstreeks 1 september 2024 tot en met 2 maart 2025 in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling en/of
- brandstichting,
door die voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen, zakelijk weergeven:
dat haar kop total loss geslagen wordt, net als die van haar familieleden en
dat zij afgefikt wordt met de grond, een Molof cocktail en
dat zij in stukken wordt gesneden en
dat zij eraan gaat en
dat alles wordt opgeblazen, met haar vader en moeder erbij en
dat hij het dit keer gelijk goed doen. Ze gaat de kist in en
dat door midden van een vuurwapen, mogelijk Kalasjnikov iedereen mee het graf in genomen wordt en
dat zij allebei gaan slapen en
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
op 10 juni 2025 te Zwolle, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon die aan de Nationale Politie, toebehoorde heeft vernield.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen als vrijheidsbenemende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de gemeente Breda, beide voor de duur van 3 jaar, waarbij voor iedere keer dat niet aan deze maatregelen wordt voldaan, vervangende hechtenis wordt toegepast van 1 week met een maximum van 6 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbenemende maatregelen gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij de bepaling van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte een aantal dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en zich, na de schorsing hiervan, al een jaar aan bijzondere voorwaarden heeft moeten houden, waaronder het dragen van een enkelband. Nu het stopgesprek op 26 maart 2025 effect heeft gehad, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook niet noodzakelijk om herhaling te voorkomen. Daarbij zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een zeer ontwrichtend effect hebben op het leven van verdachte. De verdediging verzoekt dan ook om te volstaan met een taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met aftrek van dit voorarrest, zoals de rechtbank doorgaans in soortgelijke gevallen oplegt. De verdediging kan instemmen met het door de officier van justitie gevorderde contact- en locatieverbod, behoudens voor wat betreft het gebied van het locatieverbod. De verdediging vindt een locatieverbod voor de gehele gemeente Breda veel te ruim, nu dit ook een deel van de snelwegen rondom [plaats 1] bevat. De verdediging vindt een locatieverbod dat zich beperkt tot de stad [plaats 1] of tot de woning van [slachtoffer] met een straal van 2 kilometer daaromheen meer passend.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreigingen van zijn ex-vriendin [slachtoffer] , tevens moeder van zijn zoon. Hij deed dit door haar gedurende een periode van meer dan een half jaar veelvuldig dreigende berichten te sturen en veelvuldig telefonisch en via facetime te benaderen. Na de aanhouding voor deze feiten heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een telefoon van de politie.
Uit de verklaringen van [slachtoffer] en in het bijzonder het namens haar uitgeoefende spreekrecht op de zitting blijkt dat zij door het gedrag van verdachte ernstig in haar persoonlijke levenssfeer is aangetast. Het gedrag van verdachte heeft bij haar voortdurend gevoelens van angst, onveiligheid en spanningen veroorzaakt. [slachtoffer] was daarbij niet alleen bang voor zichzelf maar ook voor wat er met hun pasgeboren zoon zou gebeuren als de bedreigingen werkelijkheid zouden worden. Het gedrag van verdachte heeft grote impact op [slachtoffer] gehad en heeft dit nog steeds. Niet alleen op haar als vrouw maar ook op haar als moeder. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte dient zich te realiseren dat dit gedrag eerder aan het door hem gewenste contactherstel met zijn zoon in de weg zal staan dan dat het hieraan zal bijdragen.
De persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder in maart 2022 voor mishandeling en bedreiging van een andere ex-vriendin van hem, mede waarvoor hij een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd heeft gekregen. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan en zich grensoverschrijdend te gedragen tegenover een ex-partner. De rechtbank acht de kans op herhaling dan ook aanzienlijk. Verder blijkt uit het strafblad dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank weegt dit mee bij de strafbepaling.
Ook houdt de rechtbank hierbij rekening met het rapport van de reclassering van 18 mei 2026 dat over verdachte is opgemaakt. De reclassering heeft hierin aangegeven dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon aangaande geweldsdelicten. Hiervan maken de onderhavige feiten eveneens deel uit. Het lijkt verdachte te ontbreken aan vaardigheden om op een normale wijze met spanningen en/of conflicten om te gaan ondanks de hulpverlening die verdachte vanuit een gedwongen kader hiervoor heeft gehad. Daarnaast is er bij hem sprake van een pro-criminele houding. Hoewel de reclassering de kans op recidive en letsel als hoog inschat en zich zorgen maakt over de gesignaleerde problematiek van verdachte, adviseert de reclassering om aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Tijdens het reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis bleek een constructieve samenwerking tussen de reclassering en verdachte niet mogelijk. Verdachte had ook geen hulpvraag en/of motivatie voor gedragsverandering. Daarbij ging er geen recidivebeperkende werking uit van het toezicht vanuit de reclassering. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte veranderen. Verder adviseert de reclassering om als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer] en een gebiedsverbod voor de woonomgeving van [slachtoffer] op te leggen.
De op te leggen straf
Tot slot houdt de rechtbank rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de bijzondere voorwaarden waaraan verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft moeten houden, waaronder het dragen van een enkelband. Deze omstandigheden maken dat aan verdachte een lagere straf zal worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 70 dagen met aftrek van de 10 dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij zal (enkel) als algemene voorwaarde worden opgelegd dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf van 180 uur te vervangen door 90 dagen vervangende hechtenis, mocht verdachte de taakstraf niet, of niet naar behoren, verrichten. Met deze straffen zal verdachte aan de lijve ondervinden dat zijn gedrag niet wordt geaccepteerd en zal hij hopelijk ervan worden weerhouden om opnieuw de fout in te gaan.
De op te leggen maatregel
Daarnaast zal de rechtbank ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregelen opleggen een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de gemeente Breda, beide voor de duur van drie jaren, onder de voorwaarden zoals de officier van justitie heeft gevorderd.
Om bij verdachte en de politie geen misverstand te laten bestaan over de omvang van het locatieverbod en het mogelijk te maken voor de politie om hierop controle uit te oefenen, gaat de rechtbank niet mee met het betoog van de verdediging om het locatieverbod te beperken tot [plaats 1] dan wel de woning van [slachtoffer] met een straal van 2 kilometer hierom heen.
Nu er gelet op het strafblad van verdachte, het rapport van de reclassering en de gezamenlijke zoon van verdachte en [slachtoffer] ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens [slachtoffer] zal gedragen, wordt bevolen dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De benadeelde partij

Feiten 1 en 2
De immateriële schade
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 7.000,- voor de feiten 1 en 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte - het gedurende ongeveer 6 maanden belagen en bedreigen van de benadeelde partij - mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dat betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De impact van deze feiten is voor de benadeelde partij groot geweest en daar moet een passende schadevergoeding tegenover staan. Gelet op alle omstandigheden en bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 3.000,- billijk. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het einde van de periode waarin de belaging en bedreigingen zijn gepleegd, te weten 31 mei 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)
Feit 3
De materiële schade
De benadeelde partij Nationale Politie vordert een schadevergoeding van € 382,79 voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 382,79 aan materiële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 10 juni 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 63, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 en 2:Belaging in eendaadse samenloop gepleegd met bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting;
feit 3:Vernieling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 70 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
90 dagen;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1993;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens deze persoon;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
3 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: gemeente Breda;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens deze persoon;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer]van
€ 3.000,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij
[slachtoffer],
€ 3.000,-te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
30 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
Nationale Politievan
€ 382,79aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij
Nationale Politie,
€ 382,79te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
3 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, mr. D. van Kralingen en
mr. A.R. van Triest, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 juni 2026.
Mr. D. van Kralingen is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1.
hij op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks 1 oktober 2024 tot en met mei 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] veelvuldig berichten toe te sturen (via onder andere whatsapp, en sms) en/of
- die [slachtoffer] veelvuldig telefonisch te benaderen en/of
- die [slachtoffer] veelvuldig via facetime te benaderen,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2.
hij op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks 1 september 2024 tot en met 2 maart 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd met
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstond, en/of
- verkrachting, en/of
- feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- gijzeling, en/of
- zware mishandeling, en/of
- brandstichting,
door die voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen, zakelijk weergeven:
“dat haar kankerkop eraf geknald wordt” en/of
“dat haar kop total loss geslagen wordt, net als die van haar familieleden” en/of
“dat zij afgefikt wordt met de grond, een Molof cocktail” en/of
“dat zij in stukken wordt gesneden” en/of
“dat zij eraan gaat” en/of
“dat alles wordt opgeblazen, met haar vader en moeder erbij” en/of
“dat hij het dit keer gelijk goed doen. Ze gaat de kist in” en/of
“dat door midden van een vuurwapen, mogelijk Kalasjnikov iedereen mee het graf in genomen wordt” en/of
“dat zij allebei gaan slapen” en/of
“er wordt een foto gestuurd van verdachte met een masker, tactisch vest en handboeien met de tekst: vanacht kom ik je halen”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
3.
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Zwolle, althans in Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale Politie, toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
( art 350 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )