Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5259

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
02.205405.25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring stalking en bedreiging ex-partner met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van stalking en bedreiging van zijn ex-partner. De feiten betreffen een periode van 22 februari 2023 tot en met 8 juni 2025, waarin verdachte zijn ex-partner stelselmatig belaagde en op 17 december 2023 telefonisch bedreigde met woorden gericht op het leven van het slachtoffer.

De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging voldoende concreet was en dat het contact van verdachte met zijn ex-partner niet steeds gerechtvaardigd was door het gezamenlijk gezag over hun zoontje. De gedragingen van verdachte, waaronder achtervolgen, bellen, dreigen en het gebruik van een GPS-tracker, vormden een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer met het oogmerk haar te dwingen en angst aan te jagen.

De rechtbank achtte de stalking en bedreiging wettig en overtuigend bewezen, maar sprak verdachte vrij van het plaatsen van de GPS-tracker binnen de tenlastegelegde periode. Verdachte toonde geen schuldbewustzijn en bleef zijn ex-partner in een kwaad daglicht stellen. De reclassering adviseerde een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod.

De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 180 uur en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod. Een vrijheidsbeperkende maatregel werd niet opgelegd wegens onvoldoende risico op herhaling volgens de rechtbank.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 180 uur wegens stalking en bedreiging van zijn ex-partner.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.205405.25
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres 1] ,
raadsman mr. W.H.F.L. Rademakers, advocaat te Dongen.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. G. Smid en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode 22 februari 2023 tot en met 8 juni 2025 zijn ex-partner [ex-partner] (hierna: [ex-partner] ) heeft belaagd;
feit 2: [ex-partner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de belaging en de bedreiging van [ex-partner] wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de belaging. Verdachte had wettelijk gezien recht op contact met zijn zoontje [zoontje] en op informatie over hem. Het uitgangspunt is daarom dat niet ieder contactmoment met [ex-partner] , de moeder van [zoontje] , kan worden aangemerkt als wederrechtelijk. Daarnaast zijn de ten laste gelegde handelingen te algemeen geformuleerd. Dit had nader geconcretiseerd moeten worden. Tot slot wordt onder het laatste gedachtestreepje in de tenlastelegging verdachte enkel verweten dat hij een GPS-tracker onder de auto van [ex-partner] zou hebben geplaatst en niet dat hij die heeft gebruikt. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de tracker in 2020 heeft geplaatst, dus voorafgaand aan de ten laste gelegde periode. De ‘belagingshandelingen’ die verdachte heeft erkend bij de politie zijn te beperkt en voldoen niet aan de vereiste stelselmatigheid. Voor de bewezenverklaring van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 22 februari 2023 tot en met 8 juni 2025 zijn ex-partner [ex-partner] heeft belaagd.
Door de verdediging is aangevoerd dat de ten laste gelegde handelingen te algemeen zijn geformuleerd en dat dit nader geconcretiseerd had moeten worden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bevat de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens vermeldt de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Bij verdachte mag er - tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek - redelijkerwijs geen twijfel bestaan over welke specifieke gedragingen hem worden verweten.
De rechtbank stelt vast dat het dossier onder meer een aangifte bevat, waaruit duidelijk blijkt wat [ex-partner] verdachte verwijt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging in combinatie met de aangifte en de rest van het dossier voldoende concreet is. Dit betekent dat het voor verdachte ook voldoende duidelijk is waartegen hij zich precies moet verdedigen.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De rechtbank stelt vast dat de relatie tussen verdachte en [ex-partner] is beëindigd op 22 februari 2023. In deze relatie is op [geboortedag 3] 2021 hun zoontje [zoontje] geboren. Tot 3 april 2026 hadden zowel verdachte als [ex-partner] nog het gezag over [zoontje] . De rechtbank begrijpt gelet hierop dat enig contact tussen verdachte en [ex-partner] noodzakelijk was. Dit maakt dat niet ieder contact tussen verdachte en [ex-partner] zomaar kan worden aangemerkt als een stalkingshandeling en daarmee wederrechtelijk is. Deze handeling wordt wel wederrechtelijk indien er met het leggen van contact door verdachte geen redelijk doel wordt gediend. De rechtbank is van oordeel dat er contacten met [ex-partner] gezocht zijn door verdachte die geenredelijk doel dienden. Zo heeft verdachte [ex-partner] veelvuldig achtervolgd, uitgescholden en bedreigd. Verdachte wilde daarnaast telkens weten waar en met wie zij was. Het contact vanuit verdachte overstijgt dan ook enig te verwachten en/of normaal contact tussen hem en [ex-partner] en zag bovendien niet alleen op contact over hun zoontje.
Ten aanzien van het laatste gedachtestreepje op de tenlastelegging, inhoudende het plaatsen van een GPS-tracker in de auto van [ex-partner] , overweegt de rechtbank dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld wanneer deze tracker door verdachte is
geplaatst.. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken. Wel kan op grond van de bewijsmiddelen worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode [ex-partner] heeft gevolgd en in de gaten heeft gehouden waar [ex-partner] was, zoals is ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje. Dit heeft verdachte onder meer gedaan met behulp van de tracker.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte tezamen in onderlinge samenhang bezien, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [ex-partner] zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest met het oogmerk haar te dwingen iets te doen (contact opnemen), niet te doen (contact hebben met andere mannen), te dulden (het aanvaarden van contact) en vrees aan te jagen.
Feit 2
Op grond van de bekennende verklaring van verdachte in combinatie met de uitwerking van het telefoongesprek in het dossier, acht de rechtbank wettig en overtuigend dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [ex-partner] met enig misdrijf tegen het leven gericht.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 22 februari 2023 tot en
met 8 juni 2025 te [plaats] wederrechtelijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van
[ex-partner] met het oogmerk die [ex-partner] te
dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, door
- die [ex-partner] te volgen en in de gaten te houden,
- die [ex-partner] op te wachten en te achtervolgen,
- zich zonder redelijk doel in de straat en bij/rondom de woning van die [ex-partner]
[ex-partner] en haar ouders op te houden,
- zich de toegang tot de woning van Die [ex-partner] te verschaffen en
vervolgens weigeren om de woning van die [ex-partner] te verlaten,
- die [ex-partner] te bellen en berichten te sturen en haar daarbij op dwingende
en/of dreigende wijze te vragen waar zij zich bevindt en/of haar mede te delen dat
hij, verdachte, weet waar zij is;
2
op 17 december 2023 te [plaats] [ex-partner]
[ex-partner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [ex-partner] telefonisch dreigend de woorden toe te
voegen:
- "En die gast hè, die gaat eraan en jou steek ik direct kapot als ik jou tegen
kom" en/
-"De moeder gaat niet met een ander. Jij gaat dood! Jij gaat dood!" en "Ik ga jou
kapot steken en die gast ook".;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Hij verzoekt om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast vordert hij een taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest. Hij vordert tevens een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel dient een contactverbod met [ex-partner] en hun zoontje [zoontje] en een locatieverbod bij haar woning te betreffen voor een periode van 3 jaar, met een vervangende hechtenis van 2 weken per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte staat open voor verdere begeleiding en behandeling in het kader van de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk op te leggen strafdeel. De verdediging refereert zich ten aanzien van de bijzondere voorwaarden en de lengte van de proeftijd. Ook wordt gerefereerd aan de hoogte van de door de rechtbank op te leggen taakstraf. De verdediging ziet geen aanleiding en grond voor oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende meer dan twee jaar schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner [ex-partner] . Met zijn dwingende, controlerende en verbaal agressieve gedrag heeft verdachte langere tijd het leven van [ex-partner] ontregeld en beheerst. Ook nadat zij duidelijk had aangegeven dat verdachte moest stoppen en zij inmiddels hun woning had verlaten, ging verdachte door met de stalking en heeft hij haar ook nog eens met de dood bedreigd. [ex-partner] heeft naar eigen zeggen doodsangsten uitgestaan en vreesde voor haar eigen veiligheid en die van hun zoontje. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan wat inmiddels breder bekend is als intieme terreur. Verdachte heeft verklaard dat hij na de beëindiging van de relatie contact met [ex-partner] zocht uit bezorgdheid over hun zoontje. Deze aanpak van verdachte is klaarblijkelijk zo contraproductief geweest dat hij sinds april 2026 geen gezag meer over [zoontje] heeft.
Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke integriteit van [ex-partner] . De feiten hebben op haar een grote impact gehad en zij ervaart tot op de dag van vandaag nog de gevolgen hiervan, zo blijkt uit de ter zitting voorgedragen spreekrechtverklaring en uit de toelichting bij de ingediende vordering.
Verdachte heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Ook ter zitting heeft verdachte geen schuldbewustzijn getoond. Bovendien heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte elk moment aangrijpt om [ex-partner] in een kwaad daglicht te zetten. De rechtbank weegt deze proceshouding in het nadeel van verdachte mee.
De reclassering heeft over verdachte een rapport opgesteld. Hieruit volgt dat er bij een bewezenverklaring sprake is van een algemeen delict patroon. De reclassering ziet risicoverhogende factoren op de leefgebieden psychosociaal functioneren en relatie partner. Zij hebben de indruk dat verdachte het moeilijk vindt zijn gevoelens onder woorden te brengen en dat hij een rigide denkwijze heeft. Ook hebben zij de indruk dat hij zich onmachtig voelt ten opzichte van de Jeugdbescherming Brabant, die momenteel betrokken is bij hun gezamenlijke zoontje [zoontje] in het kader van een ondertoezichtstelling. Als beschermende factor wordt gezien dat verdachte in het kader van zijn schorsingstoezicht meewerkt aan de bijzondere voorwaarden en openstaat voor verdere begeleiding en behandeling. Bij een veroordeling adviseren zij een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod met [ex-partner] . Het is volgens de reclassering belangrijk om te monitoren hoe de contacten met Jeugdbescherming Brabant lopen en hoe verdachte zich tot hen en de begeleiders rondom de omgang met zijn zoontje verhoudt. Ook dient er diagnostiek plaats te vinden. In de psychische behandeling dient er aandacht te zijn voor gezonde relatievorming, gezonde en veilige communicatie en zijn vrouwbeeld in het algemeen. De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
De rechtbank acht het net als de reclassering noodzakelijk dat verdachte behandeld wordt. Gebleken is dat verdachte gemotiveerd is om een behandeling te gaan volgen. De rechtbank wil dit niet met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doorkruisen in het belang van zowel verdachte als de maatschappij. De rechtbank neemt daarom het advies over om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen zodat de bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd die (verdere) behandeling van verdachte mogelijk maken teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. De rechtbank merkt hierbij nog in aanvulling op dat het juist in het belang van aangeefster en de maatschappij is dat verdachte stopt met dit gedrag en er een stevige stok achter de deur komt om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en aangeefster te belagen Zij legt daarom aan verdachte op een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om een langere proeftijd (van drie jaar) dan de gebruikelijke twee jaar op te leggen. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Met de officier van justitie is de rechtbank daarnaast van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest, een passende sanctie is.
Deze straf doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de aard en ernst van de feiten, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hiervoor overwogen.
Door [ex-partner] is verzocht om aan verdachte een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen. Een dergelijke vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. De reclassering heeft in haar advies opgenomen dat het gevaar op herhaling als gemiddeld moet worden ingeschat. Bij dit oordeel heeft de reclassering de door [ex-partner] aangevoerde eventuele schendingen van het geldende contactverbod betrokken. Geconstateerd is daarnaast dat verdachte zich aan de huidige bijzondere voorwaarden, waaronder het contactverbod, in het kader van zijn schorsing houdt. Hoewel het voor de rechtbank invoelbaar is dat [ex-partner] bang en angstig is voor verdachte, wordt daarmee niet voldaan aan de juridische criteria voor oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr. De rechtbank legt deze maatregel dan ook niet op.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [ex-partner] heeft uitsluitend een verzoek aan de rechtbank gedaan om een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr te bepalen voor de duur van 5 jaar. De rechtbank heeft dit verzoek reeds onder punt 6.3 behandeld.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:belaging;
feit 2:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
*
Meldplicht bij reclassering
- dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij zijn huidige toezichthouder of bij Reclassering Nederland in Breda of Tilburg, tel nr. 088 8041505;
*
Ambulante behandeling
- dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door ambulant
forensisch centrum [naam] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte heeft de intakes reeds gehad;
*
Contactverbod
- dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met aangeefster [ex-partner] (geboortedatum [geboortedag 2] -1991), met uitzondering van contacten die noodzakelijk zijn in het kader van de hulpverlening en/of omgang met zoon [zoontje] . Een en ander in samenspraak met de reclassering;

* Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat waar aangeefster woont (momenteel [woonadres 2] ) of waar haar ouders wonen ( [woonadres 3] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
90 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, en mr. F.L. Donders en
mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juni 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1 Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 februari 2023 tot en met 8 juni 2025 te [plaats] en/of elders in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [ex-partner] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [ex-partner] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door meermalen, althans eenmaal: - die [ex-partner] te volgen en/of in de gaten te houden, - die [ex-partner] op te wachten en/of te achtervolgen, - zich (zonder redelijk doel) in de straat en/of bij/rondom de woning van die [ex-partner] en/of haar ouders op te houden, - zich de toegang tot de woning van Die [ex-partner] te verschaffen en/of vervolgens weigeren om de woning van die [ex-partner] te verlaten, - die [ex-partner] te bellen en berichten te sturen en haar (daarbij) op dwingende en/of dreigende wijze te vragen waar zij zich bevindt en/of haar mede te delen dat hij, verdachte, weet waar zij is, - door een GPS tracker onder de auto van die [ex-partner] te plaatsen; ( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2 hij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , althans in Nederland, [ex-partner] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [ex-partner] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen: - "En die gast hè, die gaat eraan en jou steek ik direct kapot als ik jou tegen kom" en/of -"De moeder gaat niet met een ander. Jij gaat dood! Jij gaat dood!" en/of "Ik ga jou kapot steken en die gast ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; ( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )