Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5262

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/2794
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugvordering zorgtoeslag

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een terugvordering van € 887 aan zorgtoeslag over 2022, vastgesteld bij besluit van 14 januari 2026 en gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2026. Tegen dit laatste besluit is beroep ingesteld. Daarnaast heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen een brief van 7 mei 2026 waarin betaling werd gevraagd en gespreide betaling werd aangeboden. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb is.

Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die de Dienst Toeslagen zou verbieden maatregelen te nemen om het bedrag te innen en om te voorkomen dat verzoeker aan de grens wordt tegengehouden. De voorzieningenrechter beoordeelde dat het verzoek alleen inhoudelijk kon worden behandeld indien sprake was van connexiteit met een besluit waartegen bezwaar of beroep loopt. Dit was het geval voor het besluit van 2 maart 2026, maar niet voor de brief van 7 mei 2026.

De voorzieningenrechter vroeg verzoeker om het spoedeisend belang nader toe te lichten, met name waarom het niet mogelijk was om de vordering in 20 maandelijkse termijnen van € 43 te voldoen. Verzoeker reageerde niet. Hierdoor kon geen spoedeisend belang worden aangenomen. Het verzoek om te bepalen dat verzoeker niet aan de grens mag worden tegengehouden werd afgewezen omdat dit buiten de reikwijdte van het terugvorderingsbesluit valt.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen en wees het af. De uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door rechter J.W. Ponds.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de terugvordering zorgtoeslag wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2794

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

Dienst Toeslagen

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake een terugvordering van de zorgtoeslag.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Waar gaat deze zaak over?

3. Met het besluit van 14 januari 2026 heeft de Dienst Toeslagen aan verzoeker meegedeeld dat zij nieuwe gegevens heeft ontvangen over verzoekers toeslagen over 2022 en dat daarmee de eerdere definitieve berekening van zijn toeslagen is aangepast. Hierdoor is een terugvordering van € 887,-- ontstaan ter zake te veel ontvangen zorgtoeslag. Dit bedrag moet verzoeker terugbetalen.
4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 januari 2026. Met het besluit van 2 maart 2026 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit (bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 26/1726).
5. Op 7 mei 2026 heeft de Dienst Toeslagen aan verzoeker meegedeeld dat er nog geen betaling is ontvangen. Aan verzoeker is gevraagd het bedrag van € 887,-- over te maken. Ook is aan hem meegedeeld dat hij de vordering in 20 maandelijkse termijnen kan voldoen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief. Tevens heeft hij op 18 mei 2026 aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Uit zijn bezwaarschrift en het verzoek om voorlopige voorziening blijkt dat verzoeker het niet eens is met de terugvordering.
6. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat de Dienst Toeslagen geen maatregelen mag nemen om het bedrag te innen. Ook heeft hij gevraagd om te bepalen dat verzoeker niet aan de grens mag worden tegen gehouden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er sprake van samenhang tussen het verzoek en een besluit?
7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
8. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een (nog aanhangig) bezwaar of beroep tegen dat besluit voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
9. Uit de door de Dienst Toeslagen overgelegde stukken blijkt dat inmiddels is besloten op het bezwaar dat verzoeker heeft ingediend naar aanleiding van de brief van 7 mei 2026. Met het besluit van 9 juni 2026 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb. Verzoeker heeft (nog) geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Dit betekent dat er voor wat betreft de brief van 7 mei 2026 geen sprake is van connexiteit.
10. Uit het verzoekschrift en het onderliggende bezwaarschrift blijkt echter dat verzoeker het niet eens is met de terugvordering. De terugvordering op zichzelf is al eerder vastgesteld met het besluit van 14 januari 2026 en is in bezwaar in stand gebleven. Omdat verzoeker tegen die beslissing op bezwaar wel al beroep heeft ingesteld, zal de voorzieningenrechter zijn verzoek aanmerken als een verzoek dat connex is aan het besluit van 2 maart 2026. Daarmee is dus wel voldaan aan het connexiteitsvereiste.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
12. De griffier heeft per brief van 4 juni 2026 aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Daarbij is opgemerkt dat verzoeker de vordering desgewenst in 20 maandelijkse termijn kan voldoen. Hierdoor zou verzoeker per maand € 43,-- moeten betalen. Aan verzoeker is gevraagd om binnen zeven dagen toe te lichten waarom het voor hem niet mogelijk is om tijdelijk € 43,-- per maand terug te betalen.
12. De voorzieningenrechter heeft binnen de gestelde termijn geen reactie van verzoeker ontvangen. Zonder nadere toelichting kan niet worden aangenomen dat er sprake is van een spoedeisend belang.
12. Het verzoek om te bepalen dat verzoeker niet aan de grens mag worden tegengehouden valt buiten de omvang en strekking van het terugvorderingsbesluit, zodat de voorzieningenrechter dit verzoek reeds daarom niet kan toewijzen.

Conclusie en gevolgen

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 16 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.