Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5282

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
26-004121
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 2 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift op beslag voertuig wegens strafvorderlijk belang

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 7 april 2026 een klaagschrift van de eigenaar van een voertuig dat in beslag was genomen op grond van artikel 94 Sv Pro. De klaagster verzocht om opheffing van het beslag en teruggave van het voertuig, stellende dat zij de rechtmatige eigenaar was en dat het gebruik door de beslagene een noodsituatie betrof.

De officier van justitie voerde aan dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het voertuig verbeurd zal worden verklaard, mede omdat de beslagene meerdere keren zonder rijbewijs had gereden en de klaagster hiervan op de hoogte was. De rechtbank oordeelde dat de klaagster als eigenaar kon worden aangemerkt, maar dat het strafvorderlijk belang zwaarder woog omdat zij wist dat de beslagene zonder rijbewijs reed.

Gezien deze omstandigheden werd het klaagschrift ongegrond verklaard en bleef het beslag gehandhaafd. De beslissing werd genomen door rechter J. Bergen en is openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het beslag op het voertuig blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 26-004121
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster] ,
geboren op [geboortedag 1] 2003,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de klaagster,
Beslagene is [beslagene] ,
geboren op [geboortedag 2] 1993,
wonende op het adres [adres]

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 6 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt dat op 20 januari 2026 onder beslagene een voertuig merk Seat Ibiza, kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) in beslag is genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en klaagster gehoord.
Omdat klaagster de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, wordt zij op de zitting bijgestaan door mevrouw [persoon] , zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Poolse taal. Wat in raadkamer is besproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster aantoonbaar eigenaar is van het voertuig. Klaagster heeft een groot persoonlijk belang bij de teruggave van het voertuig. Klaagster wist dat beslagene niet in het bezit is van een rijbewijs. Klaagster was die dag ziek en hun zoontje moest naar school, dat was de reden dat zij beslagene in het voertuig liet rijden. Het was een noodsituatie. Normaal gesproken rijdt klaagster in het voertuig. Klaagster verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren en het voertuig aan haar terug te geven.
De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend het voertuig verbeurd zal verklaren. Beslagene is 4 keer eerder veroordeeld voor rijden zonder rijbewijs. Klaagster wist dat beslagene geen rijbewijs had en met goedvinden van klaagster heeft beslagene op 20 januari 2026 in het voertuig gereden. De officier van justitie verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op het voertuig is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Hier is sprake van een klaagster die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht en die niet de beslagene is. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden
aangemerkt en zo ja, of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de klaagster buiten redelijke twijfel als rechthebbende/eigenaar moet worden beschouwd.
Nu de rechtbank de klaagster als eigenaar aanmerkt, dient zij te onderzoeken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Dat is het geval als klaagster bekend was met het criminele gebruik van het voertuig of dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. In dat geval is er een strafvorderlijk belang en dient het beslag op het voertuig gehandhaafd te blijven. Klaagster was op de hoogte dat beslagene niet in het bezit was van een rijbewijs en heeft ondanks dat gegeven beslagene laten rijden in haar voertuig. De medische omstandigheden die klaagster aanvoert, zijn niet verschoonbaar. Gezien deze omstandigheden is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag en teruggave van het in beslag genomen voertuig, zodat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van
I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.