Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5283

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
26-002090
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNAArt. 67 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde voor diefstal

De veroordeelde, minderjarig ten tijde van het gepleegde feit, maakte bezwaar tegen de afname en verwerking van zijn DNA-profiel op grond van disproportionaliteit. Hij verwees naar zijn leeftijd, de aard van het feit en een werkstraf zonder voorwaardelijk deel, stellende dat er sprake is van gering recidivegevaar.

De rechtbank behandelde het bezwaar in besloten raadkamer, waarbij ook de officier van justitie werd gehoord. De rechtbank oordeelde dat het misdrijf voldoet aan de wettelijke vereisten voor DNA-afname en dat de Wet DNA primair gericht is op het opsporen en voorkomen van strafbare feiten.

De rechtbank overwoog dat uitzonderingen op DNA-afname slechts in zeer beperkte situaties gelden, zoals bij een veroordeling voor een misdrijf waarbij DNA-onderzoek niet van belang is, of bij bijzondere omstandigheden die DNA-onderzoek niet rechtvaardigen. Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming bleek dat de veroordeelde geen openheid van zaken gaf, waardoor geen uitspraak kon worden gedaan over het recidivegevaar.

Gelet op deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en verklaarde het bezwaar ongegrond. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afname en verwerking van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-060994-25
raadkamernummer : 26-002090
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] , [geboorteland]
wonende op het adres [adres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.J.F. Zoeteweij, advocaat te Vlissingen (Scheldestraat 76, 4381 RW Vlissingen),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 22 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 24 maart 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn advocaat, mr. M.J.F. Zoeteweij, advocaat te Vlissingen en de officier van justitie in raadkamer gehoord.

Bezwaar

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 april 2020 heeft veroordeelde zich op het standpunt gesteld dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van bezwaarde disproportioneel is, nu hij ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was. Gezien de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de leeftijd van veroordeelde ten tijde van het feit, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 juni 2025 en de door de kinderrechter opgelegde straf (een werkstraf van 20 uur, zonder voorwaardelijk deel), is er sprake van een gering recidivegevaar. Verzocht wordt dan ook het bezwaarschrift gegrond te verklaren.
In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het ingediende bezwaarschrift. In aanvulling daarop is verwezen naar de justitiële documentatie van veroordeelde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat het bezwaar gegrond dient te worden verklaard.

Beoordeling

Bij vonnis van 17 november 2025 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen tot een werkstraf 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen en ook veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van Pro de Wet genoemde gevallen voordoet. Een van deze gevallen betreft de situatie waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat daarvan slechts in twee uitzonderingssituaties sprake is.
Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn.
Daarvan is in dit geval geen sprake.
De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat, ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Deze maatstaf hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of er aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
De rechtbank overweegt in dit verband dat veroordeelde ten tijde van het plegen van het strafbare feit weliswaar minderjarig was, maar niet kan worden gezegd dat sprake is van een gering recidiverisico. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 juni 2025 blijkt onder meer dat veroordeelde geen openheid van zaken heeft gegeven, zodat het voor de Raad niet mogelijk was om een uitspraak te doen over de kans op herhaling.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 7 april 2026 gegeven door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.