Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5284

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
26-001260
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na vrijspraak mishandeling met auto

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 7 april 2026 het verzoek van een verdachte tot vergoeding van kosten rechtsbijstand op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De verdachte was verdacht van mishandeling met behulp van een auto, maar werd door de politierechter op 24 december 2025 vrijgesproken.

De verzoeker had kosten gemaakt voor rechtsbijstand, waaronder studie van jurisprudentie, en vroeg vergoeding van € 2.843,90 plus een forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift. De officier van justitie betwistte de vergoeding voor de studie van jurisprudentie, maar stond verder toe dat het verzoek werd toegewezen.

De rechtbank oordeelde dat, hoewel kosten voor studie van jurisprudentie doorgaans niet worden vergoed, in dit specifieke geval gelet op de toelichting van de raadsman en de bijzondere omstandigheden deze kosten wel billijk zijn. Het volledige bedrag van € 2.843,90 aan kosten rechtsbijstand werd daarom toegewezen, evenals een forfaitaire vergoeding van € 825,00 voor de behandeling van het verzoek.

De totale vergoeding van € 3.668,90 zal worden overgemaakt op de derdenrekening van de raadsman. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open voor zowel het Openbaar Ministerie als de verzoeker.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en procedurekosten wordt toegewezen voor een totaalbedrag van € 3.668,90.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-210713-25
raadkamernummer : 26-001260
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.W. van Voorst Vader advocaat te Hulst, (Havenfort 2, 4561 GD Hulst),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 11 december 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 2843,90, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • het vonnis van de politierechter van 24 december 2025, waarbij verzoeker is vrijgesproken,
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en mr. R.W. van Voorst Vader als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De raadsman heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting geven met betrekking tot de gevraagde kosten voor rechtsbijstand. Er is tijd besteed aan studie jurisprudentie, omdat het een specifieke zaak betrof. Verzoeker werd verdacht van mishandeling met behulp van een auto.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de kosten voor studie van jurisprudentie (€ 134,30) niet in aanmerking komen voor vergoeding. Het verzoek kan voor het overige worden toegewezen. Ter zitting heeft de officier van justitie zich voor wat betreft de kosten voor het bestuderen van jurisprudentie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank is van oordeel dat doorgaans kosten voor studie van jurisprudentie niet in aanmerking komen voor vergoeding. Echter in dit geval zal de rechtbank deze kosten toewijzen, gelet op de specifieke situatie van het geval en de toelichting van de raadsman ter zitting. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand is ook voor het overige deel in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 825,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 3668,90, bestaande uit:
- € 2843,90 aan kosten van rechtsbijstand;
en
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 3668,90zal worden overgemaakt op rekeningnummer NL07 ABNA [nummer] ten name Derdenrekening De Rechter Advocaten te Hulst/Terneuzen onder vermelding van “ref. [kenmerk] ”;
Deze beslissing is op 7 april 2026 genomen door mr. J. Bergen rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.