Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5285

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
02-350134-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit vuurwapens, munitie en harddrugs met gevangenisstraf van 18 maanden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het bezit van vuurwapens, munitie en diverse soorten harddrugs. De zaak betrof twee parketnummers die inhoudelijk werden samengevoegd. De politie trof op verschillende momenten vuurwapens en drugs aan in de auto en woning van verdachte.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs wettig en overtuigend was verkregen, onder meer door een rechtmatige doorzoeking op basis van een MMA-melding. Verdachte werd vrijgesproken van het bezit van heroïne wegens onvoldoende bewijs. Verdachte had geen geloofwaardige verklaring voor het bezit van het vuurwapen in zijn auto en de drugs in zijn woning, en werd daarom veroordeeld.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de combinatie van wapens en drugs, de proceshouding van verdachte en zijn strafblad. Gezien deze omstandigheden werd een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. Daarnaast werd de auto van verdachte verbeurd verklaard en werden de drugs en wapens aan het verkeer onttrokken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor het bezit van vuurwapens, munitie en harddrugs met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-155821-25 en 02-350134-25 (ttz gev.)
Parketnummer TUL: 10-308766-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in de PI te [plaats 1] ,
raadsvrouw mr. B.W.C. van Geet, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Overeenkomstig artikel 369 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak bekend onder parketnummer 02-155821-25 naar deze kamer verwezen.
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met het bovenvermelde parketnummer.
Verder zijn ter zitting overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder de voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
02-155821-25
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in het bezit was van
feit 1: een pistool, patroonmagazijn en munitie;
feit 2: een hoeveelheid heroïne.
02-350134-25
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in het bezit was van
feit 1: verschillende soorten harddrugs;
feit 2: ongeveer 47,5 gram hasjiesj en ongeveer 212,2 gram hennep;
feit 3: een pistool.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
02-155821-25
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Zij vordert verdachte partieel vrij te spreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het patroonmagazijn. Uit de categoriseringsrapportage volgt namelijk dat het patroonmagazijn onderdeel is van het aangetroffen vuurwapen, reden waarom het geen los patroonmagazijn betreft.
02-350134-25
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd. De doorzoeking van de woning op grond van de MMA-melding was rechtmatig, omdat de melding voldoende concreet was en de informatie voor zover mogelijk is geverifieerd. De resultaten van de doorzoeking kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt. Zij vordert verdachte vrij te spreken van feit 1 voor zover de tenlastelegging ziet op de aanwezigheid van heroïne, omdat een indicatieve test op zichzelf onvoldoende is voor een bewezenverklaring voor het bezit van heroïne en een NFI-rapportage ontbreekt.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
02-155821-25
Feit 1
De verdediging bepleit vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen, het patroonmagazijn en de munitie en daarover feitelijke beschikkingsmacht had.
Feit 2
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
02-350134-25
De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten. Het binnentreden van de woning naar aanleiding van een MMA-melding was onrechtmatig, omdat deze melding onvoldoende concreet en specifiek was. De resultaten van de doorzoeking in de woning van verdachte moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-155821-25
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 19 mei 2025 te Tilburg door de politie is gecontroleerd in een Volkswagen Polo voorzien van [kenteken] (hierna: de auto). Bij de doorzoeking van de auto is een vuurwapen van het merk Blow, een patroonmagazijn en munitie aangetroffen. De voorwerpen zaten in een tas, in een ruimte onder de achterbank.
Verdachte heeft ter zitting voor het eerst een inhoudelijke verklaring afgelegd, waaruit volgt dat de auto van hem is, maar dat hij niets afwist van het vuurwapen, dat er door meerdere personen gebruik wordt gemaakt van zijn auto en dat zij mogelijk verantwoordelijk kunnen zijn voor het vuurwapen, het patroonmagazijn en de munitie in de auto. Verdachte heeft niet willen zeggen welke personen gebruikmaken van zijn auto.
Voor een veroordeling ter zake het voorhanden hebben van een wapen en munitie is vereist dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van in dit geval de aanwezigheid van het wapen, het patroonmagazijn en de munitie in zijn auto.
De voorwerpen zijn aangetroffen in een ruimte achter de bijrijdersstoel onder de achterbank. De rechtbank neemt in aanmerking de algemene ervaringsregel dat de eigenaar van een auto zich bewust moet zijn van hetgeen zich in zijn auto bevindt. Dit kan anders zijn indien deze bewustheid door verdachte gemotiveerd wordt weersproken. De rechtbank acht de door verdachte gestelde toedracht omtrent de aanwezigheid van het wapen en de munitie echter onaannemelijk, nu die toedracht niet meer inhoudt dan een niet nader gespecificeerde en daarmee ook niet controleerbare bewering dat anderen de auto gebruikten en (mogelijk) de voorwerpen in de auto hebben gelegd. Verdachte heeft niet willen verklaren over wie deze personen zouden kunnen zijn. Daar komt bij dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 23 december 2025, dus enkele maanden later, een wapen van hetzelfde merk is aangetroffen.
Aldus gaat de rechtbank uit van de hiervoor genoemde algemene ervaringsregel en staat het voor de rechtbank vast dat verdachte zich in meer of mindere mate van die aanwezigheid bewust is geweest en hij het wapen, het patroonmagazijn en de munitie voorhanden heeft gehad. Doordat deze voorwerpen zich in het voertuig van verdachte bevonden had hij daarover ook de beschikkingsmacht. Het feit kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bezit van een patroonmagazijn. Uit het proces-verbaal van beschrijving en categorisering van het vuurwapen volgt dat het patroonmagazijn onderdeel is van het in beslag genomen vuurwapen en daarom geen los aangetroffen onderdeel van een ander vuurwapen betreft.
Feit 2
Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd over dit feit, zoals dit hierna onder 4.4 bewezen wordt verklaard. Voor de bewezenverklaring wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.
02-350134-25
Doorzoeking woning
Op 23 december 2025 heeft de politie een doorzoeking verricht in de woning van verdachte in [woonplaats] . In de woning is een vuurwapen van het merk Blow aangetroffen. Het vuurwapen was geschikt om projectielen mee af te schieten en is aangetroffen onder de bank in de woonkamer. Verder zijn er verschillende soorten drugs in de woning van verdachte aangetroffen.
Rechtmatig verkregen bewijs?
De vraag die vervolgens voorligt, is of het bewijs op rechtmatige wijze is verkregen. De rechtbank stelt het volgende vast. De woning van verdachte is doorzocht naar aanleiding van een MMA-melding.
Op grond van vaste rechtspraak kan een verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatiegegevens. Deze gegevens moeten voldoende concreet en specifiek zijn om het in artikel 49 WWM Pro bedoelde vermoeden op te leveren op grond waarvan doorzoeking ter inbeslagneming mag worden verricht.
In dit geval was sprake van een MMA-melding van 23 december 2025 waarin de volgende informatie staat vermeld: “
De 21-jarige [persoon] houdt zich bezig met de handel in drugs en illegaal vuurwerk. Hij werkt samen met een bezorger genaamd [verdachte] . Hij is 22 jaar oud. [verdachte] rijdt in een donkergekleurde Opel Corsa en is tevens in het bezit van een vuurwapen. Beide jongens wonen op de [locatie] in [plaats 2] . [verdachte] heeft korte, lichte krullen en een donkere huidskleur. [persoon] is lang en dun.”
Naar het oordeel van de rechtbank was deze informatie voldoende concreet en specifiek. In de melding is een naam genoemd van de persoon over wie de melding gaat, de woonplaats van deze persoon en het strafbare feit waarmee hij zich zou bezig houden, namelijk het voorhanden hebben van een vuurwapen. Uit (niet nader omschreven) onderzoek van de politie is gebleken dat met [verdachte] verdachte wordt bedoeld en dat hij stond ingeschreven op [adres] .
De politie heeft vervolgens in de politiesystemen gekeken en daaruit bleek dat verdachte antecedenten had voor onder andere overtreding van de Wet wapens en munitie. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat antecedenten zich niet beperken tot het strafblad van een verdachte. Ook eerdere verdenkingen die in de politiesystemen zijn geregistreerd, kunnen bij de beoordeling worden betrokken. De verdenking van 19 mei 2025, waarbij onder verdachte een vuurwapen is aangetroffen, zal in de politiesystemen bekend zijn geweest en kan derhalve zijn meegewogen bij de beoordeling van de MMA-melding van 23 december 2025. Tegen deze achtergrond kon de politie de eerdere registratie betrekken bij de inschatting van de betrouwbaarheid en relevantie van de MMA-melding.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de in de melding vervatte gegevens voldoende concreet en specifiek waren om in combinatie met het nadere onderzoek het in artikel 49 WWM Pro bedoelde vermoeden op te leveren op grond waarvan doorzoeking ter inbeslagneming mag worden verricht. De doorzoeking was dus rechtmatig en de resultaten ervan kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Voorhanden hebben vuurwapen
Ten aanzien van het vuurwapen dat in de woning van verdachte is aangetroffen, heeft verdachte verklaard dat hij op de hoogte was van het vuurwapen dat in zijn woning lag, omdat hij het daar zelf heeft gelegd. De rechtbank acht feit 1 daarom wettig en overtuigend bewezen.
Opzettelijk aanwezig hebben (hard)drugs
Over de aangetroffen drugs heeft verdachte verklaard dat hij de drugs in bewaring had voor een vriend van hem. De rechtbank acht feit 2 daarom wettig en overtuigend bewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne aanwezig heeft gehad. Een NFI-rapport ontbreekt en het dossier biedt onvoldoende steun aan de indicatieve test om tot een bewezenverklaring van heroïne te komen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bezit van heroïne.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-155821-25
feit 1op 19 mei 2025 te Tilburg
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Blow, type TR 17, kaliber .380 Auto (= 9 x 17millimeter) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen van het merk Fiocchi (G.F.L.), kaliber .380 Auto (9 x 17 millimeter), voorhanden heeft gehad;
feit 2in de periode van 19 mei 2025 tot en met 20 mei 2025 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
02-350134-25
feit 1
op 23 december 2025 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-MMC
zijnde 2-MMC en MDMA en cocaïne en 4-MMC telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2op 23 december 2025 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 47,5 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en ongeveer 212,2 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 3op 23 december 2025 te [plaats 1] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd gas)pistool, van het merk Blow, type TR 14, kaliber 7,65 millimeter Browning zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf worden opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van vuurwapens en harddrugs. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee en kan leiden tot ernstige incidenten waarbij slachtoffers vallen. Bij een van de vuurwapens is namelijk ook munitie aangetroffen die geschikt was voor dat vuurwapen. Dit betekent dat het vuurwapen kon worden gebruikt. Daarnaast is van harddrugs bekend dat deze schadelijk zijn voor de volksgezondheid. De verspreiding van dergelijke drugs gaat in veel gevallen gepaard met andere vormen van criminaliteit. Door het bezit van de harddrugs heeft verdachte hieraan bijgedragen. De rechtbank acht de combinatie van drugs en wapens strafverzwarend.
Ook houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Ter zitting heeft verdachte tegen beter weten in volgehouden dat de verdovende middelen en het in de auto aangetroffen vuurwapen niet van hem waren. Door een ongeloofwaardige verklaring af te leggen heeft verdachte ervoor gekozen om geen verantwoordelijkheid te nemen. Daarnaast wekt verdachte bij de rechtbank de indruk zijn rol te bagatelliseren. Mede gelet op de eerdere veroordeling voor het meerdere keren uithalen van drugs in de haven kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte zich bij herhaling in een crimineel milieu begeeft waarvan hij kennelijk geen afstand wenst te nemen, hetgeen als bijzonder zorgwekkend wordt aangemerkt.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 23 april 2026. Daaruit volgt dat verdachte in oktober 2024 is veroordeeld voor het wederrechtelijk verblijven op een haventerrein. Verdachte liep ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd en in een schorsingstoezicht. De rechtbank acht deze omstandigheden eveneens strafverzwarend.
De rechtbank slaat acht op het reclasseringsrapport van 26 februari 2026. De reclassering adviseert aan verdachte een straf op te leggen zonder oplegging van bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Weliswaar zou verdachte hierbij gebaat zijn, maar gezien zijn houding en weinig intrinsieke motivatie wordt het opleggen van bijzondere voorwaarden of reclasseringstoezicht niet geadviseerd. Naast instabiliteit op de praktische leefgebieden constateert de reclassering een beginnend delictpatroon aangaande delicten met een financieel motief in combinatie met drugs en wapens. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld.
De oplegging van de straf
Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Gezien de ernst van de feiten en de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden kan de rechtbank niet anders dan een gevangenisstraf opleggen van een aanzienlijke duur. Zij acht de eis van de officier van justitie passend en geboden en zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 18 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Het beslag

Onder verdachte zijn onder meer in beslag genomen kentekenplaten en contant geld. Gelet op de door verdachte gedane afstandsverklaring ter zitting zal de rechtbank geen beslissing nemen over deze in beslag genomen goederen.
7.1.
De verbeurdverklaring
De in beslag genomen auto zal verbeurd worden verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp aan verdachte toebehoort en het onder parketnummer 02-155821-25 bewezen feit 1 met behulp van dit voorwerp is begaan.
7.2.
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde drugs, wapens, patroonhouder en munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen. Ook zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemene belang.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Middelburg van 2 oktober 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-350134-25
feit 1:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
feit 3:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
02-155821-25
feit 1:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
02-350134-25
- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
* 109 gram verdovende middelen met goednummer G2944767;
* 10 verdovende middelen met goednummer G2944759;
* 10 verdovende middelen met goednummer G2944768;
* verdovende middelen met goednummer G2944770;
* verdovende middelen met goednummer G2944776;
* 21 gram hennep met goednummer G2944837;
* 16 gram hennep met goednummer G2944834;
* hennep met goednummer G2944831;
* 10 gram verdovende middelen met goednummer G2944779;
* 43 gram verdovende middelen met goednummer G2944785;
* 28 gram verdovende middelen met goednummer G2944825;
* 174 gram hennep met goednummer G2944807;
* 48 gram verdovende middelen met goednummer G2944814;
* verdovende middelen met goednummer G2944821;
* verdovende middelen met goednummer G2944819;
02-155821-25
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
* personenauto van het merk Volkswagen, wit, met [kenteken] (goednummer: PL2000-2025128338-2862979);
- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
* pistool (omschrijving: BZAL5000, Zwart, merk: Glock);
* patroonhouder (omschrijving: BZAL5003, Zwart);
* 3 STK Patroon (omschrijving: BZAL5004);
* 4 gram verdovende middelen met goednummer G2863946;
* 11 gram verdovende middelen met goednummer G2863955;
* 34 gram verdovende middelen met goednummer G2862895;
* papier met goednummer G2862900;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 2 oktober 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 10-308766-24
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;
Voorlopige hechtenis (02-155821-25)
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, en mr. G.H. Nomes en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-350134-25
1
hij, op of omstreeks 23 december 2025 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-MMC en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde 2-MMC en/of MDMA en/of cocaïne en/of 4-MMC en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 10 lid 3 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond C Opiumwet)
2
hij, op of omstreeks 23 december 2025 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 47,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 212,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 11 lid 2 Opiumwet Pro, art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet)
3
hij, op of omstreeks 23 december 2025 te [plaats 1] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd gas)pistool, van het merk Blow, type TR 14, kaliber 7,65 millimeter Browning zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
(art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie)
02-155821-25
1
hij op of omstreeks 19 mei 2025 te Tilburg , in elk geval in Nederland,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Blow, type TR 17, kaliber .380 Auto (= 9 x 17
millimeter) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn van het merk Blow, kaliber .380 auto (9 x 17 millimeter) en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen van het merk Fiocchi (G.F.L.), kaliber .380 Auto (9 x 17 millimeter), voorhanden heeft gehad;
(art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie)
2
hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2025 tot en met 20 mei 2025 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
(art 10 lid 3 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond C Opiumwet)