ECLI:NL:RBZWB:2026:5295

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
25/5692 en 25/5694
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWArt. 27a WWArt. 36 WWArt. 2 Boetebesluit sociale zekerheidswettenArt. 2a Boetebesluit sociale zekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke matiging terugvordering WW-uitkering en boete wegens niet-melden werkzaamheden

Eiseres ontving vanaf februari 2024 een WW-uitkering en verrichtte werkzaamheden zonder deze tijdig te melden aan het UWV. Na onderzoek vorderde het UWV de te veel ontvangen uitkering terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres stelde dat zij haar activiteiten wel had gemeld en dat het UWV onvoldoende had gehandeld.

De rechtbank stelt vast dat de terugvordering over de periode februari tot en met september 2024 terecht is, omdat eiseres toen geen melding maakte. Voor de periode oktober tot en met december 2024 is het UWV echter tekortgeschoten door ondanks de melding van eiseres de uitkering volledig door te betalen. Daarom wordt de terugvordering met 25% gematigd.

Ten aanzien van de boete oordeelt de rechtbank dat het UWV terecht een boete oplegde, maar dat gezien de verminderde verwijtbaarheid en het ontbreken van inkomsten uit de werkzaamheden de boete disproportioneel hoog is. De boete wordt daarom vastgesteld op €150.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten voor zover zij de hoogte van de terugvordering en boete betreffen, herroept de primaire besluiten en legt de nieuwe bedragen vast. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: De terugvordering van de WW-uitkering wordt met 25% gematigd en de boete wordt vastgesteld op €150.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/5692 WW en 25/5694 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de uitkering van eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de aan haar opgelegde boete.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 september 2025 met betrekking tot de terugvordering (bestreden besluit I) en tegen het besluit van 25 september 2025 met betrekking tot de opgelegde boete (bestreden besluit II).
1.2.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. N. Regragui namens het UWV.
1.4.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
2. Eiseres ontving vanaf 1 februari 2024 een WW-uitkering. Op 14 oktober 2024 heeft eiseres bij de Adviseur Werk van het UWV gemeld dat zij af en toe meewerkt in een (verhuis-)bedrijf van een vriend en dat zij bij vrienden schoonmaakt. Het UWV is vervolgens een onderzoek gestart. In het onderzoeksrapport van 16 januari 2025 komt de inspecteur tot de conclusie dat eiseres vanaf 1 januari 2024 werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf] (ontruimingen/verhuizingen) en schoonmaakwerkzaamheden bij vrienden.
2.1.
Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het UWV met de besluiten van 28 februari 2025 de WW-uitkering herzien over de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 december 2024. Eiseres heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.
2.2.
Met een besluit van 3 april 2025 (primair besluit I) heeft het UWV de WW-uitkering van eiseres over de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 december 2024 tot een bedrag van € 5.462,14 teruggevorderd. Met een besluit van 3 april 2025 (primair besluit II) heeft het UWV aan eiseres een boete opgelegd van € 2.731,07. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II.
Grondslag bestreden besluit I en bestreden besluit II
3. Met het bestreden besluit I en bestreden besluit II heeft het UWV de bezwaren ongegrond verklaard. Volgens het UWV is de WW-uitkering van eiseres terecht teruggevorderd en is terecht een boete opgelegd. Met betrekking tot het bestreden besluit I is het UWV gebleken dat eiseres in de periode van 1 februari 2024 tot en met31 december 2024 werkzaamheden heeft verricht. Omdat eiseres geen melding heeft gedaan van die werkzaamheden heeft zij niet voldaan aan de informatieplicht waardoor aan haar te veel WW-uitkering is betaald. Dit moet het UWV terugvorderen. Van een dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken. Met betrekking tot het bestreden besluit II meent het UWV dat eiseres de informatieplicht heeft overtreden. Zij heeft niet tijdig en juist doorgegeven dat zij ten tijde van het ontvangen van de WW-uitkering werkzaamheden heeft verricht. Onvoldoende is aangetoond dat zij de activiteiten eerder heeft vermeld dan in oktober 2024. Voor het opleggen van een boete is niet vereist dat sprake is van opzet. Er zijn geen onjuistheden gebleken in de vaststelling van de hoogte van de boete.
De beroepsgronden
4. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit I primair aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden zodat de terugvordering in zijn geheel moet vervallen. Eiseres heeft in alle contacten met haar begeleidster bij het UWV gedeeld waarmee zij bezig was en dat zij om niet activiteiten had, die mogelijk zijn te kwalificeren als vrijwilligerswerk (om niet) dan wel als een onbetaalde stage. Dat het UWV hier niets mee heeft gedaan kan eiseres niet worden verweten, maar ligt in de verantwoordelijkheidssfeer van de medewerkster van het UWV en dus hiermee bij het UWV. Eiseres heeft geen inkomsten genoten in de betreffende periode en zij was volledig beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Ook tijdens een gesprek op 16 oktober 2024 (de rechtbank begrijpt: 14 oktober 2024) heeft eiseres met haar re-integratiebegeleidster gesproken over de activiteiten die eiseres heeft verricht. De begeleidster heeft niet aangegeven dat eiseres deze activiteiten moest melden en dat dit mogelijke gevolgen zou hebben voor de uitkering. Was dit wel het geval geweest, dan had eiseres deze activiteiten direct gestaakt. Er dient rekening te worden gehouden met de rol van het UWV ter zake. Zonder dat eiseres is gewezen op de consequenties is wel een onderzoek gestart. Het UWV heeft hiermee bewust en onnodig de situatie langer laten voort bestaan dan nodig. Subsidiair stelt eiseres dat voor de periode vanaf 14 oktober 2024 de terugvordering moet vervallen en dat voor de periode van 1 februari 2024 tot 14 oktober 2024 het redelijk zou zijn dat gezien de rol van het UWV de vordering voor 50% komt te vervallen.
4.1.
Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit II aangevoerd dat zij uit eigen beweging het UWV heeft gemeld dat zij gedurende de periode van de WW-uitkering activiteiten om niet heeft verricht. Er is geen sprake van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht en als hier wel sprake van zou zijn valt eiseres geen verwijt te maken. Er kan geen boete worden opgelegd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat door het UWV een boete mag worden opgelegd dan zal rekening moeten worden gehouden met het feit dat eiseres geen geldelijk voordeel heeft gehad bij de activiteiten en met het evenredigheidsbeginsel. Een waarschuwing lijkt dan de aangewezen maatregel dan wel subsidiair een boete ter hoogte van 25% van de vordering.
De terugvordering
5. In geschil is of het UWV op goede gronden de WW-uitkering van eiseres over de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 december 2024 heeft teruggevorderd. De rechtbank stelt voorop dat, voor zover eiseres grieven heeft aangevoerd over de herziening van de WW-uitkering, deze in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Tegen de herziening van de WW-uitkering over de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 december 2024 zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Daardoor staat vast dat de WW-uitkering over die periode onverschuldigd is betaald. Het UWV is op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW gehouden de WW-uitkering terug te vorderen. Op grond van artikel 36, zesde lid, van de WW kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
5.1.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn uitleg van dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving.
5.2.
Het UWV heeft verzuimd in het bestreden besluit aandacht te besteden aan de gewijzigde jurisprudentie van de CRvB inzake dringende redenen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van dringende redenen om gedeeltelijk van terugvordering van de WW-uitkering af te zien. Niet in geschil is dat eiseres op 14 oktober 2024 het UWV heeft geïnformeerd over haar werkzaamheden. Ondanks deze informatie is het UWV door blijven gaan met het (volledig) uitbetalen van de WW-uitkering over de maanden oktober 2024 tot en met december 2024. Door deze handelwijze van het UWV is de vordering onnodig opgelopen. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres al eerder dan 14 oktober 2024 melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden zodat de oorzaak van de terugvordering over de maanden februari 2024 tot en met september 2024 aan haar te wijten is. Gelet op het aandeel van het UWV in de vordering met betrekking tot de maanden oktober 2024 tot en met december 2024 ziet de rechtbank aanleiding de terugvordering te matigen met 25% en zal zij het bedrag van de terugvordering vaststellen op € 4.096,61.
De boete
6. Conform vaste rechtspraak geldt voor het opleggen van een boete dat het UWV moet aantonen dat de inlichtingenplicht is geschonden. [1] Met het onderzoeksrapport van 16 januari 2025 en de verklaringen van eiseres heeft het UWV aangetoond dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden in de periode van 1 februari 2024 tot 14 oktober 2024 door geen melding te doen van haar werkzaamheden bij [bedrijf] en de schoonmaakwerkzaamheden. Het UWV was daarom verplicht om aan eiseres een boete op te leggen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het UWV te worden gevolgd in het standpunt dat er geen ruimte was voor een waarschuwing omdat eiseres niet voldoet aan de hiervoor geldende criteria. Naar het oordeel van de rechtbank is in de situatie van eiseres aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, omdat zij de melding van haar werkzaamheden uit eigen beweging heeft gedaan voordat de overtreding door het UWV was geconstateerd.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak moet de boete evenredig zijn aan de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Gelet op de mate van verwijtbaarheid van eiseres, de omstandigheid dat niet gebleken is dat eiseres een inkomsten heeft genoten met haar werkzaamheden en de overige gebleken omstandigheden, is de door het UWV opgelegde boete naar het oordeel van de rechtbank niet evenredig. De rechtbank acht een boete van € 150,00 passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit I voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit I herroepen voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en bepalen dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 4.096,61.
7.1.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit II voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb het primaire besluit II herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft en de boete vaststellen op €150,00.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,00 en wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit I, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft;
  • herroept het primaire besluit I, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft;
  • bepaalt dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 4.096,61;
  • vernietigt het bestreden besluit II, voor zover het de hoogte van de boete betreft;
  • herroept het primaire besluit II, voor zover het de hoogte van de boete betreft;
  • bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 150,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeeltes van bestreden besluiten I en II;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 16 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Werkloosheidswet
Artikel 25
1. De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. (…)
Artikel 27a
1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 36
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Boetebesluit sociale zekerheidswetten
Artikel 2. Berekening bestuurlijke boete
Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
Artikel 2a. Criteria verwijtbaarheid
(…)
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
(…)
c.de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
Artikel 2aa. Waarschuwing
1. Het bestuursorgaan kan afzien van een bestuurlijk boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien:
a. de overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,–, of
b. de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.
2. Een redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet langer dan 60 dagen nadat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt.

Voetnoten

1.Uitspraak van 2 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:530).