ECLI:NL:RBZWB:2026:53

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/6159, 24/6160 en 24/6161
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de belastingrechter in belastingzaken met betrekking tot loonvorderingen

Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken met de nummers 24/6159, 24/6160 en 24/6161. De rechtbank behandelt de beroepen van de belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de ontvanger van de Belastingdienst, die betrekking hebben op de loonvordering voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2019, 2020 en 2021. De ontvanger had op 12 juli 2024 beslissingen genomen die door de belanghebbende zijn bestreden.

De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd verklaard om de beroepen te behandelen. Dit besluit is genomen op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de rechtbank in staat stelt om zonder zitting uitspraak te doen wanneer zij zich onbevoegd acht. De belastingrechter is in dit geval niet bevoegd om te oordelen over de beslissingen van de ontvanger, omdat de vordering van de ontvanger niet onder de uitzonderingen valt die in de regelgeving zijn opgenomen. Hierdoor kan er geen beroep bij de belastingrechter worden ingesteld, en is het ook niet mogelijk om bezwaar te maken tegen de beslissingen van de ontvanger.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat zij niet in staat is om een inhoudelijke beoordeling van de zaak te maken. De belanghebbende krijgt het betaalde griffierecht van € 51,- terug, maar er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en aan de partijen bekendgemaakt op de datum van de beschikking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6159, 24/6160 en 24/6161

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de ontvanger van 12 juli 2024. De beroepen zien op de loonvordering voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, 2020 en 2021 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.90.01, [aanslagnummer] H.00.01 en [aanslagnummer] H.10.01.
1.1.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. Het doen van een vordering door de ontvanger ten opzichte van een derde op wie een belastingschuldige een vordering heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, geschiedt op grond van de IW. [2] Het doen van deze vordering valt dus niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken. [3]

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van dit beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.
3.1.
Belanghebbende krijgt het griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Dit volgt uit artikel 19 van de Invorderingswet 1990.
3.De mogelijkheid om bezwaar te maken is namelijk bepalend voor de vraag of beroep kan worden ingesteld (artikel 7:1 van de Awb).