ECLI:NL:RBZWB:2026:53

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/6159, 24/6160 en 24/6161
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 19 Invorderingswet 1990Art. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in loonvordering inkomstenbelastingzaken 2019-2021

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de beroepen van belanghebbende tegen uitspraken op bezwaar van de ontvanger van de Belastingdienst betreffende loonvorderingen voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2019, 2020 en 2021.

De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van deze beroepen omdat de belastingrechter in principe niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990 (IW). Voor bepaalde besluiten zijn uitzonderingen, maar het doen van een vordering door de ontvanger op een derde valt niet onder deze uitzonderingen.

Daarom is het ook niet mogelijk om bezwaar te maken tegen deze vorderingen, wat betekent dat beroep bij de belastingrechter niet ontvankelijk is. De rechtbank verklaarde zich dan ook kennelijk onbevoegd en wees het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling.

Het betaalde griffierecht van €51,- wordt aan belanghebbende terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6159, 24/6160 en 24/6161

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de ontvanger van 12 juli 2024. De beroepen zien op de loonvordering voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, 2020 en 2021 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.90.01, [aanslagnummer] H.00.01 en [aanslagnummer] H.10.01.
1.1.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. Het doen van een vordering door de ontvanger ten opzichte van een derde op wie een belastingschuldige een vordering heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, geschiedt op grond van de IW. [2] Het doen van deze vordering valt dus niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken. [3]

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van dit beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.
3.1.
Belanghebbende krijgt het griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Dit volgt uit artikel 19 van Pro de Invorderingswet 1990.
3.De mogelijkheid om bezwaar te maken is namelijk bepalend voor de vraag of beroep kan worden ingesteld (artikel 7:1 van Pro de Awb).