Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken met de nummers 24/6159, 24/6160 en 24/6161. De rechtbank behandelt de beroepen van de belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de ontvanger van de Belastingdienst, die betrekking hebben op de loonvordering voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2019, 2020 en 2021. De ontvanger had op 12 juli 2024 beslissingen genomen die door de belanghebbende zijn bestreden.
De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd verklaard om de beroepen te behandelen. Dit besluit is genomen op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de rechtbank in staat stelt om zonder zitting uitspraak te doen wanneer zij zich onbevoegd acht. De belastingrechter is in dit geval niet bevoegd om te oordelen over de beslissingen van de ontvanger, omdat de vordering van de ontvanger niet onder de uitzonderingen valt die in de regelgeving zijn opgenomen. Hierdoor kan er geen beroep bij de belastingrechter worden ingesteld, en is het ook niet mogelijk om bezwaar te maken tegen de beslissingen van de ontvanger.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat zij niet in staat is om een inhoudelijke beoordeling van de zaak te maken. De belanghebbende krijgt het betaalde griffierecht van € 51,- terug, maar er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en aan de partijen bekendgemaakt op de datum van de beschikking.