Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
2.De feiten
- zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
- zij zijn de eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De vrouw en de man zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en hebben een affectieve relatie gehad. De vrouw verzocht de voorzieningenrechter haar te machtigen om de woning te verkopen en de overwaarde te verdelen, omdat zij de woning heeft verlaten en haar huurwoning uiterlijk eind 2026 moet verlaten. De man wenst de woning over te nemen en betwist het spoedeisend belang van de vrouw.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde verkoop, mede omdat de man bereid is de woning over te nemen en partijen nog geen afspraken hebben gemaakt over de verdeling. Er bestaat discussie over de peildatum van de woningwaarde en het bedrag dat de man kan verrekenen als eigen inbreng. De voorzieningenrechter acht de zaak niet geschikt voor een beslissing in kort geding vanwege de verstrekkende gevolgen.
De vorderingen van de vrouw worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht door een van de partijen.
Uitkomst: De vorderingen van de vrouw tot machtiging tot verkoop van de woning worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onduidelijkheid over waardebepaling en overname.