Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5346

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
02-197625-25, 02-301037-24 (vordering tul), 02-068612-26 (ter zitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen poging zware mishandeling, mishandeling en bedreiging met nepvuurwapen door minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, die werd verdacht van meerdere geweldsdelicten gepleegd in 2025. De feiten betreffen medeplegen van poging tot zware mishandeling door schoppen tegen het hoofd van een slachtoffer, mishandeling van een ander slachtoffer, en bedreiging en dwang met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp jegens een derde slachtoffer.

De rechtbank achtte op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen en forensisch onderzoek wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een medeverdachte het eerste slachtoffer meermalen met meer dan geringe kracht tegen het hoofd had geschopt, wat voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel inhoudt. Ook werd de mishandeling van het tweede slachtoffer bewezen verklaard. De bedreiging en dwang van het derde slachtoffer met een nepvuurwapen werden eveneens bewezen geacht, mede door videobewijs op de telefoon van de verdachte.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 13 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een werkstraf van 150 uur waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de voorwaardelijke straf werden bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder deelname aan interventies gericht op zelfcontrole en traumatherapie, meldplicht bij jeugdreclassering en een contactverbod met de slachtoffers. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde partijen, respectievelijk € 841,38 en € 750,-, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 13 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie, een deels voorwaardelijke werkstraf van 150 uur, en schadevergoedingen aan de slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-197625-25, 02-301037-24 (vordering tul), 02-068612-26 (ter zitting gevoegd)
vonnis van de meervoudige kamer van 19 juni 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
02-197625-25:
1. op 28 juni 2025 heeft geprobeerd om samen met een ander [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen door hem tegen het hoofd te schoppen, subsidiair ten laste gelegd als openlijke geweldpleging;
2. op 26 juni 2025 [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te stompen.
02-068612-26:
1. op 31 december 2025 [slachtoffer 3] heeft bedreigd met een vuurwapen;
2. op 31 december 2025 samen met een ander [slachtoffer 3] onder dreiging van een vuurwapen heeft gedwongen te knielen en sorry te zeggen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op basis van beide dossiers en de beelden alle primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Volgens de verdediging is niet vast te stellen in hoeverre er door verdachte en zijn medeverdachte met kracht is geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer 1] . De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De verdediging refereert zich ook aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken voor de feiten waarbij [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) het slachtoffer is geworden. Verdachte geeft aan dat niet hij, maar iemand anders hierbij betrokken is geweest. Dit alternatieve scenario is niet verder onderzocht waardoor vrijspraak dient te volgen. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, dan is de verdediging van oordeel dat de bewezenverklaring moet zien op het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en niet op een vuurwapen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en
opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-197625-25:
Feit 1:
De rechtbank stelt vast dat er op 28 juni 2025 een geweldincident heeft plaatsgevonden waarbij verdachte en [medeverdachte] betrokken zijn geweest.
Verdachte heeft, samen met [medeverdachte] , de confrontatie opgezocht met [slachtoffer 1] vanwege een onenigheid over een vernieling van een fiets. Verdachte heeft [slachtoffer 1] naar de grond geslagen, waarna hij en de medeverdachte [slachtoffer 1] terwijl hij op de grond lag, meermalen hebben geschopt tegen het lichaam en hoofd. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer 1] zijn hoofd niet afschermt terwijl hij door verdachte en medeverdachte getrapt wordt.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om samen met de medeverdachte [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en komt aldus tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
Op grond van (het proces-verbaal met daarin een beschrijving van) de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat verdachte en medeverdachte meermalen met geschoeide voet met meer dan geringe kracht tegen het hoofd van [slachtoffer 1] hebben geschopt. Op de beelden is te zien dat het hoofd van [slachtoffer 1] meebeweegt op het moment dat er geschopt wordt. Gedurende het schoppen ligt [slachtoffer 1] op de grond en heeft hij, door het geweld wat op hem wordt uitgeoefend, geen mogelijkheid om op te staan.
Door [slachtoffer 1] op deze manier tegen het hoofd te schoppen bestond niet alleen in zijn algemeenheid, maar ook in dit specifieke geval, een aanmerkelijke kans dat er zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Het hoofd is immers een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam en de met meer dan geringe kracht uitgevoerde geweldshandelingen tegen het hoofd kunnen zwaar letsel tot gevolg hebben.
De handelingen van verdachte en zijn medeverdachte zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachten die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook bewust hebben aanvaard. Hiermee is de rechtbank van oordeel dat sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het feit dat verdachte en zijn medeverdachte – volgens afspraak – [slachtoffer 1] hebben “aangepakt” en beiden vervolgens, om en om, geweld hebben toegepast op [slachtoffer 1] , is de rechtbank van oordeel dat van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen sprake was.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] .
Feit 2:
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 26 juni 2025 [slachtoffer 2] heeft mishandeld in het zwembad in [plaats 1] door hem meermalen in het gezicht te slaan. Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij dit feit.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte hem in het zwembad meermalen tegen zijn hoofd en gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige] , die heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen waarna [slachtoffer 2] uit zijn neus bloedde. Daarbij is er ook letsel te zien aan het gezicht van [slachtoffer 2] op de foto’s die aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer 2] en de getuige en acht zijn mishandeling door verdachte wettig en overtuigend bewezen.
02-068612-26:
Feiten 1 en 2:
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de beelden vast dat [slachtoffer 3] op 31 december 2025 met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is gedwongen om op zijn knieën te gaan zitten en excuses te maken. Dit incident is gefilmd en het videobestand is aangetroffen op de telefoon van verdachte. Op de video is onder meer te zien dat [slachtoffer 3] met één knie op de grond zit en er een op een wapen gelijkend voorwerp op hem wordt gericht. Op de videobeelden is onder meer te horen: “
zeg maar sorry [verdachte] anders ga ik je blazen, wollah ik ga hem blazen, zeg maar sorry”. [slachtoffer 3] biedt vervolgens zijn excuses aan door “
sorry [verdachte]” te zeggen. Aangever heeft verklaard dat [verdachte] degene is geweest die hem heeft bedreigd en heeft gedwongen op zijn knieën te gaan zitten.
Verdachte heeft ontkend dat hij dit heeft gedaan en heeft aangegeven dat hij de video heeft geëdit waardoor het lijkt alsof [slachtoffer 3] zijn naam noemt. Verdachte was volgens zijn verklaring de hele avond thuis bij zijn pleegvader.
Uit het onderzoek van de politie in de telefoon van verdachte blijkt dat aannemelijk is geworden dat de video is opgenomen met (en ook is verwijderd van) de telefoon van verdachte. Er zijn bovendien evenmin digitale sporen aangetroffen van een programma “Character AI”, waarmee verdachte zegt de video bewerkt te hebben. Hierbij komt dat dat de telefoon van verdachte rond het tijdstip van het incident aanstraalde op een zendmast vlakbij de plaats delict.
Verdachte heeft het alternatieve scenario geschetst dat het iemand anders is geweest die de feiten tegen [slachtoffer 3] zou hebben begaan. Deze verklaring vindt op geen enkele wijze steun in het dossier, is in strijd met de bewijsmiddelen en wordt daarom terzijde geschoven.
De rechtbank acht beide feiten zoals tenlastegelegd dan ook bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-197625-25:
Feit 1:
op 28 juni 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd hebben geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
op 26 juni 2025 te [plaats 1] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] meermalen te stompen;
02-068612-26:
Feit 1:
op 31 december 2025 te [plaats 3] , gemeente Moerdijk
[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door een op een vuurwapen gelijkend
voorwerp te tonen en te richten op het lichaam van die
[slachtoffer 3] en die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen: zeg maar
sorry [verdachte] anders ga ik je blazen’ en ‘wollah ik ga hem blazen, zeg
maar sorry’;
Feit 2:
op 31 december 2025 te [plaats 3] , gemeente Moerdijk,
[slachtoffer 3] , door bedreiging met
geweld, te weten het tonen van een op
een vuurwapen gelijkend voorwerp en het richten van een
op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het
lichaam van die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te
voegen; ‘zeg maar sorry [verdachte] anders ga ik je blazen’ en ‘wollah ik ga
hem blazen, zeg maar sorry, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, ,
door die [slachtoffer 3] (onder dreiging van een op een
vuurwapen gelijkend voorwerp te laten knielen en die [slachtoffer 3] sorry
te laten zeggen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze voorwaardelijke straf vordert de officier van justitie de voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarbij acht de officier van justitie ook een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] passend. Naast voornoemde straf eist de officier van justitie tevens een werkstraf van 200 uur met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank de strafeis van de officier van justitie te matigen en aansluiting te zoeken bij het advies van de Raad. Voorstelbaar is dat de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie oplegt die gelijk staat aan de periode van het voorarrest van verdachte. Daarbij zou een geheel voorwaardelijke werkstraf kunnen dienen als stok achter de deur.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de
ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van
verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft de medeverdachte ter versterking meegevraagd, omdat verdachte een probleem had met het slachtoffer over een vernielde fiets. Samen hebben ze [slachtoffer 1] meerdere keren geslagen, geschopt en getrapt, ook tegen het hoofd, terwijl [slachtoffer 1] weerloos op de grond lag. [slachtoffer 1] was een speelbal van het op hem door verdachte en medeverdachte uitgeoefende geweld en heeft zich niet kunnen verweren tegen de trappen die hij tegen zijn hoofd kreeg. Dat [slachtoffer 1] niet ernstiger gewond is geraakt, is niet aan verdachten te danken geweest. Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een mishandeling van [slachtoffer 2] en heeft hij, onder dreiging van een (nep)vuurwapen, [slachtoffer 3] op zijn knieën laten zitten en hem sorry laten zeggen. Dit zijn allemaal nare feiten waarbij verdachte met zijn handelen op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Dit soort ernstige feiten heeft naast de impact op het slachtoffer een grote invloed op het veiligheidsgevoel van de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Verdachte liep nog in een proeftijd bij het plegen van voornoemde feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de Raad van 9 maart 2026 en de
toelichting daarop ter zitting. Verdachte kent een belaste geschiedenis en op alle domeinen is sprake van zorgen. Er is een hoge kans op recidive. Verdachte heeft aangegeven dat het nu beter gaat en de Raad spreekt de hoop uit dat verdachte die lijn weet vast te houden. De Raad heeft het advies ter zitting aangepast. Geadviseerd wordt om verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van 2 jaar onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- deelneemt aan een interventie gericht op zelfcontrolevaardigheden en moreel redeneren (gedacht kan worden aan een interventie zoals TOPS);
- meewerkt aan traumatherapie en schematherapie;
- passend onderwijs en/of dagbesteding volgt.
Daarnaast acht de Raad het van belang dat ook de meldplicht en een contactverbod met de slachtoffers als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. De Raad acht een onvoorwaardelijke werkstraf thans niet passend nu ook geadviseerd wordt om de vordering tul toe te wijzen. Er bestaat een risico op overvraging van de verdachte en dit zal mogelijk zijn behandeling doorkruisen.
De voogdes heeft ter zitting verklaard dat het de afgelopen maanden beter gaat met verdachte. Hij houdt zich goed aan de voorwaarden van de jeugdreclassering en hij komt ook de meldplicht na. De verdacht is aangemeld bij [kliniek] voor een behandeling zoals is geadviseerd in het persoonlijkheidsonderzoek. Er is nu een wachtlijst van ongeveer 4 maanden tot de start van zijn behandeling. Verdachte volgt dagbesteding vier dagen per week. De voogdes kan zich vinden in het strafadvies van de Raad.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de psycholoog drs. [psycholoog] van 16 oktober 2025. Zij adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog benadrukt het belang van het inzetten van een interventie gericht op het verbeteren van zelfcontrolevaardigheden en moreel redeneren (te denken valt aan TOPs). Daarnaast is traumabehandeling gecombineerd met schematherapie geïndiceerd. Dit is helpend voor het vergroten van zijn empathisch vermogen. Daarnaast is het belangrijk dat zijn prosociale netwerk wordt uitgebreid en hij een vaste daginvulling krijgt.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop, nu de feiten onder parketnummer 02-068612-26 zijn voortgekomen uit een en hetzelfde feitencomplex.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten zoals door verdachte gepleegd een jeugddetentie, al dan niet in voorwaardelijke vorm, rechtvaardigt. Gelet op alle omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 13 dagen, met aftrek van het voorarrest op te leggen. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw in de jeugdgevangenis terecht komt. Daarnaast acht de rechtbank een deels voorwaardelijke werkstraf op zijn plaats, enerzijds om recht te doen aan de ernst van de feiten en anderzijds om de aan verdachte benodigde hulp en ondersteuning te continueren en te waarborgen. Tevens dient het er toe verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen, wetende wat hem dan boven het hoofd hangt. De rechtbank zal verdachte opleggen een werkstraf voor de duur van 150 uur waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze proeftijd koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.

7.De benadeelde partij

02-197625-25:
Feit 2:
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 841,38 voor feit 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 841,38, waarvan € 441,38 materiële schade en € 400,- immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 26 juni 2025.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het
toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het
feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de
gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
02-068612-26:
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 4.500,- voor feiten 1 en 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Gelet op het feit en de toelichting van de vordering ter terechtzitting, rechtvaardigt de conclusie dat er sprake is van aantasting in de persoon. Dit betekent dat een vergoeding voor immateriële schade kan worden toegewezen.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 750,- billijk en daarom toewijsbaar.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het
feit werd gepleegd, te weten 31 december 2025.
De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het
toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het
feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de
gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 60 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 3 december 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 284, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-197625-25:
feit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling;
feit 2:mishandeling;
02-068612-26:
De eendaadse samenloop van:
feit 1:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
feit 2:een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 13 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de
rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna
vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zich gedurende en door jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
* deelneemt aan een interventie gericht op zelfcontrolevaardigheden en moreel redeneren (gedacht kan worden aan een interventie zoals TOPS);
* meewerkt aan traumatherapie en schematherapie;
* zich inzet voor een zinvolle dagbesteding/werk en/of passend onderwijs;
* op geen enkele wijze, direct of indirect, contact heeft met de slachtoffers:
- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012;
- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 3] 2010;
zulks ter beoordeling van de officier van justitie en zolang de officier van justitie dit contactverbod noodzakelijk acht. Het contactverbod omvat alle vormen van contact, zowel fysiek als contact via bijvoorbeeld post, telefoon, internet, sociale media of e-mail;
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt deze gecertificeerde instelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling het Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, locatie Rotterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partijen
02-197625-25:
T.a.v. feit 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 841,38, waarvan € 431,38 aan materiële schade en € 400,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2]
, € 841,38 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kunnen worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
02-068612-26 :
T.a.v. feiten 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 750,-, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 3]
, € 750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kunnen worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
De vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 3 december 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-301037-24
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
60 uren werkstraf, subsidiair 30 dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis (02/197625-25)
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. I.M.L Felix en mr. S.C.S. van Bree, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.