Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[bewindvoerder] B.V., gevestigd te [plaats 1] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene](betrokkene), uit [plaats 2] , verzoekster,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster, als bewindvoerder van betrokkene, stelde beroep in tegen het besluit van het UWV van 12 april 2023 waarin de aanvraag voor een Wajong-uitkering werd afgewezen. Op 20 januari 2026 wijzigde het UWV dit besluit en kende alsnog met terugwerkende kracht vanaf 20 januari 2022 een Wajong-uitkering toe aan betrokkene.
Nadat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen, trok verzoekster het beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank liet een behandeling ter zitting achterwege en oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:75a Awb in de proceskosten veroordeeld kon worden.
De proceskosten werden vastgesteld op € 3.200,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij punten werden toegekend voor het indienen van bezwaarschrift en beroepschrift en het verschijnen op hoorzitting en zitting. Daarnaast werd overwogen dat het griffierecht van € 50,- door het UWV vergoed moet worden zonder dat een veroordeling daarvoor nodig is.
De rechtbank veroordeelde het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.200,-. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M.L.E. Ides Peeters op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoekster na toekenning van de Wajong-uitkering.