Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5350

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
02-301450-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minderjarige veroordeeld voor medeplegen poging zware mishandeling met schoppen tegen het hoofd

Op 28 juni 2025 heeft de minderjarige verdachte samen met een medeverdachte geprobeerd het slachtoffer zwaar te mishandelen door hem meermalen tegen het hoofd te schoppen. De rechtbank acht dit medeplegen wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte, aangifte van het slachtoffer en het proces-verbaal van bevindingen.

De verdediging erkent dat verdachte één trap heeft gegeven, maar verzoekt om partiële vrijspraak voor de overige trappen. De rechtbank wijst dit af omdat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, waardoor alle geweldshandelingen als medeplegen worden aangemerkt.

De rechtbank houdt rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, spijtbetuiging en advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De opgelegde straf is een werkstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, verbonden aan diverse bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en gedragsverbetering.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, wegens medeplegen van poging zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-301450-25
vonnis van de meervoudige kamer van 19 juni 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. L. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 juni 2025 heeft geprobeerd om samen met een ander [slachtoffer] zwaar te mishandelen door hem tegen het hoofd te schoppen, subsidiair ten laste gelegd als openlijke geweldpleging;

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft één trap gegeven tegen het hoofd van aangever. De verdediging verzoekt partiele vrijspraak voor het geven van meerdere trappen nu de medeverdachte daarvoor verantwoordelijk is.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 juni 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 2 mei 2024, pagina's 27-28
van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025169720;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant], pagina 41-43 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025169720.
4.3.2
De rechtbank passeert het standpunt van de verdediging dat een partiële vrijspraak dient te volgen voor het
meermalenschoppen tegen het hoofd.
Gelet op het feit dat verdachte heeft verklaard een afspraak te hebben gemaakt met de medeverdachte om hem te helpen [slachtoffer] aan te pakken, dat hij tevens wist dat het “iets met een gevecht” zou zijn en dat – gezien (het proces-verbaal met daarin een beschrijving van) de beelden – verdachte en zijn medeverdachte beiden een aandeel in de geweldsexplosie hadden, waarbij zij beiden om en om geweld hebben toegepast op [slachtoffer], is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen sprake was.
Dit oordeel brengt met zich dat de geweldshandelingen van zowel verdachte als zijn medeverdachte in de bewezenverklaring kunnen worden opgenomen en van een partiële vrijspraak geen sprake kan zijn.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 28 juni 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd hebben geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Aan deze voorwaardelijke straf verzoekt de officier van justitie de voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de strafeis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdediging verzoekt de rechtbank de officier van justitie te volgen in haar strafeis.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de
ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van
verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van [slachtoffer]. Verdachte is op verzoek van de medeverdachte ter versterking meegegaan, omdat die probleem had met het slachtoffer over een vernielde fiets. Samen hebben ze [slachtoffer] zonder directe aanleiding meerdere keren geslagen en geschopt, ook tegen het hoofd, terwijl [slachtoffer] weerloos op de grond lag. [slachtoffer] was een speelbal van het op hem door verdachte en medeverdachte uitgeoefende geweld en heeft zich niet kunnen verweren tegen de schoppen die hij tegen zijn hoofd kreeg. Dat [slachtoffer] niet ernstiger gewond is geraakt, is niet aan verdachten te danken geweest. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden. Dit soort ernstige feiten heeft naast de impact op het slachtoffer een grote invloed op het veiligheidsgevoel van de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor geweldsdelicten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de Raad van 20 mei 2026 en de
toelichting daarop ter zitting. Er zijn veel zorgen op de verschillende leefgebieden. Er is volgens de door de Raad verkregen informatie van betrokkenen sprake van persoonlijke problematiek. Daarnaast is er sprake van een belast verleden. Er is sprake van uitval op school. Er wordt echter ook een jongen gezien die oprecht spijt betuigt van hetgeen er is gebeurd en ook graag middels een hersteltraject zijn excuses aan wil bieden aan het slachtoffer. Zorg is hier voorliggend. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van 1 jaar. Aan deze proeftijd verzoekt de Raad, naast de algemene voorwaarde, de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen, te weten dat verdachte:
- meewerkt aan een breed persoonlijkheidsonderzoek en de daaruit volgende
(behandel)adviezen;
- meewerkt aan de reeds opgestarte inzet van [hulpverlening], zowel op individueel
als systemisch vlak;
- toewerkt naar passend onderwijs en/of dagbesteding;
- inzicht geeft in zijn middelengebruik (alcohol en drugs) en de hierop (mogelijk)
volgende (behandel)adviezen.
De rechtbank ziet aanleiding tevens de meldplicht bij de jeugdreclassering op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geformuleerde strafeis recht doet aan de ernst van het feit en ook het belang van hulpverlening voor de verdachte tot uiting brengt. De rechtbank zal de straf opleggen zoals geëist door de officier van justitie, te weten een werkstraf van 100 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van een poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de
rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna
vernielde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zich gedurende en door jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
* meewerkt aan een breed persoonlijkheidsonderzoek en de daaruit volgende
(behandel)adviezen;
* meewerkt aan de reeds opgestarte inzet van [hulpverlening], zowel op individueel
als systemisch vlak;
* toewerkt naar passend onderwijs en/of dagbesteding;
* inzicht geeft in zijn middelengebruik (alcohol en drugs) en de hierop (mogelijk)
volgende (behandel)adviezen.
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt deze gecertificeerde instelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting
(WSS) te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde
bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M.L. Felix, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. S.C.S. van Bree, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.