Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5360

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
02-034325-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verduistering geldbedragen door werknemer tot taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte heeft zich in de periode van 6 oktober 2022 tot en met 30 oktober 2024 schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen ter hoogte van €48.887,60, afkomstig van haar werkgever. Zij maakte gebruik van haar positie als medewerker om meerdere malen geldbedragen onrechtmatig over te boeken naar haar persoonlijke rekeningen, onder valse factuurnummers.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk geldbedragen heeft toegeëigend, mede op basis van haar bekennende verklaring, aangifte van de werkgever en het proces-verbaal van bevindingen. De verdediging betwistte het exacte bedrag, maar dit werd door de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank hield rekening met de stelselmatigheid, de omvang van het verduisterde bedrag en het misbruik van vertrouwen. Verdachte leefde boven haar stand en nam geen verantwoordelijkheid voor haar handelen. De reclassering constateerde een laag-gemiddeld recidiverisico en adviseerde een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank legde een taakstraf van 200 uren op, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst van het delict en het aanwezige recidiverisico, ondanks het tijdsverloop en de huidige situatie van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 200 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar wegens verduistering van €48.887,60.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-034325-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. N.A.H. Limbourg, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. K. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 6 oktober 2022 tot en met 30 oktober 2024 uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking geldbedragen, totaal ter hoogte van € 48.887,60, heeft verduisterd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking geldbedragen, met een totaal van € 48.887,60, heeft verduisterd en wijst hierbij onder meer op de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2025 én de verklaring van verdachte zelf.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, aangezien verdachte bekent zich schuldig te hebben gemaakt aan verduistering uit hoofde van haar dienstbetrekking. De verdediging betwist echter wel het tenlastegelegde bedrag en stelt dat uit nacalculatie blijkt dat het weggenomen bedrag maximaal € 45.000,00 bedraagt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit op zich een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 4 juni 2026;
- de aangifte namens [bedrijf] van 7 januari 2025, pagina 24 tot en met
26 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025005237 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 153;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 12 februari 2025, pagina 112 tot en met 119 van voornoemd eindproces-verbaal.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank overweegt dat verdachte ter zitting heeft bekend dat zij in de periode van
6 oktober 2022 tot en met 30 oktober 2024 onrechtmatig meerdere geldbedragen heeft overgeboekt van de bedrijfsrekening van haar werkgever naar haar persoonlijke bankrekeningen bij de ABN AMRO en ING. Bij deze overboekingen heeft verdachte telkens als omschrijving een vals factuurnummer gebruikt. Daarnaast heeft verdachte eenmalig de betaling van een persoonlijk tandartsbezoek van de bedrijfsrekening gepind. Over de overboekingen met de omschrijving ‘boodschappen’ verklaart verdachte dat dit rechtmatige betalingen betreffen aangezien zij voor haar werkgever soms boodschappen voorschoot en zichzelf op deze wijze terugbetaalde. Hoewel het om meerdere onrechtmatige betalingen gaat kan verdachte zich niet voorstellen dat het in totaal om het bedrag uit de tenlastelegging gaat.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting met betrekking tot het weggenomen totaal bedrag het volgende vast.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2025 volgt dat er in de genoemde periode een totaalbedrag van € 13.724,03 aan valselijk opgemaakte facturen is overgeboekt naar de persoonlijke ABN AMRO rekening van verdachte. Uit de aangifte volgt aan overgemaakte valse facturen naar deze rekening een bedrag van € 11.685,03. In de aangifte is namelijk de ‘factuur’ van 17 april 2025 ter hoogte van € 2.039,00 niet meegenomen. Aangezien deze ‘factuur’ wel blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2025 én verdachte ter zitting heeft verklaard dat zij in die periode geldbedragen op deze wijze heeft overgeboekt, stelt de rechtbank het onrechtmatig overgeboekte bedrag naar de ABN AMRO rekening vast op € 13.724,03.
Uit de aangifte volgt verder dat er in de genoemde periode aan valse facturen een bedrag van € 35.004,58 is overgeboekt naar de ING rekening van verdachte. Uit nacalculatie van de bedragen uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2025 op pagina 116 van het dossier blijkt echter dat er op deze wijze naar de ING rekening een bedrag van
€ 35.005,08 is overgeboekt. De rechtbank stelt het onrechtmatig overgeboekte bedrag naar de ING rekening in het voordeel van verdachte vast op € 35.004,58.
Uit de aangifte en de verklaring van verdachte ter zitting volgt tot slot nog een onrechtmatige pinbetaling bij de tandarts ter hoogte van € 193,60, wat leidt tot een totaalbedrag van € 48.922,21 (€ 13.724,03 + € 35.004,58 + € 193,60).
De rechtbank overweegt dat uit het dossier dus een hoger totaalbedrag van € 48.922,21 blijkt dan de € 48.887,60 die aan verdachte ten laste is gelegd. In het voordeel van verdachte zal de rechtbank dit hogere bedrag niet bewezen verklaren, maar het houden bij het ten laste gelegde bedrag. Over het verweer van verdachte, dat zij zich gewoon niet kan voorstellen dat het een dergelijk hoog bedrag betreft, overweegt de rechtbank in navolging van het Openbaar Ministerie, dat verdachte over een lange periode telkens geldbedragen ter hoogte van honderden tot enkele duizenden euro’s naar zichzelf heeft overgeboekt. Deze bedragen bij elkaar opgeteld leiden simpelweg tot het voornoemde totaalbedrag. Het verweer van de verdediging, dat uit nacalculatie blijkt dat het bedrag ten hoogste € 45.000,00 kan bedragen, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling is onvoldoende om aan te nemen dat bepaalde bedragen in die periode wél rechtmatig zijn overgeboekt. Ten aanzien van de overboekingen met de omschrijving ‘boodschappen’ van in totaal € 158,39, acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat dit door haar voorgeschoten bedragen voor boodschappen waren geloofwaardig. Zij zal dit bedrag dan ook niet meenemen in de hoogte van het bewezenverklaarde door verdachte verduisterde bedrag.
Alles overwegend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 6 oktober 2022 tot en met 30 oktober 2024 uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking opzettelijk én wederrechtelijk geldbedragen ter hoogte van
totaal
€ 48.887,60heeft toegeëigend.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op meerdere tijdstippen in de periode van 6 oktober 2022 tot en met 30 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Drimmelen, telkens opzettelijk, meerdere geldbedragen (in totaal ter hoogte van 48.887,60 euro),
dietoebehoorden aan [bedrijf] B.V.
en welke geldbedragen verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten
als medewerker van [bedrijf] B.V., onder zich had,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
Gelet op de geldende richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de justitiële documentatie van verdachte én het feit dat het gaat om een oude zaak vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de hoogte van de taakstraf aan het oordeel van de rechtbank. Nu er geen recidiverisico bestaat, verzoekt de verdediging om verdachte geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een voorwaardelijke straf voegt in de visie van de verdediging onder deze omstandigheden niets meer toe.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende twee jaren schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen, met een totale waarde van € 48.887,60. De verduistering heeft lange tijd geduurd, er was sprake van stelselmatigheid, het gaat om een aanzienlijk verduisterd bedrag en zij heeft telkens haar bijzondere positie als werknemer misbruikt om zichzelf te verrijken. Zij had het financieel moeilijk en heeft daarom over een lange periode telkens (grote) geldbedragen weggenomen. Verdachte leefde op te grote voet en heeft meerdere keren een foute keuze gemaakt. Verdachte is tijdens het onderzoek ter terechtzitting uitvoerig bevraagd over haar motief. Verdachte heeft daarop steeds weer gewezen op allerlei omstandigheden buiten haarzelf, die haar hiertoe zouden hebben bewogen. Zo was het een turbulente tijd op kantoor, omdat haar werkgever een hersentumor had en bijna niet aanwezig was, had zij ruzie met haar familie, waaronder haar dochter en was het een bende op kantoor. Verdachte lijkt daarbij amper verantwoordelijkheid voor haar handelen te nemen en wijt haar handelen vooral aan allerlei zaken buiten haar. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat zij stelselmatig op deze wijze aanzienlijke geldbedragen van haar zieke werkgever heeft weggenomen, die haar, zo bleek, ten onrechte vertrouwde met de toegang tot de bedrijfsrekening. Na de ontdekking van het verduisterde bedrag heeft verdachte ook geen enkele moeite gedaan om het weggenomen geldbedrag aan haar werkgever te retourneren. Ook dat neemt de rechtbank haar kwalijk.
De rechtbank slaat acht op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor twee andersoortige feiten, maar er is geen sprake van recente veroordelingen.
Ook houdt de rechtbank rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. Hieruit blijkt dat er ten tijde van het bewezen verklaarde problemen waren op het gebied van financiën en psychosociaal functioneren. Inmiddels heeft verdachte een vaste baan van 32 uur per week als HR-medewerker. Zij kan rondkomen van hetgeen zij verdient en heeft de schulden die zij buiten het ontvreemde bedrag had, afbetaald. Met haar huidige salaris, kan zij het ontvreemde bedrag in delen terugbetalen en zij is voornemens dit ook te doen. Gezien het feit dat het delict al enige tijd geleden is gepleegd, er op dit moment
geen problemen spelen op psychosociaal vlak en de schulden buiten het ontvreemde bedrag zijn betaald, ziet de reclassering op dit moment geen aanknopingspunten voor het opleggen van een interventie vanuit de reclassering. De reclassering adviseert het opleggen van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank overweegt dat de inschatting van de reclassering van het laag-gemiddeld recidiverisico niet maakt dat er geen gevaar op herhaling bestaat, zoals door de verdediging is gesteld. Zeker gelet op de wat bagatelliserende proceshouding van verdachte acht de rechtbank een recidiverisico wel degelijk aanwezig en acht zij het opleggen van een voorwaardelijke straf met een proeftijd ondanks het tijdverloop passend. Gelet op de ernst van de feiten én het gebrek aan zelfreflectie bij verdachte zou een taakstraf voor de maximale duur naar het oordeel van de rechtbank passend zijn geweest. Gelet op de reeds verstreken tijd zal de rechtbank echter aansluiten bij de eis van de officier van justitie en legt zij aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 200 uren én een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 200 uren;
- beveelt dat, indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
100 dagen;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter,
mr. M.E.I. Beudeker en mr. H. Faouzi. rechters,
in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 juni 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
zij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 6 oktober 2022
tot en met 30 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Drimmelen, althans in Nederland,
(telkens) opzettelijk
meerdere geldbedragen (in totaal ter hoogte van 48.887,60 euro), in elk geval enig
goed,
dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf] B.V., in elk geval
aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten
als medewerker van [bedrijf] B.V., in elk geval anders dan door
misdrijf onder zich had,
wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
( art 321 Wetboek Pro van Strafrecht, art 322 Wetboek Pro van Strafrecht )