Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5362

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/6433 en 24/7900
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1, eerste lid, onder c, van de WaboArt. 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de WaboArt. 2:28, derde lid, onder a, van de APVArt. 4.3 van de Invoeringswet OmgevingswetArt. 4, elfde lid, van bijlage II bij het Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunningen trouwlocatie wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak over de verlening van een omgevingsvergunning en exploitatievergunning aan een vergunninghoudster voor een trouwlocatie en uitbreiding van een Bed & Breakfast. Eiseres, een omwonende, maakte bezwaar tegen deze vergunningen vanwege geluidsoverlast, verkeersaantrekkende werking en parkeeraspecten.

De rechtbank oordeelt dat de besluiten van het college en de burgemeester onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd. Met name is onvoldoende onderzocht en gemotiveerd of het incidenteel gebruik van de tuin als trouwlocatie met 150 gasten (situatie 4) voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook is onvoldoende aandacht besteed aan de frequentie van evenementen en ontbraken voorschriften over openings- en sluitingstijden.

Daarnaast is het college tekortgeschoten in het stellen van duidelijke voorschriften over parkeren, en heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd dat de exploitatievergunning niet leidt tot een ontoelaatbare nadelige invloed op de woon- en leefsituatie. De beroepen van eiseres worden gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en verweerders opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden griffierechten en proceskosten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevings- en exploitatievergunningen wegens onvoldoende motivering en draagt op tot nieuwe besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/6433 en 24/7900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
en
1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaalhet college (verweerder in de zaak 24/6433)
2. de burgemeester van de gemeente Reimerswaalde burgemeester
(verweerder in de zaak 24/7900)
tezamen verweerders,
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[vergunninghoudster], uit [woonplaats] , vergunninghoudster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning en een exploitatievergunning aan vergunninghoudster voor een trouwlocatie en uitbreiding van de Bed & Breakfast op het perceel [adres 1] in [woonplaats] . Eiseres is het niet eens met de verlening van die vergunningen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende vergunningen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten van verweerders onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster woont in een landhuis op het perceel [adres 1] in [woonplaats] (het perceel).
2.1.
Op 22 augustus 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Haar initiatief betreft het tijdelijk afwijken van het bestemmingplan ‘Buitengebied 2022’ voor het mede gebruiken van het landhuis als trouwlocatie en de uitbreiding van de eerder vergunde Bed & Breakfast (B&B) van twee naar vijf kamers.
De aanvraag is voorzien van een positieve reactie op een eerder ingediend principeverzoek, een ruimtelijke motivering van [adviesbureau] , tekeningen, een verkeerstelling, een ecologische quickscan, een berekening van de stikstofdepositie, en een akoestisch onderzoek.
2.2.
Met het besluit van 3 januari 2024 (primair besluit I) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Het is een tijdelijke omgevingsvergunning voor een periode van 10 jaar.
2.3.
Eiseres woont op het perceel [adres 2] in [woonplaats] en heeft samen met een aantal andere omwonenden bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevings-vergunning.
2.4.
Op 16 januari 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning horecabedrijf zoals bedoeld in artikel 2:28 van Pro de Algemene plaatselijke verordening 2020 gemeente Reimerswaal (de APV).
2.5.
Met het besluit van 26 maart 2024 (primair besluit II) heeft de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning verleend.
2.6.
Tegen de verlening van de exploitatievergunning heeft eiseres ook bezwaar gemaakt.
2.7.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 (bestreden besluit I) op de bezwaren van de omwonenden is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
2.8.
Met het bestreden besluit van 4 oktober 2024 (bestreden besluit II) op de bezwaren van eiseres is de burgemeester bij de verlening van de exploitatievergunning gebleven.
2.9.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.10.
Verweerders hebben op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.11.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij niet aanwezig, zij werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Namens verweerders waren aanwezig [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Vergunninghoudster was ook aanwezig.
2.12.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen overeenstemming te bereiken.
2.13.
Nadat gebleken is dat overeenstemming niet kon worden bereikt, en nadat geen van de partijen heeft aangegeven opnieuw te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 8 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De omgevingsvergunning
3. Het bestreden besluit I is gebaseerd op de Wabo. Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de rechtbank af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag dateert van 22 augustus 2023 en daarom blijft de Wabo hier van toepassing.
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’
4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. [1]
4.1.
Het perceel ligt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ en heeft daarin de bestemming ‘Wonen’, de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2, de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar 15’, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – landhuizen’ en deels de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’. ’
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank stelt vast, dat het initiatief van vergunninghoudster in strijd is met het bestemmingsplan, omdat deze gronden uitsluitend bestemd zijn voor wonen en tevens voor landhuizen. [2] Het beoogde gebruik als trouwlocatie en B&B met vijf kamers is in strijd met het bestemmingsplan.
4.3.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. [3]
4.4.
Op grond van artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) komt ander gebruik of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 voor een termijn van ten hoogste tien jaar in aanmerking voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. In dat geval kan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo van het bestemmingsplan worden afgeweken.
4.5.
Een dergelijke omgevingsvergunning kan worden verleend indien het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de vergunde situatie zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Tussen partijen is niet in geschil dat de omgevingsvergunning in beginsel kon worden verleend met toepassing van artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Bor.
Goede ruimtelijke ordening
5. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Wat is het standpunt van het college?
6. Het college heeft medewerking verleend aan het initiatief van vergunninghoudster voor een periode van 10 jaar. Daartoe overweegt het college dat, gelet op de grote oppervlakte van het pand en de beoogde indeling daarvan, met het uitbreiden van de B&B van twee naar vijf kamers (met maximaal 10 gasten) de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft op dagen dat er geen evenement plaatsvindt. Het college vindt dit initiatief een waardevolle aanvulling op het bestaande gemeentelijke en regionale aanbod op het gebied van horecavoorzieningen.
Verder stelt het college dat door het initiatief van vergunninghoudster geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, en dat de aangeleverde onderzoeken uitwijzen dat de kwaliteit van het woon- en leefklimaat van omliggende percelen niet onevenredig wordt aangetast.
Ook overweegt het college dat de verkeersveiligheid niet wordt aangetast, aangezien de ruimtelijke onderbouwing laat zien dat de wegenstructuur de extra verkeersbewegingen aankan, hierop akkoord is gegeven door de beheerder van de weg (Waterschap Scheldestromen) en omdat op eigen terrein in de parkeerbehoefte van minimaal 67 parkeerplaatsen kan worden voorzien.
Wat is het standpunt van eiseres?
7. Eiseres heeft in bezwaar en in beroep gronden aangevoerd die zien op de geluidsbelasting, de verkeersaantrekkende werking en het parkeeraspect van het gebruik als trouwlocatie. Volgens eiseres verwijst het college te gemakkelijk naar de verschillende onderzoeksrapporten. Het college stelt in de beslissing op bezwaar enkel dat er geen deskundig tegenadvies is overgelegd en dat er daarom geen aanleiding is om te veronderstellen dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat eiseres geen bezwaren heeft tegen de uitbreiding van de B&B naar vijf kamers. Dit onderdeel van de omgevingsvergunning zal de rechtbank daarom verder onbesproken laten.
Geluid
8. Eiseres betwist verschillende uitgangspunten die aan het akoestisch onderzoek ten grondslag zijn gelegd. Zo gaat de deskundige bij stemgeluid enkel uit van stemgeluid in een feesttent en niet ook buiten de feesttent. De stelling van het college dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als er wordt voldaan aan de normen en grenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), is volgens haar onjuist. De toets aan de goede ruimtelijke ordening is immers breder dan de toets aan het Activiteitenbesluit.
Verder wijst eiseres erop dat het college stelt dat aan de geluidsnormen wordt voldaan bij de representatieve bedrijfssituaties (situatie 1, 2 en 3) waarvoor de vergunning is verleend.
De overige situatie (situatie 4) heeft het college volgens eiseres ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Dat er bij situatie 4 een ontheffing van de geluidnormen vereist is, is niet hetzelfde als een toets aan de goede ruimtelijke ordening. Het college had bij de verlening van deze omgevingsvergunning ook situatie 4 moeten beoordelen, omdat situatie 4 met deze omgevingsvergunning planologisch wordt toegestaan. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting in situatie 4 varieert van 66 tot 69 dB. Conform het stappenplan uit de VNG-brochure kom je dan in stap 4 terecht: in beginsel is er geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, tenzij met een grondige motivering wordt aangetoond dat dit wel het geval is. Niet alleen de decibellen, maar ook de frequentie van de evenementen is daarbij van belang.
Ten slotte wijst eiseres erop dat voorschriften ten aanzien van openings- en sluitingstijden in de omgevingsvergunning ontbreken. Het college kan hierbij niet verwijzen naar de exploitatievergunning, nu die alleen ziet op het gebruik van de keuken ten dienste van de evenementen en niet op de evenementen zelf.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat namens het college op de zitting is erkend dat situatie 4 (het incidenteel gebruik van de tuin als trouw-/feestlocatie met 150 gasten) wel onderdeel uitmaakt van de aanvraag van vergunninghoudster, maar dat daar niet op is beslist. Dat situatie 4 geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag gelet op de mailwisseling in bijlage 10 van het procesdossier, zoals het college eerst op de zitting heeft betoogd, volgt de rechtbank niet.
Dit betekent dat het college niet heeft beoordeeld of dat gebruik niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en of een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden is gewaarborgd. Het college had een afweging moeten maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze grote bijeenkomsten. Bestreden besluit I is daarom onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
Het college heeft in zijn beoordeling ook niet betrokken of er eventueel voorschriften aan de omgevingsvergunning zouden kunnen worden verbonden in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Het college kan daarvoor niet verwijzen naar de exploitatie-vergunning, omdat die slechts is verleend voor een periode van vijf jaar en op grond van een ander toetsingskader wordt beoordeeld dan de goede ruimtelijke ordening.
Verder heeft eiseres terecht aangevoerd dat de toets of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat breder is dan de toets of er wordt voldaan aan de normen en grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Het is vaste rechtspraak [4] dat bij de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd, niet kan worden volstaan met een toets aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Bij die beoordeling dient ook geluid te worden betrokken waarop die grenswaarden geen betrekking hebben.
De rechtbank overweegt voorts dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de frequentie van de trouwfeesten, terwijl dit wel ruimtelijk relevant is. De rechtbank acht het niet bezwaarlijk om ook ten aanzien van de frequentie voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, nu er passende voorschriften denkbaar zijn waarbij rekening wordt gehouden met (geluids-)effecten voor omwonenden, zeker in het trouwseizoen.
Vanwege de door de rechtbank geconstateerde gebreken aan de verlening van de omgevingsvergunning, zal het beroep tegen bestreden besluit I gegrond worden verklaard en het bestreden besluit I worden vernietigd. Het college zal opnieuw op de aanvraag van vergunninghoudster moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Verkeersaantrekkende werking
9. Eiseres voert aan dat [adviesbureau] in de ruimtelijke onderbouwing bij de paragraaf over ‘Verkeer en parkeren’ alleen de toegang tot het terrein via de zuidzijde heeft onderzocht. Dit terwijl uit het bestreden besluit blijkt dat vooral gebruik wordt gemaakt van de noordzijde om te komen tot het terrein van vergunninghoudster. De omwonenden hebben aangegeven dit bezwaarlijk te vinden omdat de [straat] een smalle weg is, waardoor verkeersgevaarlijke situaties ontstaan en het verkeer ook veel overlast veroorzaakt.
Er is volgens eiseres niet onderzocht of de [straat] de toename van het aantal verkeersbewegingen veilig kan verwerken.
9.1.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In de ruimtelijke onderbouwing staat duidelijk uiteengezet het aantal voertuigen en het aantal verkeersbewegingen dat per type gelegenheid wordt verwacht. [adviesbureau] gaat daarbij uit van ontsluiting van de locatie via de weg [straat] ; daar is de hoofdingang van het terrein en de parkeergelegenheid voorzien. Vervolgens is het type weg [straat] onderzocht (erftoegangsweg), zijn er verkeerstellingen geweest en is de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan berekend (maximaal 60 motorvoertuigbewegingen). Er is dus wel onderzocht of, en gebleken dat, de [straat] de toename van het aantal verkeersbewegingen kan verwerken. De enkele vrees van eiseres voor verkeersgevaarlijke situaties en verkeersoverlast is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen over het deskundigenadvies over de verkeerseffecten.
Parkeren
10. Eiseres stelt dat de parkeervakken niet feitelijk zijn gerealiseerd. Het college stelt dat dit een handhavingskwestie betreft, maar eiseres is daar niet van overtuigd. Het college stelt enkel dat het aspect parkeren conform een goede ruimtelijke ordening is, omdat de parkeerbehoefte op het eigen terrein kan worden opgelost. De omgevingsvergunning bevat dus niet het voorschrift dat de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost. Eiseres vindt dat dat had gemoeten, en anders vraagt zij de rechtbank te bevestigen dat parkeren buiten het eigen terrein niet is vergund en dus een overtreding van de omgevingsvergunning oplevert.
10.1.
De rechtbank vindt het op zichzelf aannemelijk dat er voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein van vergunninghoudster kan worden gerealiseerd.
Nu het college echter vanwege de geconstateerde gebreken in overweging 9.1 van deze uitspraak een nieuw besluit zal moeten nemen, zal het college daarbij ook duidelijke voorschriften kunnen en moeten stellen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen die ook in stand moeten worden gehouden, zodat omwonenden om handhaving kunnen verzoeken als dit voorschrift over de vergunde parkeersituatie niet wordt nageleefd.
De exploitatievergunning
11. Eiseres heeft tegen bestreden besluit II aangevoerd dat de verlening van de exploitatievergunning – net als de bezwaren van eiseres hiertegen – niet los kan worden gezien van de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning. Eiseres is van mening dat de redenen waarom de omgevingsvergunning is strijd is met een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat, dezelfde zijn als de redenen waarom met de exploitatievergunning de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Daarom wordt in de bezwaar- en beroepsgronden tegen de exploitatievergunning verwezen naar de bezwaar- en beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning. Eiseres is van mening dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren op grond van artikel 2.28, derde lid, onder a, van de APV, omdat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de locatie op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
11.1.
De rechtbank overweegt dat, aangezien een aantal beroepsgronden tegen de verleende tijdelijke omgevingsvergunning slagen, de beroepsgronden tegen de verleende exploitatievergunning ook slagen. In het kader van de omgevingsvergunning heeft het college onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat de kwaliteit van het woon- en leefklimaat van omliggende percelen niet onevenredig wordt aangetast. Dat betekent dat de burgemeester, door enkel naar bestreden besluit I te verwijzen, onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de locatie niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Dit betekent dat ook het beroep tegen bestreden besluit II gegrond zal worden verklaard en het bestreden besluit II zal worden vernietigd. De burgemeester zal opnieuw op de aanvraag van vergunninghoudster moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn gegrond, omdat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus, zoals bedoeld in artikel 8:51a van de Awb, gelet op de aard en de omvang van de hiervoor geconstateerde gebreken. Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaken af te doen.
12.1.
De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, bepalen dat verweerders nieuwe besluiten op de bezwaren van eiseres moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt verweerders hiervoor geen termijn.
12.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moeten verweerders het griffierecht aan eiseres vergoeden. In beide zaken bedraagt het griffierecht € 187,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerders in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van de beroepschriften – vanwege de samenhang - en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt dat het college en de burgemeester ieder € 934,- moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerders nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
  • bepaalt dat het college een proceskostenvergoeding van € 934,- aan eiseres moet betalen;
  • bepaalt dat de burgemeester een proceskostenvergoeding van € 934,- aan eiseres moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 19 juni 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
2.Artikel 31.1, onder a en d, van het bestemmingsplan.
3.Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo.