ECLI:NL:RBZWB:2026:5363

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/11738
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland (GS) en vervolgens beroep ingesteld tegen nieuwe besluiten na vernietiging. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn van twee jaar voor bestuursrechtelijke procedures is overschreden, met name in de tweede beroepsfase.

De redelijke termijn vangt aan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, hier aangenomen op 15 oktober 2021. De einduitspraak volgde op 12 mei 2026, wat een overschrijding van twee jaar en zeven maanden betekent. De rechtbank hanteert een forfaitair schadebedrag van €500 per half jaar overschrijding.

De overschrijding wordt verdeeld over GS en de Staat der Nederlanden, waarbij GS wordt aangesproken voor vier halve jaren (€2.000) en de Staat voor twee halve jaren (€1.000). De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en herstelt haar eerdere uitspraak dienovereenkomstig.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €3.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld over GS en de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/11738

hersteluitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, GS.

Als derde-belanghebbende is in het geding betrokken:
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

1. Op 12 mei 2026 heeft de rechtbank einduitspraak gedaan in bovengenoemde zaak.

Overwegingen

2. De rechtbank heeft geconstateerd dat zij per abuis heeft verzuimd te beslissen op het gedurende de procedure ingediende verzoek om vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal alsnog dit verzoek beoordelen en daar uitspraak over doen.
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
3. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen in twee instanties, is twee jaar. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Er wordt een forfaitair schadebedrag van € 500,00 per half jaar gehanteerd.
3.1.
Het bezwaarschrift van eiser is op 15 oktober 2021 ingediend. Omdat uit het dossier geen datum van ontvangst is af te leiden, gaat de rechtbank er vanuit dat dit ook de datum van ontvangst van het bezwaarschrift is. Dat betekent dat de redelijke termijn twee jaar later, op 15 oktober 2023, afliep. Uiteindelijk is op 12 mei 2026 einduitspraak gedaan. Dat betekent dat de redelijke termijn met in totaal twee jaar en zeven maanden is overschreden. Uitgaande van een forfaitair schadebedrag van € 500,00 per half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn is overschreden, heeft eiser recht op € 3.000,00 schadevergoeding.
3.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding dit bedrag te verlagen als gevolg van de proceshouding van eiser.
3.3.
Voor wiens rekening deze overschrijding komt, beoordeelt de rechtbank als volgt. In dit geval speelt dat er een tweede beroepsfase is geweest, omdat de rechtbank in de eerste beroepsfase het toen bestreden besluit had vernietigd en GS een nieuw besluit moest nemen. Eiser heeft tegen dat nieuwe besluit ook beroep ingesteld. In beginsel komt bij een tweede bodemzaak na een vernietiging de overschrijding voor rekening van het bestuursorgaan. [1]
3.4.
Dat kan anders zijn als één van de beroepsprocedures te lang heeft geduurd door toedoen van de rechtbank. Het eerste beroep is op 1 juni 2022 ingediend. Op 15 september 2023 is uitspraak gedaan. Dat is binnen de anderhalf jaar die daarvoor staat. Het tweede beroep is op 6 december 2023 ingediend. Op 12 mei 2026 is einduitspraak gedaan. Dat betekent dat de rechtbank er bijna tweeëneenhalf jaar over heeft gedaan, dus (bijna) een jaar langer dan er voor staat. Dit extra jaar kan niet aan GS worden toegerekend, maar is aan de rechtbank toe te rekenen.
3.5
De rechtbank zal daarom de schadevergoeding voor vier keer een half jaar aan GS toerekenen en voor twee keer een half jaar aan de Staat der Nederlanden. Dat betekent dat GS € 2.000,- aan eiser moet vergoeden en de Staat der Nederlanden een vergoeding van € 1.000,- aan eiser moet betalen.
Daarom zal de rechtbank de uitspraak als volgt herstellen.

Beslissing

De rechtbank vult haar uitspraak van 12 mei 2026 aan en:
- veroordeelt GS tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 2.000,00;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 1.000,00;
- laat voornoemde uitspraak voor het overige ongewijzigd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 12 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze hersteluitspraak is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep, 4 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI8665.