Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5366

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2745
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 Wet IB 1964Art. 3.125 Wet IB 2001Afdeling 3.8 Wet IB 2001Art. 30i Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 11 Wet van 15 mei 1829
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en revisierente bij afkoop lijfrente

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2023 en de daarbij behorende rentebeschikkingen, naar aanleiding van de afkoop van een lijfrente.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de inspecteur de aanslag en de revisierente correct heeft berekend, rekening houdend met het feit dat de lijfrente per 1 november 2012 premievrij is gemaakt en dat er geen premieaftrek meer is genoten na die datum. Belanghebbende stelde dat de belastingdruk disproportioneel en onredelijk was vanwege de woekerpolis en de gedwongen afkoop, maar de rechtbank oordeelde dat de wetgever bewust geen uitzonderingen heeft gemaakt op de fiscale gevolgen van afkoop.

De rechtbank benadrukte dat zij gebonden is aan de formele wetgeving en geen ruimte heeft om de fiscale regels te toetsen aan billijkheid of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en rentebeschikkingen in stand blijven en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en revisierente bij afkoop van de lijfrente is ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2745

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur € 3.613 revisierente en € 84 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2023 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de rentebeschikkingen gegrond verklaard. De inspecteur heeft de revisierente verminderd tot € 3.513 en de belastingrente tot € 81.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [echtgenote] en ter bijstand ondersteund door [persoon] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB/PVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft een spaarkasovereenkomst afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] N.V. met [nummer] . Deze spaarkasovereenkomst is ingegaan op 1 april 1999.
3.1.
Volgens het clausuleblad van 26 maart 1999 betreft de spaarkasovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volgens het clausuleblad van 3 december 2003 betreft de spaarovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
3.2.
De polis is per 1 november 2012 premievrij gemaakt.
3.3.
Op 4 oktober 2023 heeft belanghebbende de spaarkasovereenkomst afgekocht voor een bedrag van € 18.065. Bij deze afkoop is een bedrag van € 9.395 (52%) aan loonheffing ingehouden.
3.4.
De inspecteur heeft een saldoverklaring verstrekt aan belanghebbende. Hierin is verklaard dat de betaalde premies uit 2012 van € 500 niet zijn afgetrokken in de aangifte IB/PVV 2012.
3.5.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV voor het jaar 2023 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504, bestaande uit € 32.475 belastbare winst uit onderneming, € 17.565 afkoopsom lijfrente, en een negatief saldo aan inkomsten eigen woning voor een bedrag van € 3.536. Verder heeft belanghebbende een bedrag van € 3.613 aan revisierente in de betreffende aangifte vermeld.
3.6.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2023 vastgesteld conform de ingediende aangifte (zie 1.1). Voor de berekening van de revisierente is de inspecteur uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 18.065.
3.7.
Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur voor de berekening van de uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 17.565.

Motivering

4. Belanghebbende stelt in de kern dat hij naar verhouding te veel belasting moet betalen ter zake van de afkoop van zijn lijfrente. Hij wijst erop dat de spaarkasovereenkomst een zogenoemde woekerpolis is gebleken en aanzienlijk minder heeft opgeleverd dan bij het aangaan van de spaarkasovereenkomst werd verwacht. Volgens belanghebbende had hij bovendien feitelijk geen andere keuze dan de lijfrente af te kopen, omdat deze anders op de einddatum zonder uitkering zou eindigen. Mede tegen die achtergrond vindt belanghebbende de verschuldigde belasting en revisierente disproportioneel en niet redelijk of billijk.
4.1.
De rechtbank heeft in eerste plaats gekeken of de inspecteur de verschuldigde belasting ter zake van de afkoop van de lijfrente juist heeft berekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de geldende wet- en regelgeving [1] juist heeft toegepast en de belasting tot het juiste bedrag heeft berekend. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekening er rekening mee heeft gehouden dat na 1 november 2012 geen premieaftrek door belanghebbende meer is genoten. Ook de revisierente, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, is naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving [2] tot het juiste bedrag berekend.
4.2.
De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende dat toepassing van de wet- en regelgeving in zijn situatie tot een belastingpercentage leidt, wat hij niet had voorzien. De wetgever heeft er echter voor gekozen om geen uitzonderingen te maken op de (fiscale) gevolgen die de wet verbindt aan de afkoop van een lijfrente. Bij afkoop worden de fiscale voordelen die gedurende de looptijd van de lijfrente konden worden genoten weer teruggenomen. Verder wordt over het achteraf ten onrechte genoten belastinguitstel een rentevergoeding verschuldigd. [3] De rechtbank dient recht te spreken volgens de wet en het staat haar niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid. [4] De rechtbank kan bepalingen die zien op de afkoop van een lijfrente ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Wet IB en de AWR, waarin die bepalingen staan, wetten in formele zin zijn en het verdisconteerde omstandigheden betreft. [5] Dat betekent dat de rechtbank de keuze van de wetgever hier heeft te respecteren, ongeacht de persoonlijke omstandigheden die tot afkoop van de lijfrente hebben geleid.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Afdeling 3.8. van de Wet IB 2001.
2.Artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Vgl. bijv.
4.Artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28).
5.Vgl. ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.