Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5369

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1623
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Successiewet 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toepassing eigenwoningvrijstelling bij eerdere eenmalig verhoogde vrijstelling schenkbelasting

Belanghebbende ontving in 2018 een schenking van € 25.731 van zijn vader, waarbij een beroep werd gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling schenkbelasting. In 2021 ontving hij opnieuw een schenking van € 75.000 waarop hij de eigenwoningvrijstelling wilde toepassen. De inspecteur weigerde deze vrijstelling omdat de eenmalig verhoogde vrijstelling in 2018 al was benut.

Belanghebbende stelde dat de schenking uit 2018 was herroepen met terugwerkende kracht, waardoor de vrijstelling in 2021 opnieuw toegepast kon worden. De rechtbank oordeelde dat in de schenkingsovereenkomst geen herroepingsclausule stond en dat de herroeping pas in 2023 had plaatsgevonden, na het belastbare feit. Hierdoor kon de vrijstelling in 2021 niet opnieuw worden toegepast.

Daarnaast wees de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat het aanslagbiljet weliswaar onduidelijk was, maar belanghebbende niet redelijkerwijs mocht aannemen dat de eigenwoningvrijstelling was verleend. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de aanslag schenkbelasting en wijst het beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1623

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr.drs. H.J.J. van de Munckhof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van een schenking in 2021 van € 75.000 een aanslag schenkbelasting opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag schenkbelasting ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep – samen met het beroep met zaaknummer 25/1622 – op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht de toepassing van de eenmalig verhoogde vrijstelling als bedoeld in artikel 33, aanhef en onderdeel 5, onder c, van de Successiewet 1956 (wettekst 2021, de eigenwoningvrijstelling) heeft geweigerd voor een schenking die belanghebbende in het jaar 2021 heeft ontvangen.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de eigenwoningvrijstelling terecht heeft geweigerd voor de schenking in het jaar 2021. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft in 2018 van zijn vader een schenking van € 25.731 ontvangen. Ter zake van deze schenking heeft belanghebbende aangifte schenkbelasting gedaan. In deze aangifte is een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling.
3.1.
In de betreffende schenkingsovereenkomst staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“ [de vader] verklaart hierbij te schenken aan [belanghebbende] een bedrag groot € 25.731 (zegge vijfentwintig duizend zevenhonderd en eenendertig euro) met uitsluiting van gemeenschap, hetgeen impliceert dat genoemde schenking alléén aan [belanghebbende] ten goede mag komen, en deze schenking en de daaruit voortvloeiende baten niet in enige (huwelijkse) goederengemeenschap kan vallen en/of samen met derden kunnen worden gedeeld of besteed.”
3.2.
Belanghebbende heeft in 2021 opnieuw een schenking van zijn vader ontvangen van ditmaal € 75.000. Ter zake van deze schenking heeft belanghebbende aangifte schenkbelasting gedaan. In de aangifte heeft belanghebbende een beroep gedaan op de eigenwoningvrijstelling.
3.3.
De inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag schenkbelasting de toepassing van de eigenwoningvrijstelling geweigerd omdat belanghebbende voor de schenking in 2018 al gebruik heeft gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling.
3.4.
Op het aanslagbiljet staat – voor zover hier van belang – verder vermeld:
En:
En:

Motivering

Vooraf
4. Ter zitting is namens belanghebbende het beroep met zaaknummer 25/1622, dat betrekking had op de aan belanghebbende opgelegde aanslag schenkbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] , ingetrokken. Omdat zaken ter zitting gezamenlijk zijn behandeld, heeft de rechtbank heeft in haar beoordeling van onderhavige zaak ook de stukken betrokken die in de zaak met nummer 25/1622 zijn ingebracht, zoals partijen het ook hadden begrepen. Het gaat dan vooral om het verweerschrift met bijlagen, dat alleen is ingebracht in de zaak met nummer 25/1622, terwijl het betrekking heeft op de zaak met nummer 25/1623.
Inhoudelijk
5. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de in het jaar 2018 toegepaste eenmalige verhoogde vrijstelling in de weg staat aan toepassing van de eigenwoningvrijstelling voor de schenking in 2021.
5.1.
Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe stelt hij dat de schenking uit 2018 is herroepen, en dat die herroeping terugwerkende kracht heeft. Om die reden bestaat er volgens belanghebbende in 2021 recht op toepassing van de eigenwoningvrijstelling. De rechtbank begrijpt die stelling zo dat belanghebbende aanvoert dat de herroeping ertoe leidt dat de eenmalig verhoogde vrijstelling in 2021 niet meer is gebruikt en hij dus in 2021 deze vrijstelling alsnog, in de vorm van de eigenwoningvrijstelling, volledig kan benutten.
5.2.
De inspecteur betwist dat de eigenwoningvrijstelling in 2021 kan worden toegepast. Enerzijds wijst de inspecteur erop dat de herroeping van de schenking in 2018, voor zover daar al sprake van is, geen terugwerkende kracht heeft en om die reden het beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling niet herleeft. Anderzijds voert de inspecteur aan dat ook de goedkeuring van de staatssecretaris [1] niet kan leiden tot een hernieuwd beroep op de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling, aangezien de herroeping om fiscale redenen heeft plaatsgevonden.
5.3.
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat partijen het er niet over eens zijn dat in 2018 een herroepelijke schenking heeft plaatsgevonden. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat in de schenkingsovereenkomst (zie 3.1) geen herroepingsclausule kan worden gelezen. Dat staat er simpelweg niet. De visie van belanghebbende acht de rechtbank onaannemelijk. Dat zou er namelijk op neerkomen dat het de bedoeling van partijen was om een herroepingsclausule overeen te komen, maar dat zij dit toch zeer belangrijke aspect, zouden zijn vergeten op te schrijven. Een partij kan niet volstaan met de enkele stelling dat iets anders is bedoeld dan is vastgesteld; de partijbedoeling moet wel steun vinden in verklaringen, gedragingen of de tekst van de overeenkomst zelf. Die steun ontbreekt volledig. De rechtbank ziet daarom geen grond de schenkingsovereenkomst uit te leggen overeenkomstig de door belanghebbende gestelde partijbedoeling. Daarnaast heeft zelfs als de rechtbank belanghebbende zou volgen in zijn standpunt dat sprake was van een herroepelijke schenking - waarvoor de rechtbank dus geen aanwijzing ziet - belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat die schenking ten tijde van het belastbare feit in 2021 rechtsgeldig was herroepen. Ter zitting is ondubbelzinnig verklaard dat de schenking uit 2018 pas in 2023 zou zijn teruggedraaid. Dat is ruim na het belastbare feit. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de stelling van belanghebbende hoe dan ook niet kan slagen.
5.4.
Belanghebbende heeft voor dat geval nog een beroep gedaan op goedkeurend beleid. Voor herroepelijke schenkingen heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat als de schenking wordt herroepen door de ouder om andere dan fiscale redenen, de herroepen schenking voor de toepassing van de eenmalig verhoogde vrijstelling helemaal wordt weggedacht, en in het geval van een nieuwe schenking (nogmaals) een geslaagd beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling – zoals de eigenwoningvrijstelling – kan worden gedaan. [2] Omdat de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schenking uit 2018 ten tijde van het belastbaar feit rechtsgeldig was herroepen, kan belanghebbende ook geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel ontleend aan beleid.
5.5.
Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de in het jaar 2018 toegepaste eenmalige verhoogde vrijstelling in de weg staat aan toepassing van de eigenwoningvrijstelling in 2021.
Vertrouwensbeginsel
6. Belanghebbende stelt nog dat de aanslag schenkbelasting moet worden verminderd omdat de inspecteur bij hem anderszins de indruk heeft gewekt dat de eigenwoningvrijstelling van toepassing is. Hij wijst erop dat op het aanslagbiljet een totale vrijstelling staat vermeld van € 111.906.
6.1.
De rechtbank is het met belanghebbende eens dat het aanslagbiljet vragen oproept over de hoogte van de toegepaste vrijstelling. Op het aanslagbiljet wordt immers onder meer vermeld
“uw vrijstelling € 111.906”en
“eenmalig verhoogde vrijstelling eigen woning € 105.302”(zie 3.4). Tegelijkertijd volgt uit de toelichting op het aanslagbiljet (zie eveneens 3.4) dat de inspecteur van oordeel is dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de eigenwoningvrijstelling. Het aanslagbiljet laat voor dat gedeelte tekstueel qua duidelijkheid een en ander te wensen over en is weinig gelukkig geformuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank kon belanghebbende echter op basis van het aanslagbiljet gelet op de toelichting in samenhang met het verschuldigde bedrag aan schenkbelasting, niet redelijkerwijs menen dat de inspecteur daadwerkelijk toepassing van de eigenwoningvrijstelling had verleend. Van een in rechte te beschermen vertrouwen is daarom geen sprake.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag schenkbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Als bedoeld in de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 april 2018,
2.Zie brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 april 2018,