Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5370

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2326
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18a, eerste lid, onderdeel b, AWRArt. 6:7 AwbArt. 7:1 AwbArt. 26a AWRArt. 21, vijfde lid, Successiewet 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag erfbelasting en WOZ-waarde woning

Belanghebbende maakte beroep tegen de aanslag erfbelasting over een verkrijging in 2012, waarbij de WOZ-waarde van een woning centraal stond. De inspecteur had de aanslag verminderd op basis van een herziene WOZ-waarde, maar belanghebbende vond dat deze nog te hoog was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks termijnoverschrijding, maar dat de inspecteur de aanslag niet verder hoefde te verminderen. De WOZ-waarde per peildatum 1 januari 2012 van € 350.000 was rechtsgeldig vastgesteld en onherroepelijk. De lagere WOZ-waarden uit latere jaren konden niet met terugwerkende kracht worden toegepast.

De rechtbank erkende de frustratie van belanghebbende over de waarderingsgang, maar benadrukte dat de erfbelasting is gebaseerd op de WOZ-waarde zoals die destijds rechtsgeldig was. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag in stand bleef en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2326

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de beslissingen van de inspecteur in het geschrift van 13 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende ter zake van een verkrijging in 2012 een aanslag erfbelasting opgelegd ( [aanslagnummer] ). Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een boete van € 226 aan belanghebbende opgelegd en € 11.036 heffingsrente aan hem in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft in 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslag erfbelasting en de bijbehorende beschikkingen. De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag erfbelasting verminderd, de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
1.3.
Belanghebbende heeft in 2019 opnieuw bezwaar gemaakt tegen de aanslag erfbelasting en de bijbehorende heffingsrentebeschikking. De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard. In hetzelfde geschrift heeft de inspecteur op basis van artikel 18a, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) beslist dat de aanslag erfbelasting moet worden verminderd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [echtgenote] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag erfbelasting nog verder had moeten verminderen dan hij bij zijn beslissing van 13 maart 2025 heeft gedaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur de aanslag erfbelasting niet nog verder moeten verminderen dan hij reeds heeft gedaan
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. De tante van belanghebbende, [erflaatster] (erflaatster), is op 22 oktober 2012 overleden. Belanghebbende heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.
3.1.
Tot de nalatenschap behoort een woning aan de [adres] in [plaats] (de woning). De woning is door de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg (BsGW) op basis van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) per waardepeildatum 1 januari 2012 bij beschikking vastgesteld op € 534.000.
3.2.
De inspecteur heeft de aanslag erfbelasting (zie 1.1). aan belanghebbende opgelegd ter zake van een belaste verkrijging van € 397.762 (€ 399.774 -/- € 2.012). Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een waarde van de woning van € 534.000.
3.3.
De BsGW heeft bij beschikking van 22 maart 2016 de WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2011 bijgesteld naar € 365.000.
3.4.
De inspecteur is bij vermindering van de aanslag erfbelasting bij de uitspraak op bezwaar uit 2015 (zie 1.2) uitgegaan van waarde van de woning van € 365.000.
3.5.
De inspecteur is in het kader van de vermindering van de aanslag op basis van artikel 18a, eerste lid, onderdeel b, van de AWR (zie 1.3) uitgegaan van een waarde van de woning van € 350.000, gelijk aan de (herziene) WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2012.

Motivering

Vooraf; ontvankelijkheid beroep
4. Het beroepschrift van belanghebbende is buiten de beroepstermijn van zes weken [1] ingediend. Dat heeft in dit geval geen nadelige gevolgen voor belanghebbende. De rechtbank acht de termijnoverschrijding – zoals zij al op zitting heeft uitgelegd – verschoonbaar. De inspecteur en belanghebbende hebben contact met elkaar gehad, nadat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Volgens de inspecteur mocht belanghebbende aan dat contact het vertrouwen ontlenen dat de beroepstermijn nog niet was gaan lopen. De rechtbank gaat daar in dit geval in mee. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure de beslissingen van de inspecteur mag beoordelen.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4.1.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag erfbelasting en de heffingsrentebeschikking niet-ontvankelijk verklaard. Dat is naar het oordeel van de rechtbank terecht. De inspecteur heeft namelijk al eerder uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen deze aanslag. De inspecteur kan niet nog een keer uitspraak op bezwaar doen over dezelfde aanslag. De rechtbank laat de beslissing van de inspecteur om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren daarom in stand.
Beslissing op basis van artikel 18a, eerste lid, onderdeel b, van de AWR
4.2.
De inspecteur heeft in zijn brief van 13 maart 2025 ook een beslissing genomen op basis van artikel 18a, eerste lid, onderdeel b, van de AWR (zie 1.3). Dat wetsartikel biedt de inspecteur – kort gezegd – de mogelijkheid om de aanslag erfbelasting te verminderen als blijkt dat de WOZ-waarde van een woning, die onderdeel uitmaakt van de grondslag van de aanslag, is herzien. Tegen een dergelijke beslissing van de inspecteur moet eigenlijk eerst bezwaar worden gemaakt voordat daartegen beroep kan worden ingesteld. [2] Dat heeft belanghebbende niet gedaan, maar ook dat is in dit geval niet erg. De rechtbank heeft op zitting met partijen afgestemd dat de bezwaarfase kan worden overgeslagen. De rechtbank kan daarom de beslissing van de inspecteur om de aanslag erfbelasting te verminderen beoordelen.
4.3.
Belanghebbende vindt dat de inspecteur de aanslag erfbelasting verder had moeten verminderen omdat nog steeds van een te hoge WOZ-waarde van de woning is uitgegaan. Hij voert aan dat hij na beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap herhaaldelijk bij de BsGW heeft aangedrongen op herziening van de WOZ-waarde van de woning. Volgens belanghebbende heeft de BsGW hier jarenlang geen gehoor aan gegeven. Pas in 2019 heeft de BsGW een taxateur ingeschakeld, die concludeerde dat de woning in eerdere jaren inderdaad te hoog was gewaardeerd. Onder meer de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2013 is daarop verminderd tot € 198.000. Volgens belanghebbende blijkt daaruit dat ook de WOZ-waarden per waardepeildatum 1 januari 2011 en 1 januari 2012 niet juist kunnen zijn. Dat deze WOZ-waarden niet zijn herzien, komt volgens belanghebbende uitsluitend doordat de BsGW stelt dat zij deze vanwege het verstrijken van de herzieningstermijn niet meer kan aanpassen. Dat doet volgens belanghebbende echter niet af aan de conclusie dat de WOZ-waarden op die peildata te hoog zijn en de inspecteur van een lagere waarde van de woning uit had moeten gaan.
4.4.
De rechtbank heeft wel enigszins begrip voor de frustratie van belanghebbende over de gang van zaken rondom de WOZ-waardering van de woning. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor belanghebbende moeilijk te aanvaarden is dat door de BsGW uiteindelijk is erkend dat de woning in latere jaren te hoog is gewaardeerd, terwijl door de formele regels de jaren ervoor buiten beschouwing blijven. Dat neemt echter niet weg dat voor de erfbelasting – kort gezegd – wordt aangesloten bij de WOZ-waarde van de woning zoals deze door de gemeente wordt vastgesteld [3] en die waarde toentertijd geaccepteerd is door de tante van belanghebbende. Die waarde staat dus nog steeds in rechte vast. De inspecteur kan de aanslag erfbelasting, die inmiddels ook onherroepelijk vaststaat, alleen nog verminderen als de WOZ-beschikking wordt herzien [4] en dat is hier niet het geval. De inspecteur heeft de aanslag erfbelasting dus terecht niet verder verminderd door uit te gaan van een lagere waarde van de woning dan € 350.000.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag erfbelasting, zoals deze luidt na vermindering op de voet van artikel 18a, eerste lid, onderdeel b, van de AWR, in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 7:1 Awb Pro in samenhang met artikel 26a AWR.
3.Artikel 21, vijfde lid, van de Successiewet 1956 (SW).
4.Artikel 18a, eerste lid, onderdeel b, van de AWR.