Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5371

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1996
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a SWArt. 1 EP EVRMArt. 14 EVRMWet inkomstenbelasting 2001Wet van 1829, Stb. 28
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling fictieve verkrijging erfbelasting op basis van artikel 13a Successiewet

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting waarin de inspecteur een fictieve verkrijging op basis van artikel 13a van de Successiewet had toegepast. De rechtbank beoordeelde of deze toepassing terecht was en of de aanslag niet te hoog was vastgesteld.

De feiten betreffen aandelenbezit in verschillende BV's en een lijfrenteverplichting die door het overlijden van de erflaatster is vrijgevallen, wat leidde tot een waardestijging van aandelen. Belanghebbende betwistte dat deze waardestijging door het overlijden werd veroorzaakt en voerde aan dat de waardestijging voortkwam uit eerder overeengekomen voorwaarden.

De rechtbank oordeelde dat de waardestijging wel degelijk door het overlijden is veroorzaakt, ook al vloeit het vervallen van de verplichting voort uit eerdere afspraken. De rechtbank verwierp het beroep op strijdigheid met het EVRM en het evenredigheidsbeginsel en bevestigde dat de inspecteur de aanslag terecht heeft vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag in stand blijft en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1996

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag erfbelasting ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep – samen met het beroep met zaaknummer 25/1997 van [de zus van belanghebbende] , de zus van belanghebbende – op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vader van belanghebbende, [de vader van belanghebbende] , als gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag erfbelasting terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag erfbelasting terecht een fictieve verkrijging op basis van artikel 13a van de Successiewet (SW) in aanmerking heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht een fictieve verkrijging in aanmerking genomen en is de aanslag erfbelasting ook terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende bezit alle aandelen in [b.v. 1] Haar zus, [de zus van belanghebbende] , bezit alle aandelen in [b.v. 2] . [b.v. 1] en [b.v. 2] houden op hun beurt alle certificaten van aandelen in [b.v. 3] die zijn uitgegeven door [stichting] . De [stichting] houdt op zijn beurt alle aandelen in [b.v. 3] .
3.1.
In 1997 heeft [beleggingsmaatschappij] BV de aandelen gekocht in [b.v. 4] . Onderdeel van deze transactie was de toekenning van een lijfrenteverplichting met een waarde van ƒ 1.350.000, omgerekend € 613.636, aan de heer [persoon] zolang hij in leven is en na overlijden aan zijn echtgenote, [echtgenote] . Door het overlijden van [persoon] is de uitkering overgegaan naar zijn echtgenote.
3.2.
In 2015 is [beleggingsmaatschappij] BV gesplitst in twee nieuwe entiteiten onder de naam [b.v. 5] en [beleggingsmaatschappij] BV. Door de splitsing is de lijfrenteverplichting bij [b.v. 5] . terecht gekomen. In 2018 is de naam van [b.v. 5] gewijzigd naar [b.v. 6] .
3.3.
Tussen partijen staat vast dat de lijfrenteverplichting op enig moment is overgedragen aan [b.v. 3] . Per 1 januari 2022 stond op de balans van [b.v. 3] een voorziening voor de lijfrenteverplichting van € 373.313.
3.4.
[echtgenote] (erflaatster) is op 6 augustus 2022 overleden Belanghebbende en haar zus zijn nichten in derde graad van [persoon] , de vooroverleden echtgenoot van erflaatster.
3.5.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van het overlijden van erflaatster aangifte erfbelasting gedaan. In de aangifte is in verband met de vrijval van de voorziening voor de lijfrenteverplichting een fictieve verkrijging als bedoeld in artikel 13a van de Successiewet 1956 (hierna: SW) aangegeven van € 143.335.
3.6.
De inspecteur is bij de vaststelling van de aanslag erfbelasting (zie 1.1) – conform de ingediende aangifte – uitgegaan van een fictieve verkrijging van € 143.335 en een vrijstelling van € 2.274. De hoogte van de fictieve verkrijging is als volgt berekend:
Commerciële waarde voorziening
€ 412.104
Vennootschapsbelasting 25,6%
€ 106.323 -/-
€ 305.781
IB-latentie 6,25%
€ 19.111 -/-
€ 286.670
Fictieve verkrijging belanghebbende:
€ 143.335

Motivering

Vooraf; relatieve competentie rechtbank
4. De rechtbank heeft geconstateerd dat zij mogelijk niet bevoegd is om deze zaak te behandelen, gelet op de woonplaats van belanghebbende ten tijde van het indienen van het beroep. De rechtbank heeft dit op zitting met partijen besproken. Gelet op de uitdrukkelijke wens van partijen, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de zaak te behandelen.
Fictieve verkrijging?
5. Artikel 13a van de SW (wettekst 2022) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Indien aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld in waarde zijn gestegen door het overlijden van de erflater en deze aandelen of winstbewijzen worden gehouden door een ander dan de erflater, worden deze geacht door de houder krachtens erfrecht te zijn verkregen, waarbij deze aandelen of winstbewijzen voor het bedrag van de bedoelde waardestijging in aanmerking worden genomen.

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing indien:

a. de aandelen of winstbewijzen behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
b. de houder van de aandelen of winstbewijzen de partner van de erflater is of behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners.”
5.1.
De rechtbank beoordeelt eerst of artikel 13a van de SW in dit geval toepassing vindt. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de in artikel 13a van de SW gestelde voorwaarden is voldaan, met uitzondering van het vereiste dat sprake is van aandelen die door het overlijden van de erflater in waarde zijn gestegen. Belanghebbende betwist niet dat de aandelen in waarde zijn gestegen, maar stelt dat die waardestijging niet door het overlijden van erflaatster is veroorzaakt. Volgens haar ligt de oorzaak van de waardestijging in de voorwaarden die bij het aangaan van de koopovereenkomst zijn overeengekomen. Het overlijden vormt volgens belanghebbende slechts de aanleiding voor het vervallen van de verplichting, maar niet de oorzaak daarvan.
5.2.
De rechtbank is het niet met belanghebbende eens. Uit de tekst van artikel 13a van de SW volgt dat beslissend is of de aandelen door het overlijden van de erflater in waarde zijn gestegen. Dat daarvan ook sprake kan zijn indien het overlijden leidt tot het vervallen van een op de vennootschap rustende verplichting, vindt bevestiging in de parlementaire geschiedenis van artikel 13a van de SW. Daarin is onder meer opgemerkt:
“De fictieve verkrijging omvat alle aandelen die gehouden worden door een ander dan de erflater, indien deze aandelen door het overlijden in waarde zijn gestegen; aan die aandelen wordt voor de heffing van successierecht echter een waarde toegekend die gelijk is aan de waardestijging door het overlijden. Deze waardestijging ten gevolge van het overlijden van de erflater kan het gevolg zijn van het vrijvallen van pensioenverplichtingen, maar kan ook andere oorzaken hebben zoals het vervallen van de in paragraaf 3.1 van de brief genoemde lijfrenteverplichtingen.” . [1] De omstandigheid dat het vervallen van de lijfrenteverplichting voortvloeit uit eerder overeengekomen voorwaarden, staat naar het oordeel van de rechtbank er dus niet aan in de weg dat de daardoor ontstane waardestijging wordt aangemerkt als een waardestijging door het overlijden van de erflater. Als uitgangspunt is artikel 13a van de SW in dit geval dus van toepassing.
5.3.
Voor dat geval stelt belanghebbende dat toepassing van artikel 13a van de SW in dit geval niet gerechtvaardigd is. Volgens belanghebbende is geen sprake van een constructie die is opgezet om erfbelasting te ontgaan of van een daarmee vergelijkbaar geval van misbruik. Daarbij wijst zij erop dat de stamrechtverplichting is aangegaan als tegenprestatie voor de aandelen, dat erflaatster langer heeft geleefd dan ten tijde van het aangaan van de overeenkomst werd verwacht en dat de jaarlijkse uitkeringen uiteindelijk een hoger bedrag hebben belopen dan de oorspronkelijke koopprijs. Volgens belanghebbende is daarom geen sprake van een bevoordeling of van zogenoemde sterftewinst. Verder stelt belanghebbende dat artikel 13a van de SW leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen verkrijging die behoren tot de in die bepaling genoemde familiekring en andere verkrijgers van aandelen. Om die reden acht zij de bepaling in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 14 van Pro het EVRM.
5.4.
De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende aanvoert geen aanleiding om artikel 13a van de SW – een wet in formele zin – niet toe te passen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat artikel 13a van de SW mede is ingevoerd naar aanleiding van constructies waarbij waardestijgingen van aandelen buiten de heffing van successierecht konden blijven [2] , maar ook dat de wetgever de toepassing van de bepaling niet heeft beperkt tot dergelijke gevallen. Integendeel, de wetgever heeft uitdrukkelijk opgemerkt dat artikel 13a van de SW niet uitsluitend ziet op misbruiksituaties. [3] De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, zijn omstandigheden die binnen het door de wetgever voorziene toepassingsbereik van artikel 13a van de SW vallen. De rechtbank moet de wet toepassen en kan deze niet op haar innerlijke waarde of billijkheid beoordelen. [4] De rechtbank kan artikel 13a van de SW ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien het een wet in formele zin betreft. [5]
5.5.
Het beroep op artikel 1 EP Pro bij het EVRM en artikel 14 van Pro het EVRM slaagt evenmin. De keuze van de wetgever om de regeling te beperken tot de in artikel 13a van de SW genoemde familiekring is niet evident van redelijke grond ontbloot. De rechtbank ziet reeds daarom geen aanleiding om artikel 13a van de SW wegens strijd met deze verdragsbepalingen buiten toepassing te laten.
5.6.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag erfbelasting terecht een fictieve verkrijging op basis van artikel 13a van SW in aanmerking heeft genomen. Tussen partijen is voor dat geval de berekening van de hoogte van de fictieve verkrijging niet meer in geschil. De aanslag erfbelasting is terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag erfbelasting in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. onder meer
2.Vgl. bijv.
3.Vgl. onder meer
4.Artikel 11 van Pro de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.
5.Vgl. ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.