Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5402

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
02-080843-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Wetboek van StrafrechtArt. 246 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in zaak verkrachting en aanranding wegens onvoldoende bewijs

Op 19 juni 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van verkrachting en aanranding van aangeefster op of omstreeks 7 maart 2024.

De tenlastelegging betrof onder meer het seksueel binnendringen met vingers en het betasten van de clitoris van aangeefster, waarbij sprake zou zijn geweest van geweld of bedreiging. De officier van justitie baseerde zich op de verklaring van aangeefster, een 112-melding en DNA-sporen op de slip van aangeefster.

Verdachte ontkende de tenlastegelegde feiten en verklaarde dat er een worsteling was ontstaan na een botsing met zijn fiets, waarbij hij aangeefster heeft geduwd en geslagen, maar niet de seksuele handelingen heeft verricht. De rechtbank constateerde dat de verklaringen van verdachte en aangeefster op essentiële punten tegenstrijdig zijn.

Hoewel DNA van verdachte op de slip van aangeefster werd aangetroffen, oordeelde de rechtbank dat dit niet buiten redelijke twijfel de tenlastegelegde seksuele handelingen bevestigt, mede gezien de worsteling en de locatie van het DNA. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel verkrachting als aanranding.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van € 10.996,13, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs ondanks DNA-sporen; schadevordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-080843-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. N.A.H. Limbourg, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 05 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting dan wel aanranding van [aangeefster] (hierna: aangeefster).

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. De officier van justitie baseert zich daarbij op de betrouwbaar te achten verklaring van aangeefster, de 112-melding en het gegeven dat er DNA van verdachte op de slip van aangeefster is aangetroffen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte van het tenlastegelegde, zowel primair als subsidiair, vrij te spreken.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en het dossier onvoldoende steunbewijs bevat om de verklaringen van aangeefster te kunnen ondersteunen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Het dossier bestaat onder meer uit de verklaringen van aangeefster en verdachte, een 112-melding en een onderzoek van het NFI naar biologische sporen en DNA. Er zijn geen directe getuigen bij het voorval aanwezig geweest.
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn fiets tegen aangeefster is gebotst, waarna er onenigheid is ontstaan. Verdachte heeft aangeefster geduwd en geslagen waardoor zij beiden op de grond zijn gevallen. Er is daarbij een worsteling ontstaan. Verdachte ontkent hetgeen aangeefster heeft verklaard, te weten dat hij met zijn hand in de slip van aangeefster is gegaan en daarbij de clitoris van aangeefster heeft betast.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op enig moment van achteren twee armen om haar middel voelde, waarna ze samen met verdachte in de modder viel. Hierna is er een worsteling ontstaan waarbij aangeefster heeft geprobeerd verdachte van zich af te duwen. Verdachte is tijdens de worsteling met zijn hand in haar broek gegaan, richting haar vagina. Daarbij heeft verdachte ook de clitoris van aangeefster betast.
De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster en verdachte op essentiële onderdelen lijnrecht tegenover elkaar staan.
Er is onderzoek gedaan naar DNA-sporen. De slip van aangeefster is op meerdere plaatsen bemonsterd, welke monsters door het NFI zijn onderzocht. Op de binnen- en buitenzijde aan de achterzijde van de tailleband is een DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de locatie waar het DNA is aangetroffen en het gegeven dat zowel verdachte als aangeefster verklaren over een worsteling die op de grond heeft plaatsgevonden en waarbij zou zijn geduwd en/of getrokken, niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen dat de DNA-match enkel steun kan bieden aan de verklaring van aangeefster.
Ook op basis van de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de tenlastegelegde handelingen, zoals deze zijn omschreven door aangeefster, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de tenlastegelegde verkrachting (primair) en aanranding (subsidiair).

5.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 10.996,13.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter,
en mr. D.H.. Hamburger en mr. I.M.L.. Felix, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 7 maart 2024 te [plaats]
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of
meer
handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte zijn
vinger(s) tussen de schaamlippen van die [aangeefster] geduwd/gebracht en
bestaande dat geweld en/of die feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid uit;
- het van achteren benaderen en/of in botsing komen met die [aangeefster] , althans
het duwen van die [aangeefster] , en/of
- het naar beneden trekken van de broek van die [aangeefster] , en/of
- het trekken aan de onderbroek/string van die [aangeefster] , en/of
- het duwen van en/of trekken aan die [aangeefster] , en/of
- het onverhoeds met zijn hand in de broek van die [aangeefster] gaan, en/of
- het weggooien van de telefoon van die [aangeefster] ;
( art 242 Wetboek Pro van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2024 te [plaats] ,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid
[aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handelingen, hebbende verdachte de schaamstreek van die [aangeefster]
betast en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheid en/of bedreiging met geweld
en/of een andere feitelijkheid uit het:
- het van achteren benaderen en/of in botsing komen met die [aangeefster] , althans
het duwen van die [aangeefster] , en/of
- het naar beneden trekken van de broek van die [aangeefster] , en/of
- het trekken aan de onderbroek/string van die [aangeefster] , en/of
- het duwen van en/of trekken aan die [aangeefster] , en/of
- het onverhoeds met zijn hand in de broek van die [aangeefster] gaan, en/of
- het weggooien van de telefoon van die [aangeefster] ;
( art 246 Wetboek Pro van Strafrecht )