Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5412

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
02-346103-25, 02-266620-20 (tul) en 02-402634-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 302 SrArt. 313 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling in burenruzie met messteek

Op 18 december 2025 ontstond een conflict tussen verdachte en het slachtoffer in een woonwijk, waarbij verdachte met een mes een snijwond toebracht aan het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, waardoor hij werd vrijgesproken van poging tot moord en doodslag.

Wel werd vastgesteld dat verdachte met opzet en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, wat leidde tot een veroordeling voor poging tot zware mishandeling. Verdachte handelde niet met voorbedachten rade, maar in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling na provocatie.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn beperkte inzicht in de ernst van zijn handelen en het risico op recidive. Daarom werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €3.050 aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees verdere immateriële schadeclaims af en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in eerdere vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling met mes, vrijgesproken van poging tot doodslag en moord.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-346103-25, 02-402634-24 (tul) en 02-266620-20 (tul)
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 juni 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
raadsvrouw mr. C. Willekes, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven dan wel zwaar te mishandelen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] dodelijk zou raken (voorwaardelijk opzet). Niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van de poging tot moord en de poging tot doodslag. Niet kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft niet met voorbedachten rade gehandeld. Daarom wordt verzocht verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij te spreken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandighedenDe rechtbank stelt op basis van het strafdossier en wat tijdens de zitting is besproken het volgende vast. Op 18 december 2025 vond in [plaats 2] een incident plaats tussen verdachte en [slachtoffer] . Op dezelfde dag meldde verdachte zich bij de gemeente en zei tegen een baliemedewerker dat hij [slachtoffer] zou (dood)steken als er opnieuw iets zou gebeuren. Een paar uur later ontstond er weer een incident tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij over en weer werd geschreeuwd en de partner van [slachtoffer] kiezelstenen richting de woning van verdachte gooide. Ook raakte de stiefzoon van verdachte betrokken bij het conflict. Hierop rende verdachte naar zijn keuken om een mes uit het messenblok te pakken. Vervolgens ging hij naar buiten en maakte hij met enige kracht een beweging met het mes in de richting van [slachtoffer] , die op dat moment in zijn eigen voortuin stond. Daarbij raakte verdachte hem in de buik. [slachtoffer] liep hierdoor een snijverwonding van 5 centimeter breed op, met minimaal bloedverlies en geen letsel aan organen.
Geen (voorwaardelijk) opzet op de doodDe rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de bedoeling had om [slachtoffer] van het leven te beroven (vol opzet). Ook acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . Zij overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet in alle gevallen gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft met een mes een beweging gemaakt in de richting van [slachtoffer] . De rechtbank heeft alleen kunnen vaststellen dat dit met enige kracht gebeurde. Of het een snijdende of stekende beweging betrof, is onduidelijk. De camerabeelden van het incident geven hierover geen uitsluitsel. Ook de diepte van de wond bij [slachtoffer] staat niet vast. In de brief van de spoedeisende hulp arts staat dat de onderkant van de wond niet zichtbaar was en vermoedelijk tot in de buikholte reikte. Tegelijkertijd noteert de arts dat er geen intra-abdominaal letsel is, wat de rechtbank begrijpt als geen letsel in de buikholte. Daarmee staat onvoldoende vast dat het mes de buikholte heeft bereikt. Verder is onduidelijk met wat voor mes [slachtoffer] is geraakt. Hoewel [slachtoffer] en zijn partner hebben verklaard dat het een (koks)mes van ongeveer 30 cm betrof, kan dit niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Het mes is niet door de politie gevonden en het letsel van [slachtoffer] kan ook zijn veroorzaakt door een kleiner mes uit het messenblok, zoals door verdachte is verklaard.
Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de poging tot doodslag en de poging tot moord.
Poging zware mishandelingGelet op de bewijsmiddelen in het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Door met een mes een snijdende of stekende beweging te maken richting [slachtoffer] , bestond naar het oordeel van de rechtbank wel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Met het maken van deze beweging heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard.
Geen voorbedachten radeMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld. Van voorbedachten rade is sprake als de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt niet dat verdachte een plan had beraamd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hoewel de uitlatingen van verdachte bij de gemeente aanwijzingen zijn voor enig vooropgezet plan, acht de rechtbank dit onvoldoende. Bovendien ziet de rechtbank in de wijze waarop het incident zich in de avond heeft afgespeeld een aanwijzing tegen voorbedachten rade (contra-indicatie). Kort na het gooien van de kiezelstenen door de partner van [slachtoffer] pakte verdachte namelijk een mes uit de keuken en verwondde hij [slachtoffer] . Dit handelen vertoont meer kenmerken van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling dan van een handeling na kalm beraad en rustig overleg.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het handelen met voorbedachten rade.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 18 december 2025 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes een (zwaai)beweging heeft gemaakt en die [slachtoffer] met een mes in de buik heeft gestoken en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, uitgaande van een bewezenverklaring van de poging tot doodslag.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding alsook de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Het incident is namelijk het gevolg van een onderling conflict in de straat waar verdachte woont, waarin [slachtoffer] zelf ook een groot aandeel heeft.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsfeit. Tussen verdachte en [slachtoffer] is al langere tijd sprake van een burenruzie. Op 18 december 2025 is dit volledig uit de hand gelopen. Verdachte heeft toen op enig moment een mes uit de keuken gepakt en is met dit mes naar buiten gelopen in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] stond op dat moment in zijn voortuin aan de andere kant van een hekje. Verdachte heeft [slachtoffer] geraakt met het mes, waardoor [slachtoffer] een snijwond heeft opgelopen in zijn buik. Dat [slachtoffer] hierbij relatief gering letsel heeft opgelopen, is simpelweg geluk geweest. De rechtbank vindt het kwalijk dat verdachte op deze manier heeft gehandeld in een burenconflict en terwijl zijn minderjarige (stief)zoon naast hem stond. Met zijn handelen heeft verdachte ook gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen in de buurt en bij de omstanders.
Tegelijkertijd heeft de rechtbank aanwijzingen dat verdachte op sommige momenten werd geprovoceerd. Dit blijkt onder meer uit de door de raadsvrouw van verdachte toegezonden beelden en uit de contacten van verdachte met de gemeente waarin hij bij herhaling om hulp lijkt te vragen.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft een fors strafblad. Hieruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor geweldsfeiten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht gelet op de strafzaken tegen verdachte waarin op 23 februari 2026 en 31 maart 2026 een zitting is geweest en waarbij aan verdachte ook straffen zijn opgelegd.
De rechtbank weegt verder in het nadeel van verdachte mee dat hij niet de volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Zo bagatelliseert verdachte zijn handelen door op zitting te verklaren dat het niet de bedoeling was om [slachtoffer] met het mes te raken. Verdachte wilde [slachtoffer] met het mes afschrikken en maakte een zwaaiende beweging waarbij hij [slachtoffer] per ongeluk raakte, aldus verdachte. Uit deze houding van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte de ernst van zijn handelen onvoldoende inziet.
Over verdachte zijn door de reclassering verschillende rapporten opgemaakt. Uit het rapport van 27 maart 2026 volgt dat de reclassering het risico op recidive inschat als hoog. Er worden op meerdere leefgebieden risicofactoren gezien, met name ten aanzien van het psychosociaal functioneren van verdachte en zijn houding. Er lijkt ook sprake te zijn van een gebrekkige zelfbeheersing en beperkt probleembesef van zijn gewelddadige gedrag. In het verleden heeft verdachte zich vermijdend opgesteld ten aanzien van behandelingen en heeft hij meerdere keren niet meegewerkt aan reclasseringstoezicht. Gelet hierop en op het ontbreken van inzicht in het psychosociaal functioneren, worden interventies in een forensisch kader niet uitvoerbaar geacht.
De straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Voor de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op wat de reclassering heeft geadviseerd ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Zij zal dan ook volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 9.050,00, bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 9.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade (jas)
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 50,00 voor schade aan zijn jas. De rechtbank zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid nu stukken ter onderbouwing van het precieze schadebedrag ontbreken, maar uit het dossier wel duidelijk blijkt dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit schade aan zijn jas heeft opgelopen. De rechtbank zal die schade begroten op een bedrag van € 50,00. De door de benadeelde partij gevorderde schadepost acht de rechtbank dan ook volledig toewijsbaar.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft letsel opgelopen, namelijk een snijwond in zijn buik. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij verwijst naar de categorie ‘borstletsel’ van de Rotterdamse Schaal, maar de rechtbank zoekt geen aansluiting bij deze categorie omdat de benadeelde partij geen borstletsel heeft opgelopen. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend acht de rechtbank hiervoor een vergoeding van een bedrag van € 3.000,00 billijk. De rechtbank weegt daarbij mee dat zij niet is geïnformeerd over het herstel van het letsel.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal het toegekende schadebedrag (€ 3.050,00) vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2025. Tevens zal zij de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De vorderingen tenuitvoerlegging

Parketnummer 02-420634-24
De officier van justitie heeft gevorderd hem niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 11 november 2025.
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat uit het strafblad volgt dat deze vordering al eerder is toegewezen.
Parketnummer 02-266620-20
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf 4 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van
16 maart 2021 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat op basis van het strafblad en wat op zitting is besproken niet met voldoende zekerheid is vast te stellen dat de proeftijd nog liep op het moment van het plegen van het onderhavige feit.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 8 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.050,00, waarvan € 50,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 3.050,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vorderingen tenuitvoerlegging
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken onder parketnummers 02-266620-20 en 02-402634-24;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter, en mr. G.H. Nomes en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2026.
Mr. Skalonjic en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegginghij op of omstreeks 18 december 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in de buik, althans de romp, te steken en/of te snijden en/of met een mes een zwaarbeweging te maken in de buik, althans de romp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 december 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in de buik, althans de romp, heeft gestoken en/of heeft gesneden en/of met een mes een zwaaibeweging heeft gemaakt in de buik, althans de romp terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;