ECLI:NL:RBZWB:2026:5419

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447349 / JE RK 26-682
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in pleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De minderjarige verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin, waar hij de nodige stabiliteit en zorg krijgt. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de vader is overleden.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door hechtings- en traumaproblematiek, gedragsproblemen en een complexe hulpvraag. De hulpverlening is gestagneerd door het stoppen van PMT en lange wachttijden bij gespecialiseerde instellingen. De verstandhouding tussen moeder en pleegmoeder is verbeterd maar blijft kwetsbaar.

Gezien de noodzaak van voortgezette hulpverlening en het belang van continuïteit in de zorg, acht de kinderrechter verlenging van de maatregelen voor de duur van één jaar passend. Er wordt benadrukt dat de gecertificeerde instelling een toekomstplan moet opstellen om tot beëindiging van de maatregelen te komen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van één jaar.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/447349 / JE RK 26-682
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder, (tevens oma)
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 15 april 2026;
- de brief van de GI met bijlage van 23 april 2026, betreffende een toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing door de Raad voor de Kinderbescherming.
1.2.
Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de pleegmoeder;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder niet bij de zitting verschenen. De pleegmoeder laat de kinderrechter weten dat de moeder niet naar de rechtbank zal komen. De pleegmoeder heeft de moeder er op gewezen dat zij een verzoek kon doen om digitaal bij de zitting aan te sluiten, maar van die mogelijkheid heeft de moeder geen gebruik gemaakt. De kinderrechter zet de zitting voort bij haar afwezigheid.
1.4.
De [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening over de verzoeken kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van en brief. De pleegmoeder laat de kinderrechter weten dat [minderjarige] van deze mogelijkheden geen gebruik wilde maken.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader is overleden.
2.2.
Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 juni 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige] verlengd tot 7 december 2025 onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.3.
Laatstelijk, bij beschikking van 1 december 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 7 december 2025 tot 7 juni 2026.
2.4.
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] in een perspectiefbiedend pleeggezin. De pleegmoeder is tevens de oma van [minderjarige] (moederzijde).
2.5.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 april 2026 waarin de Raad adviseert om in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing na twee jaar te verlengen.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] heeft in zijn leven veel instabiliteit en onveiligheid meegemaakt in zijn opvoedsituatie vanwege een turbulente relatie tussen de ouders waarbij er ook agressie was. Ten gevolge hiervan is bij [minderjarige] sprake is van hechting- en traumaproblematiek. Ook laat [minderjarige] een negatief zelfbeeld zien, kent hij gedragsproblemen en deed hij eerder suïcidale uitspraken. [minderjarige] heeft daarnaast last van slaapproblemen en heeft hij moeite met prikkels.
4.2.
Hoewel [minderjarige] bij PMT een groei heeft doorgemaakt en heeft hij laten zien dat hij in staat is tot samenwerking met anderen en hij zichzelf ook in anderen kan verplaatsen, wordt in de afgelopen periode gezien dat het minder goed gaat met hem. Er zijn veranderingen geweest in het leven van [minderjarige] waar hij moeite mee heeft. Hij heeft een halfzusje gekregen, wat in de thuissituatie van de moeder een grote aanpassing vergt. [minderjarige] moet hier aan wennen. Ook op school gaat sinds het begin van dit jaar minder goed. [minderjarige] heeft wisselende leerkrachten en daar heeft hij last van. Bij scouting heeft [minderjarige] een-op-een-begeleiding nodig, wat hem niet kan worden geboden. PMT is gestopt. [de jeugdhulpaanbieder] heeft aangegeven [minderjarige] geen behandeling te kunnen bieden, omdat zijn problematiek te complex is en dit andere expertise vraagt. Er is daaropvolgend een intakegesprek geweest bij Sterk Huis. Hoewel bij [jeugdhulporganisatie] de juiste expertise in huis is, zijn de wachttijden daar erg lang. Daarom is ervoor gekozen om ook Sterk Huis in te schakelen, die een kortere wachtlijst heeft, dit ter aanvulling en mogelijk ter overbrugging.
4.3.
In het afgelopen jaar is het perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat [minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen en daar gaat opgroeien. Ondanks dat dit voor de moeder moeilijk is en ondanks haar wens dat [minderjarige] bij haar komt wonen, accepteert zij het perspectiefbesluit en kan zij dit ook richting [minderjarige] uitstralen. De onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder is verbeterd. Zij zijn gegroeid in het onderlinge contact. Er is sprake van meer afstemming en er wordt uitgegaan van goede intenties. Echter, dit blijft fragiel en bezien moet worden of dit voor een langere tijd kan worden vastgehouden. Het wantrouwen van de moeder richting hulpverlening is opgelaaid vanwege het standpunt van [de jeugdhulpaanbieder] om [minderjarige] geen behandeling aan te bieden. Wel heeft de moeder hulpverlening geaccepteerd voor haar eigen problematiek. Tot een daadwerkelijke start van traumabehandeling is het echter nog niet gekomen.
4.4.
Gelet op het voorgaande acht de GI het van belang dat de maatregelen worden verlengd. Hulpverlening dient te worden ingezet en de plaatsing bij het pleeggezin moet gewaarborgd blijven. Gelet op de wachtlijsten is een verlenging voor de duur van één jaar passend. De GI begrijpt dat de maatregelen niet oneindig voort kunnen duren en er in dat opzicht een toekomstperspectief moet zijn. Een gezagsbeëindigende maatregel voor de moeder is daarbij geen overweging, omdat de moeder er voor [minderjarige] is als dat nodig is en zij haar gezag niet misbruikt. De GI zal in de komende periode alle mogelijkheden afwegen.

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1.
De pleegmoeder heeft, samengevat, naar voren gebracht dat zij achter de verzoeken kan staan. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat hij de juiste hulpverlening krijgt. De pleegmoeder vindt het lastig om te zien dat de moeder, die als alleenstaande de zorg over drie andere kinderen heeft, worstelt. De moeder heeft het momenteel pittig. Daardoor is het bij de moeder chaotisch en vergeet zij dingen, zoals ook deze zitting.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
6.3.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] onverminderd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ten opzichte van de vorige beschikking is hierin geen wijziging. De kinderrechter maakt zich zorgen over de in hiervoor in rechtsoverweging 4.1. beschreven omstandigheden. Dat [minderjarige] het momenteel moeilijk heeft, bevestigt dat het nog niet goed met hem gaat en inzet van verdere hulpverlening noodzakelijk is.
6.6.
Bij de zitting is uitvoerig besproken dat hulpverlening rondom [minderjarige] is gestagneerd. [de jeugdhulpaanbieder] heeft aangegeven hem geen behandeling te kunnen bieden, terwijl PMT is gestopt. Bij [jeugdhulporganisatie] , die de juiste expertise heeft, is een lange wachtlijst en ook Sterk Huis is nog niet met hulpverlening gestart. Hierdoor stagneert de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Dit is zorgelijk. Betrokkenheid van en monitoring door de GI is nodig om voor [minderjarige] de juiste hulpverlening in te kunnen zetten én om zijn ontwikkeling hierin te volgen. De kinderrechter heeft er, evenals de GI en de Raad, onvoldoende vertrouwen in dat dit de moeder en de pleegmoeder lukt in het vrijwillig kader. De kinderrechter betrekt daarin dat de verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder weliswaar is verbeterd, maar nog te kwetsbaar is. Dat zij beter in contact zijn ziet de kinderrechter als iets positiefs en dat verdient een compliment. De komende periode moet echter ook uitwijzen of dit bestendig genoeg is. Daarnaast is de moeder wantrouwend richting hulpverlening en zit zij, zo is gebleken tijdens de zitting, in een moeilijke periode. Betrokkenheid van de GI is daarom nodig om ook zicht te houden op de onderlinge verstandhouding van de betrokkenen om [minderjarige] heen en de draagkracht en belastbaarheid van de moeder te blijven peilen.
6.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat het in het belang van [minderjarige] is om de ondertoezichtstelling te verlenen en daarmee de betrokkenheid van de GI te waarborgen. Aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan.
6.8.
De machtiging tot uithuisplaatsing zal eveneens worden verlengd. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin, waarover reeds een perspectiefbesluit is genomen, moet worden gewaarborgd. Hier krijgt hij wat hij nodig heeft. [minderjarige] is voortdurend op zoek naar veiligheid en stabiliteit en heeft vanwege zijn problematiek veel aansluiting en ondersteuning nodig van zijn opvoeders. Dit kan het pleeggezin hem bieden.
Duur van de maatregelen
6.9.
Zoals hiervoor reeds is overwogen zal de kinderrechter beide maatregelen verlengen. Voorts staat de kinderrechter voor de vraag voor hoelang. De kinderrechter overweegt daarbij dat al geruime tijd sprake is van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en de wetgever niet heeft bedoeld dat de maatregelen oneindig worden verlengd én het perspectief van [minderjarige] reeds is bepaald. Zoals ter zitting door de kinderrechter is benoemd, staat de GI op een kruispunt. In de nabije toekomst moet immers gekomen worden tot een beëindiging van de maatregelen ofwel met een overdracht naar het vrijwillig kader, ofwel via een gezagsbeëindigende maatregel. Het is aan de GI om deze opties in de komende periode af te wegen en, in dat kader, ook te werken aan een toekomstplan. Voor alle betrokkenen is namelijk belangrijk dat er hierover duidelijkheid komt.
6.10.
Vooralsnog, en zolang boven bedoelde duidelijkheid er niet is, zal de kinderrechter beide maatregelen verlengen voor de duur van één jaar. De kinderrechter acht dit – voor nu –
een passende periode en neemt daarbij met name in aanmerking dat de benodigde hulpverlening (Sterk Huis, dan wel [jeugdhulporganisatie] ) nog niet is aangevangen en hiervoor verdere betrokkenheid van de GI nodig is. Ook blijft zicht nodig op de verstandhouding tussen de pleegmoeder en de moeder, op de draagkracht en belastbaarheid van de moeder en op de schoolgang van [minderjarige] . De kinderrechter heeft er, hoewel hij ook positieve stappen ziet, geen vertrouwen in dat binnen een kortere periode een overdracht naar het vrijwillig kader plaats kan vinden en de benodigde stabiliteit is gevonden.
6.11.
Indien en voor zover hierna een nieuwe verlenging van de maatregelen nodig is, verwacht de kinderrechter van de GI een toekomstplan om te komen tot een beëindiging van de maatregelen en verneemt hij welke afwegingen de GI hierin heeft gemaakt.
6.12.
De kinderrechter geeft de GI tot slot nog het volgende mee. Sinds 1 juli 2025 hanteert de rechtbank een lijst met categorieën voor uithuisplaatsing omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De kinderrechter benoemt bij het afgeven van de machtiging tot uithuisplaatsing voor welke categorie die machtiging wordt afgegeven. In het geval van [minderjarige] is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing ‘in een pleeggezin’. Dit valt in de categorie een ‘voorziening voor pleegzorg’.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.13.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
6.14.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 juni 2026 tot 7 juni 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 juni 2026 tot 7 juni 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.