Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026;
- het stelbericht van mr. Bissumbhar van 11 mei 2026;
- het bericht van mr. Bissumbhar van 20 mei 2026.
Mr. Bissumbhar heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling de kinderrechter te kennen gegeven dat zowel zij als de moeder niet bij de zitting aanwezig zullen zijn.
2.De feiten
[minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 26 mei 2026.
3.Het verzoek
4.De standpunten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het verleden blootgesteld aan instabiliteit in de opvoeding. Sinds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin verblijven ontwikkelen zij zich positief. De pleegmoeder biedt hen een veilige en stabiele omgeving met voorspelbare structuur en grenzen, wat hen helpt om zich emotioneel en sociaal beter te ontwikkelen. Het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is in 2021 in het pleeggezin bepaald en dus wordt er niet meer gewerkt aan terugplaatsing. De GI ziet enerzijds geen gronden voor een gezagsbeëindigende maatregel, maar heeft anderzijds wel zorgen over een overdracht naar het vrijwillig kader. De samenwerking met de moeder is goed, maar wanneer er instanties moeten worden betrokken laat de moeder weerstand zien, bijvoorbeeld toen pleegzorgbegeleiding eenmalig aanwezig zou zijn bij het omgangsmoment omdat de pleegmoeder geopereerd werd. Deze weerstand wordt groter als de vader weer in beeld komt bij de moeder. Wat het nog ingewikkelder maakt is dat er zorgen zijn over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat zij in de toekomst hulp nodig hebben. De pleegmoeder heeft overigens aangegeven geen pleegoudervoogdij te willen uitoefenen. De GI heeft de Raad voor de Kinderbescherming inmiddels verzocht om een onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. Voorts geeft de GI aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder eens per vier weken omgang hebben bij oma moederszijde. Om verschillende redenen zegt de moeder de omgang soms af. Soms is het financieel moeilijk voor haar om de omgangsmomenten na te komen. Tijdens de omgangsmomenten wordt gezien dat de moeder liefde en betrokkenheid toont, maar moeite heeft om aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen en grenzen te stellen. De communicatie tussen de pleegmoeder en de moeder verloopt goed. De moeder verblijft met haar jongste zoontje [persoon] in een moeder-kindhuis in [woonplaats] . De vader is het afgelopen jaar niet in beeld geweest en al sinds 2023 is er geen omgang meer tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader.
5.De beoordeling
- een gestructureerde en veilige omgangsregeling;
- acceptatie van de plaatsing in het pleeggezin door de vader;
- onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel.
6.De beslissing
26 mei 2026 tot 26 mei 2027;
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.