ECLI:NL:RBZWB:2026:544
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €495.000 per 1 januari 2022 en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 18 december 2025, waarbij belanghebbende niet aanwezig was.
De rechtbank constateerde dat het hoorrecht was geschonden doordat geen hoorzitting plaatsvond ondanks het verzoek daartoe, en dat de uitspraak op bezwaar niet aan de gemachtigde was verzonden, wat in strijd is met artikel 6:17 Awb Pro. Ook was er sprake van een motiveringsgebrek omdat het gelijkheidsbeginsel niet in de uitspraak op bezwaar was behandeld. Deze gebreken werden echter gepasseerd omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij daardoor in zijn belangen was geschaad.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix van de heffingsambtenaar werd onvoldoende betrouwbaar geacht, maar het eigen verkoopcijfer van de woning vlak voor de waardepeildatum vormde een goede indicatie van de waarde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de vergelijkingsappartementen niet gelijkwaardig waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de beschikking en aanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.