ECLI:NL:RBZWB:2026:5449

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/440550 / JE RK 25-1789
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen wegens onvoldoende stabiele opvoedsituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2009 en 2014, die sinds september 2024 onder toezicht van de GI staan. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar ondanks jarenlange intensieve hulpverlening slaagt zij er niet in een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden.

Tijdens de zitting op 21 mei 2026, die met gesloten deuren werd gehouden, werd ook de mening van de minderjarigen betrokken. De jongste minderjarige sprak met de kinderrechter en gaf aan graag terug te willen naar huis, maar ook tevreden te zijn met de huidige woonsituatie en het contact met de begeleiding. De moeder stemt in met verlenging voor de oudste minderjarige, maar wenst de jongste thuis te zien.

De kinderrechter oordeelt dat de moeder onvoldoende stabiliteit, rust, emotionele veiligheid en duidelijkheid kan bieden, mede door wisselende orde en spanningen in de thuissituatie. De minderjarigen verblijven momenteel in professionele opvang waar zij de benodigde begeleiding krijgen. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk en in het belang van hun verzorging en opvoeding.

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tevens wordt de GI opgedragen samen met de moeder en hulpverlening te onderzoeken hoe het contact tussen de minderjarigen, vooral de jongste, en de moeder kan worden uitgebreid.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen wordt verlengd tot 5 december 2026 wegens onvoldoende stabiele thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/440550 / JE RK 25-1789 (
[minderjarige 1])
C/02/440556 / JE RK 25-1792 (
[minderjarige 2])
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] (België),
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] (België),
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 25-1789:
  • de beschikking van 24 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI, ontvangen op 1 mei 2026.
Inzake JE RK 25-1792:
  • de beschikking van 24 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI, ontvangen op 1 mei 2026.
1.2.
Op 21 mei 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de zitting met gesloten deuren gezamenlijk behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid zijn mening te geven. [minderjarige 2] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tijdens de zitting aanwezig mevrouw [persoon] , begeleidster bij [hulpverlening] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 20 september 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2024 en tot 4 oktober 2024. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 20 september 2024 tot 4 oktober 2024. Daarnaast is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 20 september 2024 tot 4 oktober 2024.
2.3.
Bij beschikking van 1 oktober 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 oktober 2024 en tot 20 december 2024. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 oktober 2024 tot 20 december 2024. Voor [minderjarige 1] is een machtiging verleend om hem te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 oktober 2024 tot 20 december 2024.
2.4.
Bij beschikking van 5 december 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 december 2024 en tot 5 december 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 24 november 2025 verlengd tot 5 december 2026.
2.5.
Bij beschikking van 5 december 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 december 2024 en tot 5 september 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 5 juni 2026.
2.6.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige 1] bij een woongroep van Juvent en verblijft [minderjarige 2] bij het [jongerenhuis] .

3.De verzoeken

Inzake JE RK 25-1789
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 5 juni 2026 en tot 5 december 2026.
Inzake JE RK 25-1792
3.3.
De GI verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 5 juni 2026 en tot 5 december 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van beide verzoeken. Het lukt de moeder, ondanks de inzet van intensieve hulpverlening, namelijk niet om voldoende stabiliteit, rust, duidelijkheid en overwicht te bieden in de opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
4.2.
[minderjarige 2] wil het liefst weer bij haar moeder wonen. Zij snapt niet goed waarom zij niet terug kan naar de thuissituatie van haar moeder. Door de GI is namelijk aangegeven dat dit komt door de onrust die het verblijf van haar broers in de thuissituatie van de moeder geeft, maar haar broers beschikken inmiddels over een eigen woning en komen daardoor veel minder bij de moeder. Als [minderjarige 2] nog niet terug naar huis kan, wil zij graag op de huidige groep blijven. Zij vindt het daar namelijk wel fijn en heeft goed contact met de begeleiding en haar groepsgenoten. Ook zou [minderjarige 2] het fijn vinden als zij vaker naar de moeder toe zou mogen gaan en daar af en toe een nachtje zou mogen blijven slapen.
4.3.
De moeder wil het liefst dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weer thuis komen wonen, maar ziet ten aanzien van [minderjarige 1] ook dat hij ondertussen 17 jaar oud is en goede begeleiding krijgt op de groep. Zij kan daarom instemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Dit ligt anders ten aanzien van [minderjarige 2] . De moeder kan namelijk goed voor [minderjarige 2] zorgen en zij kan daarom naar huis komen. Ingeval [minderjarige 2] toch langer in het jongerenhuis moet verblijven, is het van belang dat het contact tussen [minderjarige 2] en de moeder wordt uitgebreid. Daar hebben zowel [minderjarige 2] als de moeder veel behoefte aan.

5.De nadere beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De moeder heeft de Servische nationaliteit, waardoor deze zaak een internationaal
karakter heeft. Om die reden dient de rechtbank eerst de rechtsmacht en het toepasselijk recht te beoordelen. Nu de moeder en de minderjarigen in Nederland verblijven, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening Brussel II-ter bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
5.2.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond
van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
Het wettelijk kader
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de moeder op dit moment nog onvoldoende in staat is om een veilige, voorspelbare en stabiele opvoedsituatie te creëren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hiertoe overweegt de kinderrechter dat er tijdens het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap veel positieve punten zijn gezien over de moeder, onder andere dat zichtbaar is dat zij veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houdt. Tegelijkertijd is uit dit onderzoek gebleken dat er verschillende factoren zijn die maken dat de opvoedsituatie bij de moeder op dit moment niet toereikend is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het lukt de moeder, ondanks de inzet van jarenlange intensieve hulpverlening, namelijk niet om voldoende stabiliteit, rust, emotionele veiligheid, duidelijkheid en overwicht te bieden in de opvoeding van de minderjarigen. De moeder heeft moeite met het bieden van structuur, regelmaat en duidelijke grenzen en daarnaast wordt de thuissituatie gekenmerkt door een wisselende mate van orde en terugkerende spanningen, met name wanneer de oudere broers van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aanwezig zijn. Ook neemt de kinderrechter in overweging dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dit moment allebei in een omgeving verblijven met professionele opvoeders, die hen de opvoedomgeving kunnen bieden die zij nodig hebben. Er zijn zorgen over het gedrag van [minderjarige 1] en gebleken is dat hij behoefte heeft aan duidelijke kaders, voorspelbaarheid en intensieve begeleiding, waarin de moeder onvoldoende kan voorzien. Dit maakt een thuisplaatsing van [minderjarige 1] op dit moment niet in zijn belang. Ten aanzien van [minderjarige 2] is gebleken dat zij op haar plek zit op de huidige groep en daar een positieve ontwikkeling doormaakt, waardoor de kinderrechter van oordeel is dat een thuisplaatsing van [minderjarige 2] evenmin in haar belang is. Beide kinderen lijken eindelijk toe te komen aan hun kindeigen ontwikkeling. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat continuering van de uithuisplaatsing nodig is om de veiligheid en stabiliteit van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te waarborgen. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarom nog steeds noodzakelijk in het belang van hun opvoeding en verzorging. De kinderrechter is daarmee van oordeel dat wordt voldaan aan bovengenoemde wettelijke vereisten en zal het resterende deel van de verzoeken toewijzen. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 5 december 2026.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat de behoefte van [minderjarige 2] aan meer contact met de moeder, en dan met name aan één-op-één-contact, serieus wordt genomen door de GI. Daarom verwacht de kinderrechter dat de GI in de komende periode samen met de moeder en de betrokken hulpverlening onderzoekt wat er mogelijk is in het contact tussen de minderjarigen (en in het bijzonder van [minderjarige 2] ) en de moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Inzake JE RK 25-1789
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 juni 2026 en tot 5 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Inzake JE RK 25-1792
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 juni 2026 en tot 5 december 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.