ECLI:NL:RBZWB:2026:5456

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446619 / JE RK 26-548
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en loyaliteitsconflict

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging. De situatie wordt gekenmerkt door langdurige spanningen en conflicten tussen de ouders, inclusief verbaal en fysiek geweld, en zorgen over middelengebruik door de moeder. Een incident waarbij de moeder bewusteloos werd aangetroffen en in coma lag, heeft de situatie verergerd.

Tijdens de zitting, waarbij beide ouders met tolken aanwezig waren, werd vastgesteld dat de ouders onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. De moeder ontkent het middelengebruik, ondanks medisch bewijs, en het contact tussen de vader en de minderjarige verloopt moeizaam, waarbij de moeder onvoldoende faciliteert.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen, met als doelen het voorkomen van blootstelling aan ouderlijke conflicten en middelengebruik, verwerking van traumatische gebeurtenissen, en verbetering van de ouderrelatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt voor de duur van een jaar.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446619 / JE RK 26-548
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. C.K. Visser uit Oud-Beijerland.
De kinderrechter merkt als informant aan:
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Eindhoven,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- de vader met zijn advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- de moeder met haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Tussen de ouders van [minderjarige] is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank (zaaknummer C/02/414465/FA RK 23/4606). Er is een voorlopige zorgregeling bepaald. [minderjarige] verblijft van dinsdag na school tot woensdag voor school en om het weekend bij de vader. Het overige deel van de tijd is [minderjarige] bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstig ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . De situatie rondom [minderjarige] is zeer zorgelijk. Zij wordt al geruime tijd blootgesteld aan ruzie, spanning, negativiteit tussen haar ouders. In het verleden is sprake geweest van verbaal en fysiek geweld tussen de ouders. [minderjarige] heeft hier zichtbaar last van. Daarnaast zijn er zorgen over middelengebruik door de moeder van [minderjarige] en over een incident van 27 september 2025 waarbij [minderjarige] haar moeder bewusteloos heeft gevonden. Er waren toen vermoedens van middelengebruik. De moeder heeft toen enige tijd in coma gelegen en was zelfs hersendood verklaard. Tegen alle verwachtingen in is de moeder gelukkig hersteld. Desalniettemin zal dit voor [minderjarige] een zeer ingrijpend gebeurtenis zijn geweest. De Raad heeft zorgen of de moeder voldoende veiligheid en beschikbaarheid kan bieden in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Verder bestaan er zorgen of de moeder voldoende in staat is om de vader een rol in het leven van [minderjarige] te geven. Zo heeft [minderjarige] haar vader op het moment van deze zitting al drie weken niet gezien. De moeder geeft aan dat zij het contact niet blokkeert en dat [minderjarige] zelf haar vader kan bellen als zij naar hem toe wil gaan. Het is echter de plicht van de moeder om dit contact te faciliteren. De moeder kan het niet aan [minderjarige] overlaten om het contact met haar vader te organiseren. Dit aspect zal de Raad ook betrekken bij de zitting over de zorgregeling die in juli 2026 gepland staat. De Raad vindt het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en de vader per direct wordt hervat, zoals deze is vastgelegd.
4.2.
De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en de benodigde hulpverlening te accepteren. Eerdere hulpverlening binnen het vrijwillig kader heeft er niet voor kunnen zorgen dat de zorgen zijn afgenomen of afgewend. De ouders, en met name de moeder, zien geen rol voor zichzelf weggelegd om een verandering te bewerkstelligen.
De Raad is van mening dat ook de moeder iets moet veranderen. De moeder ontkent het middelengebruik ten tijde van haar opname in het ziekenhuis, terwijl door het ziekenhuis is vastgesteld dat daar sprake van was. Op het moment dat de moeder het ziekenhuis uit mocht, is de strijd tussen de ouders verder gegaan.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling. De moeder doet al drie jaar haar best om de situatie te verbeteren, maar er is nog niets veranderd. De moeder heeft moeite met de inhoud van het raadsrapport, omdat zij geen notoire drugsgebruiker is. De behandeld arts heeft gezegd dat mogelijk sprake is van middelengebruik, maar de huisarts heeft testen gedaan en heeft verklaard dat de moeder niet gebruikt. Het is belangrijk dat er passende hulpverlening komt. Het heeft lang geduurd voordat er een passende hulpverlener was gevonden voor de ouders in het kader van het Uniform Hulpaanbod, vanwege de taalbarrière van de ouders. De moeder wil heel graag meewerken, maar ervaart constant het gevoel dat zij opgejaagd wordt door alle procedures. De moeder houdt zich aan de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . De vader zegt soms afspraken af. De regeling loopt met horten en stoten, maar het is niet zo dat de zorgregeling al tijden niet wordt nageleefd. De moeder heeft het contact met de vader niet geblokkeerd. [minderjarige] en de vader hebben telefonisch contact met elkaar als ze dat willen. Als [minderjarige] iets met de vader afspreekt, mag ze daarheen gaan. Als de vader het contact zo belangrijk vindt, moet hij ook voor haar betalen. De moeder vindt verder dat het goed gaat met [minderjarige] . Ook op school gaat het goed.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in de ondertoezichtstelling. De vader maakt zich al jaren zorgen over de situatie van [minderjarige] bij de moeder. [minderjarige] gaat vaak niet naar school en liegt op school. De contactregeling wordt in de beleving van de vader vaak gefrustreerd door de moeder. De moeder houdt zich regelmatig niet aan de afspraken. [minderjarige] staat constant onder druk van de moeder. Wat de moeder op de zitting heeft verteld over de contactregeling klopt niet. De vader heeft [minderjarige] al drie weken niet mogen zien van de moeder. De moeder informeert de vader ook niet over hoe het met [minderjarige] gaat. De hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod kon pas laat starten omdat dit via een Poolse organisatie moest verlopen. In het traject van het Uniform Hulpaanbod is alles gericht geweest op de vader. Er is naar aanleiding van beschuldigingen door de moeder onderzocht of hij in staat is voor [minderjarige] te zorgen en of hij zich in een crimineel netwerk begeeft. De vader is van mening dat ook de situatie bij de moeder onderzocht moet worden. Hij vindt dat het raadsonderzoek veel eerder had moeten plaatsvinden.

6.Het standpunt van de GI

6.1.
Door de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat de GI zich kan vinden in het verzoek en bereid is de ondertoezichtstelling uit te voeren. Er is direct een jeugdbeschermer beschikbaar. De GI zal inzetten op Poolse hulpverlening voor de ouders. De GI stelt vast dat de oudercommunicatie stroef verloopt. De GI is het met de Raad eens dat het niet de bedoeling is dat [minderjarige] zelf de omgang met de vader regelt. De GI zal ook hieraan werken.

7.De beoordeling

Wettelijk kader
7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan voornoemde voorwaarden. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Er bestaan forse zorgen over haar ontwikkeling. Deze zijn met name gelegen in de problemen tussen de ouders. In het verleden is [minderjarige] getuige geweest van zowel verbaal als fysiek geweld tussen haar ouders. Zij wordt al geruime tijd blootgesteld aan ruzie en spanningen tussen hen. De communicatie tussen de ouders verloopt slecht. Inmiddels is sprake van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] en zij heeft hier zichtbaar last van. [minderjarige] vertoont psychische en lichamelijke reacties op conflict. Ook laat zij zelfbepalend gedrag zien. De ouders zijn al in 2023 aangemeld voor het Uniform Hulpaanbod, maar vanwege de taalbarrière heeft het een lange tijd geduurd voordat dit traject van start kon gaan. Nadat het traject uiteindelijk in gang was gezet, bleek de hulpverlening niet voldoende effect te hebben. Daarnaast bestaan er zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Op 27 september 2025 heeft [minderjarige] de moeder buiten bewustzijn aangetroffen op de zolder. De politie heeft gemeld dat de moeder op de grond is aangetroffen tussen lege flessen alcohol. De moeder heeft daarna enige tijd in coma gelegen in het ziekenhuis. Gelukkig is de moeder hier goed van hersteld. Bij een toxicologisch onderzoek in het ziekenhuis zijn eind september 2025 sporen van verdovende middelen in haar bloed gevonden. De moeder ontkent het middelengebruik, maar zij lijkt daarover niet eerlijk te zijn. De kinderrechter vindt dit zeer zorgelijk.
7.3.
Het incident op 27 september 2026 en de ziekenhuisopname van haar moeder moeten bijzonder ingrijpend zijn geweest voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat zij behandeling krijgt om hiermee om te gaan, zodat zij deze gebeurtenis op een goede manier kan verwerken. Ook is het noodzakelijk dat de ouders werken aan de ouderrelatie en dat er hulpverlening komt om het contact tussen [minderjarige] en de vader te waarborgen. Zoals de Raad op de zitting aangaf, is de moeder verplicht zich te houden aan de voorlopige contactregeling zoals deze is bepaald. Het is niet voldoende als de moeder het contact tussen de vader en [minderjarige] niet blokkeert, zoals zij zelf aangeeft dit niet te doen. De moeder moet dit contact ook faciliteren. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat zij contact heeft met beide ouders en dat zij ook de emotionele toestemming ervaart van beide ouders om contact met de andere ouder te hebben.
7.4.
De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen en de daarvoor noodzakelijke hulpverlening te accepteren. Het is in het belang van [minderjarige] dat de situatie verandert, maar de eerdere vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende geleid tot vermindering van de zorgen.
7.5.
Met de Raad, de ouders en de GI is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk is om de veiligheid van haar ontwikkeling te waarborgen. Gelet op de zorgen is de ondertoezichtstelling noodzakelijk voor de duur van een jaar. Het – onweersproken – verzoek zal daarom worden toegewezen.
7.6.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
  • [minderjarige] wordt niet geconfronteerd met ruzies en spanningen tussen haar ouders;
  • [minderjarige] wordt niet geconfronteerd met middelengebruik door haar ouders;
  • [minderjarige] heeft ingrijpende levensgebeurtenissen uit het verleden verwerkt, zodat zij hier in het dagelijkse leven geen last (meer) van ondervindt;
  • De ouders hebben een constructieve samenwerking en communicatie met elkaar, zodat [minderjarige] hier geen last van ondervindt;
  • De ouders weten met elkaar om te gaan als ex-partners en als ouders van [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
7.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.