ECLI:NL:RBZWB:2026:5464

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448117 / JE RK 26-830
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige na weglopen

De zaak betreft een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen om een spoedmachtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2010, die sinds 9 mei 2026 is weggelopen van een jeugdzorginstelling en sindsdien vermist is. De kinderrechter had reeds op 13 mei 2026 een spoedmachtiging verleend voor twee weken en beoordeelt nu het resterende deel van het verzoek.

Tijdens de zittingen, waarbij de moeder, de advocaat van de minderjarige en vertegenwoordigers van het college aanwezig waren, is vastgesteld dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herroeping van de eerdere beschikking. De minderjarige vertoont sinds 2025 grensoverschrijdend en strafbaar gedrag, is onbereikbaar en vertoont agressief gedrag, middelengebruik en draagt wapens. De ouders hebben onvoldoende grip en zicht op zijn activiteiten en sociale contacten.

De kinderrechter acht het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de benodigde jeugdhulp. De gedragswetenschapper stemt in met het verzoek, ondanks dat persoonlijk contact met de minderjarige niet mogelijk was vanwege zijn vermissing. De kinderrechter verleent daarom de spoedmachtiging voor de resterende duur van twee weken, tot 10 juni 2026, met de verwachting dat een verlenging tijdig en met onderbouwing wordt aangevraagd.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp tot 10 juni 2026 vanwege ernstige opvoedingsproblemen en vermissing van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448117 / JE RK 26-830
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VLISSINGEN,
locatie Vlissingen,
hierna te noemen: het college,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] (Syrië),
hierna te noemen: [minderjarige] .
advocaat: mr. S. van Steenberge uit Terneuzen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 13 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van het college.
1.3.
Omdat de advocaat van [minderjarige] verhinderd was op 18 mei 2026, heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren op 21 mei 2026 voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- twee vertegenwoordigers van het college.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn bij beide zittingen niet verschenen:
- [minderjarige] ;
- de vader.
1.5.
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan een begeleider van Seada om bij de zitting van 18 mei 2026 aanwezig te zijn. Deze begeleider heeft (met instemming van de andere aanwezigen) tijdens deze zitting ook vertaald voor de moeder.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn ouders.
2.3.
Bij beschikking van 13 mei 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 13 mei 2026 tot 27 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
Het college verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Het college verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.

4.De standpunten

4.1.
Het college handhaaft het resterende deel van het verzoek. Op 9 mei 2026 heeft [minderjarige] zijn enkelband doorgeknipt en is hij weggelopen van de groep van [jeugdzorg]. Sindsdien is hij vermist. Omdat [minderjarige] hiermee zijn schorsende voorwaarden heeft overtreden, heeft de jeugdreclassering een negatieve terugmelding gedaan. Het is daardoor nog onduidelijk of [minderjarige] , zodra hij is gevonden, terug moet naar een justitiële jeugdinrichting of in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zal worden geplaatst. Er is op dit moment nog geen plek voor [minderjarige] beschikbaar bij [accommodatie] of in een andere gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
4.2.
De advocaat van [minderjarige] heeft geen contact gehad met [minderjarige] . Zij denkt dat [minderjarige] niet in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp wil worden opgenomen, maar ziet ook dat aan de wettelijke vereisten voor verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp wordt voldaan.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek van het college. Zij maakt zich veel zorgen over [minderjarige] . Het is voor de moeder vooral van belang dat [minderjarige] veilig is en dat hij de benodigde hulp krijgt.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Bij beschikking van 13 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter moet allereerst bepalen of deze spoedmachtiging gesloten jeugdhulp al dan niet moet worden herroepen. Tijdens de zittingen zijn de advocaat van [minderjarige] , de moeder en het college gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping van die beslissing.
5.2.
De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zittingen is besproken, overweegt de kinderrechter dat er al langere tijd forse zorgen zijn over het gedrag, de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] . Zoals is overwogen in de beschikking van 13 mei 2026 zijn er sinds 2025 meerdere politiemeldingen geweest en heeft [minderjarige] herhaaldelijk grensoverschrijdend en strafbaar gedrag laten zien. [minderjarige] toont in toenemende mate zelfbepalend gedrag, houdt zich niet aan de regels, is (regelmatig) onbereikbaar en verblijft soms langere tijd buitenshuis, zonder dat iemand weet waar hij zich bevindt. De ouders hebben onvoldoende grip op [minderjarige] en zij hebben geen zicht op de activiteiten van [minderjarige] buitenshuis en zijn sociale contacten, terwijl er grote zorgen zijn over het netwerk waarin [minderjarige] zich bevindt. Daarnaast is bij [minderjarige] sprake van agressief gedrag, middelengebruik, het dragen van wapens en zijn er zorgen over zijn mentale gezondheid. Nadat [minderjarige] sinds 10 februari 2026 in [locatie] verbleef, is de voorlopige hechtenis van [minderjarige] op 30 april 2026 geschorst. Als schorsende voorwaarde dient [minderjarige] mee te werken aan elektronische monitoring en vanaf 6 mei 2026 geldt er een locatiegebod met huisarrest voor het adres van [jeugdzorg]. Op 9 mei 2026 heeft [minderjarige] zijn enkelband echter doorgeknipt en is hij weggelopen van [jeugdzorg]. Er is sindsdien geen zicht op waar [minderjarige] verblijft en bij wie hij zich bevindt. Het voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
5.3.
Uit de schriftelijke verklaring van 12 mei 2026 alsook uit hetgeen de moeder tijdens de zitting heeft verklaard, volgt dat de ouders instemmen met het verzoek van het college. Ook de gekwalificeerde gedragswetenschapper stemt in met het verzoek van het college, blijkens de schriftelijke verklaring van 12 mei 2026. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper niet met [minderjarige] heeft kunnen spreken en op basis van dossieronderzoek heeft ingestemd met het verzoek van het college. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zittingen is besproken acht de kinderrechter het voldoende aannemelijk dat persoonlijk onderzoek door de gedragswetenschapper in deze situatie feitelijk niet mogelijk was, gelet op de omstandigheid dat [minderjarige] op 9 mei 2026 is weggelopen van [jeugdzorg] en sindsdien vermist is.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp. De kinderrechter zal de verzochte machtiging dan ook verlenen voor de resterende duur van twee weken, te weten tot 10 juni 2026. Indien er behoefte is aan een verlenging van de maatregel, gaat de kinderrechter ervan uit dat dit verzoek tijdig en met onderbouwing van een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper die [minderjarige] heeft gezien wordt ingediend.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 en tot 10 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.