ECLI:NL:RBZWB:2026:5465

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/02/444142 / JE RK 26-97, C/02/448248 / JE RK 26-856 en C/02/447625 / JE RK 26-737
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:263 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in gezagszaak minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader, en de bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing tegen de moeder. De moeder houdt het kind sinds maart 2026 achter op een voor vader en GI onbekende locatie, ondanks eerdere rechterlijke beslissingen en aanwijzingen van de GI.

De kinderrechter overweegt dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De moeder heeft zich niet gehouden aan de omgangsafspraken en de schriftelijke aanwijzing, waardoor de stabiliteit en het contact met de vader ernstig worden belemmerd. De situatie wordt als schrijnend beoordeeld omdat het kind niet naar school gaat en de moeder geen emotionele toestemming geeft voor contact met de vader.

De schriftelijke aanwijzing wordt bekrachtigd en er wordt een dwangsom opgelegd aan de moeder voor het niet naleven hiervan. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor de machtiging tot uithuisplaatsing, maar niet voor de schriftelijke aanwijzing. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader wordt verlengd en de schriftelijke aanwijzing tegen de moeder wordt bekrachtigd met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/444142 / JE RK 26-97 en C/02/448248 / JE RK 26-856 (verlenging machtiging uithuisplaatsing)
C/02/447625 / JE RK 26-737 (bekrachtiging schriftelijke aanwijzing)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E. Sijnesael uit Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. L.E. van Hevele uit Oostburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/444142 / JE RK 26-97:
- de beschikking van 22 januari 2026 met alle daarin vermelde stukken;
- de brief van de GI met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026.
In zaaknummer C/02/448248 / JE RK 26-856:
- het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026;
- het bericht van de GI met als bijlage het verkort vonnis van 11 mei 2026, ontvangen op 20 mei 2026.
In zaaknummer C/02/447625 / JE RK 26-737:
- het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026;
- het bericht van de GI met als bijlage het verkort vonnis van 11 mei 2026, ontvangen op 20 mei 2026.
1.2.
De zaken zijn vanwege de samenhang gevoegd behandeld op de zitting met gesloten deuren van 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant
van 24 december 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en aldus ten aanzien van de beslissing omtrent de verhuizing naar [plaats] , althans naar één van de omliggende dorpen, de inschrijving op de [basisschool] en de bijbehorende kinderopvanginstelling en ten aanzien van de vaststelling van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op grond waarvan [minderjarige] en de vader voorlopig recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur.
2.3.
Bij beschikking van 14 oktober 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 oktober 2025 en tot 14 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 28 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader, met ingang van 28 november 2025 en tot 12 december 2025.
2.5.
Bij beschikking van 5 december 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 januari 2026 en tot 14 oktober 2026. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader verlengd, met ingang van 12 december 2025 en tot 23 januari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
2.6.
Bij beschikking van 22 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd met ingang van 23 januari 2026 en tot 23 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden. Daarnaast is bepaald dat de moeder en [minderjarige] minimaal 1,5 uur per week omgang met elkaar hebben, waarbij de regie voor wat betreft begeleid naar onbegeleid en uitbreiden in het tempo van [minderjarige] in de handen van de GI wordt gelegd, waarbij door de GI toegewerkt dient te worden naar de door de moeder verzochte regeling, en uiteindelijk naar de voorlopige regeling zoals door het gerechtshof is bepaald, een en ander zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.8.
2.7.
Op basis van deze beschikking zou [minderjarige] bij de vader moeten verblijven. De moeder heeft echter op 14 maart 2026 na een omgangsmoment [minderjarige] niet meer teruggebracht.
2.8.
Op 10 april 2026 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven. Deze houdt in dat de GI de volgende aanwijzingen geeft:
“- U meldt [minderjarige] niet ziek wanneer zij fit (genoeg) is voor school en u zorgt ervoor dat [minderjarige] naar school gaat, conform schooltijden. Als [minderjarige] volgens u ziek is, gaat u hiervoor op consultatie bij uw huisarts of bij de GGD. U vraagt een verklaring aan de deskundige van de door u vastgestelde klachten. Deze verklaring deelt u met school en de GI;
- U werkt mee van een zo spoedig mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar vader. Dit betekent dat u ervoor zorgt dat u [minderjarige] naar school brengt. Vader zal dan de verantwoordelijkheid op zich
nemen om [minderjarige] op te halen;
- Zodra [minderjarige] bij vader is, hij verantwoordelijk voor de opvoeding van [minderjarige] , waaronder
schoolgang valt. Dit betekent dat u [minderjarige] tijdens schooltijd niet opzoekt of haar ophaalt van
school, zonder dat daar toestemming van de GI voor is;
- U houdt zich aan de machtiging uithuisplaatsing, d.d. 22 januari 2026. Hierin is vastgelegd dat de GI de regie heeft in verband met de omgang. Dit betekent dat u zich aan de omgangsafspraken van de GI houdt. Deze afspraken volgen nog.”
2.9.
Bij vonnis in kort geding van 11 mei 2026 is de moeder veroordeeld om [minderjarige] binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis aan de vader af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de moeder nalatig is aan het vonnis te voldoen.

3.Het verzoek

In zaaknummer C/02/444142 / JE RK 26-97:
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden worden aangehouden. De GI verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 juli 2026.
In zaaknummer C/02/448248 / JE RK 26-856:
3.3.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In zaaknummer C/02/447625 / JE RK 26-737:
3.4.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:263 lid 3 BW Pro de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en een dwangsom conform artikel 611a Rv ter hoogte van € 250,- voor iedere dag of keer dat de moeder de aanwijzing niet naleeft en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De (verdere) standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. De GI wil Goed Genoeg Opvoederschap in beide thuissituaties inzetten. De GI onderzoekt welke zorg- en contactregeling passend is voor [minderjarige] en doet dit in samenwerking met [jeugdorganisatie] en [hulpverlening] . Zowel in het verleden als in de huidige situatie is gebleken dat moeder zich niet houdt aan gerechtelijke uitspraken met betrekking tot de omgang tussen [minderjarige] en haar vader. Dit heeft geleid tot een gebrek aan stabiliteit en rust in het leven van [minderjarige] , doordat zij onvoldoende duidelijkheid ervaart over wat zij kan verwachten in het contact met de andere ouder. Er is zelfs een moment geweest in het verleden dat [minderjarige] helemaal geen contact heeft gehad met de vader.
Door het inzetten van GGO kan er voor de GI zicht komen op het opvoederschap en ouderschap van beide ouders. Het GGO is eind februari/begin maart 2026 gestart bij beide ouders. Aangezien [minderjarige] sinds 14 maart 2026 bij de moeder verblijft heeft er slechts één observatie bij de vader thuis kunnen plaatsvinden. De observaties in de thuissituatie van moeder hebben wel kunnen plaatsvinden. Een eerste evaluatie met de moeder, [hulpverlening] en de GI heeft plaatsgevonden op woensdag 6 mei 2026. [jeugdorganisatie] heeft geobserveerd dat er sprake is van positief contact tussen [minderjarige] en moeder (en haar gezin). De omgangsmomenten verliepen overwegend goed, waarbij moeder haar aandacht zichtbaar op [minderjarige] richtte. [jeugdorganisatie] merkte een positieve verandering van denkwijze bij de moeder.
Mede op basis van deze observaties, de beschikking van de kinderrechter van 22 januari 2026 en de wensen van zowel [minderjarige] als moeder, is besloten de omgang tussen moeder en [minderjarige] te intensiveren en de mate van begeleiding geleidelijk af te bouwen. In dat kader stond op maandag 16 maart 2026 een eerste overnachting gepland.
Op 14 maart 2026 heeft de moeder, na onbegeleide omgang, besloten om [minderjarige] niet naar de vader terug te brengen, via de afgesproken overdrachtsplaats. Hiervoor had zij een aantal redenen zoals een toenemende zorg over de verzorging van [minderjarige] bij vader, evenals de aanwezigheid van een eventuele partner/vriendin van vader. Bijkomend gaat [minderjarige] vanaf 16 maart 2026 niet meer naar school.
Door de huidige situatie bestaat het risico dat [minderjarige] onthecht raakt van haar vader. De moeder lijkt geen emotionele toestemming te geven aan [minderjarige] om contact te hebben met haar vader, tenzij dit op moeder haar eigen voorwaarde(n) is.
Na de uitspraak in kort geding van 11 mei 2026 heeft de GI de moeder geprobeerd te bereiken. Op 13 mei 2026 is de GI in samenwerking met [jeugdorganisatie] en met ondersteuning van de politie naar het woonadres van de moeder gegaan. [minderjarige] en de moeder waren niet thuis. De stiefvader heeft aangegeven niet te willen zeggen waar zij verblijven.
De hoofdreden om het restant van de machtiging uithuisplaatsing te verzoeken is omdat de vader de laatste maanden laat zien dat hij [minderjarige] de emotionele toestemming geeft dat [minderjarige] en moeder (en haar gezin) structureel contact hebben, evenals de bereidheid tot het sluiten van compromissen en het zich laten sturen van de GI. Daarnaast is er in de periode van 11 mei 2026 tot en met heden geen contact met de moeder te krijgen.
De moeder heeft de schriftelijke aanwijzing niet opgevolgd. De moeder wil de zorgregeling zoals door het Hof bepaald uitvoeren (weekenden vader, doordeweeks moeder) en zij heeft daarbij aanvullende voorwaarden gesteld. De moeder heeft [minderjarige] inmiddels op een onbekende locatie ondergebracht en de GI heeft aangifte tegen de moeder gedaan. De GI zou graag een Certificaat verordening Brussel II ter ontvangen, zodat zij de beschikking ten uitvoering kunnen leggen. De GI maakt zich grote zorgen over [minderjarige] ; zij wordt opnieuw beschadigd. Nu gaat het verzoek om bekrachtiging gepaard met een verzoek om een dwangsom. Dit zou een volgende keer anders kunnen zijn, namelijk lijfsdwang.
4.2.
Namens de moeder is aangegeven dat de moeder het niet eens is met de verzoeken. De advocaat heeft ten opzichte van de zitting in kort geding van 11 mei 2026 niets nieuws te melden.
4.3.
Namens en door de vader is aangegeven dat de vader instemt met de verzoeken van de GI. De moeder houdt zich nergens aan. De moeder moet inzien dat wat zij nu doet in strijd is met de belangen van [minderjarige] . De vader maakt zich grote zorgen. Namens hem wordt eveneens verzocht een Certificaat verordening Brussel II af te geven.
4.4.
De Raad adviseert om de verzoeken van de GI toe te wijzen.

5.De (verdere) beoordeling

In zaaknummers C/02/444142 / JE RK 26-97 en C/02/448248 / JE RK 26-856:
Wettelijk kader uithuisplaatsing
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.4.
Op basis van de beschikking van 22 januari 2026 zou [minderjarige] in ieder geval tot aan 23 mei 2026 bij de vader verblijven. De omgangsregeling met de moeder zou weer opgestart worden en van belang was het dat er voor [minderjarige] rust, structuur en regelmaat zou ontstaan, zodat zij met haar beide ouders onbelast contact kon hebben. De moeder heeft eenzijdig besloten om [minderjarige] bij zich te houden en op deze manier wederom besloten een beschikking evenals aanwijzingen van de GI niet na te komen. De situatie is nu zelfs zo dat [minderjarige] sinds 15 maart 2026 niet meer naar school gaat en op een voor de vader en de GI onbekende locatie verblijft. Op deze locatie is de moeder eveneens niet (altijd) aanwezig.
5.5.
De kinderrechter vindt de situatie die nu weer voor [minderjarige] ontstaan is schrijnend. Haar belang en haar behoefte aan rust, structuur en duidelijkheid zijn weer volledig ondergeschikt geraakt door het handelen van een van haar ouders, deze keer de moeder.
5.6.
De kinderrechter vindt het van belang dat beide ouders zich houden aan de gegeven beschikkingen. Alleen indien [minderjarige] bij de vader verblijft, kan aan de doelen van de ondertoezichtstelling gewerkt worden. De moeder heeft door haar handelen laten zien dat zij er niet voor kan zorgen dat er onbelast contact tussen [minderjarige] en de vader plaats kan vinden. Evenmin gaat [minderjarige] bij de moeder naar school.
5.7.
De kinderrechter zal de verzoeken van de GI toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 oktober 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
In zaaknummer C/02/447625 / JE RK 26-737:
Wettelijk kader schriftelijke aanwijzing
5.9.
Ingevolge artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
5.10.
De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter, aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 Awb, te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Tevens dient de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.
Inhoudelijke beoordeling
5.11.
Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd.
5.12.
De moeder stemt niet in met, dan wel heeft onvoldoende medewerking verleend aan de uitvoering van het plan van aanpak en de schriftelijke aanwijzing is noodzakelijk om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Doordat de moeder [minderjarige] niet meer naar de vader laat gaan, kan de GI het Goed Genoeg Opvoederschap van de vader niet (verder) laten onderzoeken. Dit is wel nodig en in het belang van [minderjarige] .
5.13.
Daar komt bij dat de moeder door haar handelen en het weghouden van [minderjarige] bij de vader en bij de school niet in het belang van [minderjarige] handelt. Sterker nog, zij handelt in strijd met de belangen van [minderjarige] en veroorzaakt hiermee mogelijk toekomstige problematiek bij [minderjarige] . Ook neemt met het handelen van de moeder de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] alleen maar toe.
5.14.
De kinderrechter is van oordeel dat ook de verzochte dwangsom bij niet nakoming van de aanwijzing kan worden toegewezen. De kinderrechter zal de verzochte dwangsom wel matigen.
Geen uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.15.
Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 807, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen hoger beroep open zodat de ouders gehouden zijn om de schriftelijke aanwijzing na te leven. Het verzoek van de GI om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zal daarom worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/444142 / JE RK 26-97:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 juli 2026;
In zaaknummer C/02/448248 / JE RK 26-856:
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 23 juli 2026 en tot 14 oktober 2026;
In zaaknummers C/02/444142 / JE RK 26-97 en C/02/448248 / JE RK 26-856:
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
In zaaknummer C/02/447625 / JE RK 26-737:
6.4.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 10 april 2026;
6.5.
legt op aan de moeder een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij de schriftelijke aanwijzing niet nakomt tot een maximum van € 2.000,00 is bereikt;
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.