ECLI:NL:RBZWB:2026:5467

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/440653 / FA RK 25-5194
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vriends
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377e BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging contactrecht vader met minderjarige dochter en vaststelling informatieregeling

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige dochter, die haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. De vader verzocht om wijziging van de zorgregeling en een informatieregeling, maar trok zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling in. De moeder verzocht om ontzegging van het contactrecht van de vader met de dochter.

De rechtbank overweegt dat de dochter, inmiddels twaalf jaar oud, ernstige bezwaren heeft tegen contact met haar vader en dat het afdwingen van contact onder de huidige omstandigheden in strijd is met haar zwaarwegende belangen. De bijzondere curator bevestigt dat de dochter niet onder druk staat en geen loyaliteitsconflict heeft. Daarom wordt het contactrecht van de vader ontzegd voor onbepaalde tijd.

Ten aanzien van de informatieregeling stelt de rechtbank vast dat de vader als niet-verzorgende ouder belang heeft bij informatie over zijn dochter. Gezien de verstoorde verstandhouding tussen partijen wordt de frequentie vastgesteld op eens per kwartaal en wordt het verzoek van de vader om te mogen reageren op de informatie afgewezen. Ook het verzoek om contactgegevens van de dochter te verkrijgen wordt afgewezen.

De hulpverlening in het kader van het Uniform Hulp Aanbod wordt beëindigd omdat het hoofddoel, contactherstel, is komen te vervallen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank ontzegt de vader het contactrecht met zijn dochter voor onbepaalde tijd en stelt een informatieregeling vast waarbij de moeder de vader eens per kwartaal informeert.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440653 / FA RK 25-5194
datum uitspraak: 22 mei 2026
beschikking over verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatieregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.M.J. van Uitert in Waalwijk,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. Z. Gademan in Breda,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
Drs. [persoon], in haar functie als bijzondere curator over [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 23 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de beschikking betreffende provisionele vordering van deze rechtbank van 20 november 2025;
- het op 26 januari 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator;
- het op 11 februari 2026 ontvangen gewijzigde verzoekschrift;
- het op 20 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Gademan;
- het op 31 maart 2026 ontvangen aanvullend verzoek namens de man;
- het op 9 april 2026 ontvangen zelfstandig verzoek van de vrouw.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 10 april 2026. Bij die behandeling waren aanwezig partijen met hun advocaten. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad en de bijzondere curator.
1.3
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt, en zij heeft de rechter een brief geschreven.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum 1] 2010 in Heusden. Met de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juli 2020 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op [datum 2] 2021 ontbonden.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3
Ingevolge voornoemde beschikking van de rechtbank Oost-Brabant is de man gerechtigd tot contact met [minderjarige] :
  • een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag 19.00 uur;
  • een woensdagmiddag per veertien dagen, waarbij de man [minderjarige] uit school ophaalt en haar om 19.00 uur bij de vrouw thuisbrengt. Partijen zullen in onderling overleg afstemmen of dit in de even dan wel de oneven weken zal plaatsvinden, waarna geen wisseling in weken zal plaatsvinden;
  • de helft van de vakanties- en feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen.
2.4
Met de beschikking van deze rechtbank van 20 november 2025 is een bijzondere curator benoemd over [minderjarige] en zijn partijen verwezen naar hulpverlening in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA).
2.5
De rechtbank heeft op 26 januari 2026 het verslag van de bijzondere curator ontvangen. Hierin adviseert zij, kort samengevat, om de man het recht op contact met [minderjarige] te ontzeggen. Indien [minderjarige] op een later moment contact wenst met haar vader, acht de bijzondere curator haar in staat om dit zelf aan te geven.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant vastgestelde verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken wijzigt en te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
  • gedurende één keer per veertien dagen in het weekend op zaterdag of op zondag (dat maakt de man niet uit) van 13.00 uur tot 17.00 uur en,
  • vervolgens na twee maanden op zaterdag of op zondag van 10.00 tot 19.00 uur, ook weer één keer per veertien dagen en,
  • vervolgens na twee maanden uitbreiding naar één keer per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur en,
  • vervolgens na weer twee maanden uitbreiden naar de eerder door de rechtbank Oost-Brabant bepaalde zorgregeling, inclusief de helft van de vakanties en de feestdagen,
dan wel een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bepalen, die de rechtbank in goede justitie juist en in het belang van [minderjarige] acht.
3.2
De man heeft zijn verzoek met de brieven van 11 februari 2026 en 31 maart 2026 aangepast, in die zin dat hij zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling met [minderjarige] intrekt. Daarbij verzoekt hij de vrouw de verplichting op te leggen om hem eenmaal per maand te informeren over [minderjarige] , bij gebreke van het verstrekken van de verzochte informatie de vrouw een dwangsom zal verbeuren van € 500,- per keer dat de vrouw niet aan deze verplichting voldoet. Het liefst ontvangt de man het e-mailadres van [minderjarige] . Ook wenst de man voortzetting van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.
3.3
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man ten aanzien van de informatieregeling en meent dat dit verzoek moet worden afgewezen. De vrouw verzoekt daarnaast de rechtbank om te bepalen dat de man het recht op contact met [minderjarige] wordt ontzegt en aldus te bepalen dat er geen uitvoering behoeft te worden gegeven aan de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 10 juli 2020, dan wel een zodanige beslissing te nemen over de ontzegging van de omgang als de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht.
3.4
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Wijziging zorgregeling
4.1
De rechtbank overweegt dat de man zijn verzoek ten aanzien van het wijzigen van de zorgregeling heeft ingetrokken. Omdat de man het verzoek heeft ingetrokken, hoeft daarop niet meer te worden beslist.
4.2
De vrouw heeft verzocht om de man het recht op contact met [minderjarige] te ontzeggen.
Volgens de vrouw is contact met de man niet in het belang is van [minderjarige] . [minderjarige] heeft naar aanleiding van gebeurtenissen in de afgelopen jaren besloten om het contact met de man volledig te breken en weigert op dit moment elk contact met de man.
4.3
De man wil het niet moeilijker maken voor [minderjarige] en respecteert haar wens om op dit moment geen contact met hem te hebben. Hij ziet in dat het geen zin heeft om [minderjarige] hiertoe te dwingen.
4.4
Op dit geschil zijn de artikelen 1:253a, 1:377a en 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Deze geschillen kunnen zien op de vaststelling van een regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede (met overeenkomstige toepassing van artikel 377a lid 3 BW) een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
De rechtbank ontzegt het recht op contact alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
- contact zou ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
- de ouder is kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat tot contact met het kind;
- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft bij verhoor laten blijken dat hij ernstige bezwaren heeft tegen contact met de ouder;
- er is een andere reden waarom contact in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Op grond van artikel 1:377e BW dient voor wijziging van een eerder vastgestelde zorgregeling sprake te zijn van gewijzigde omstandigheden.
4.5
Tussen partijen is niet geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat [minderjarige] en de man al een aantal jaar geen contact meer met elkaar hebben. Uit de stukken en de zitting is gebleken dat er bij [minderjarige] veel weerstand blijft bestaan over het contact met haar vader. Er zijn meerdere hulpverleningstrajecten geweest. Hoewel de wens van de man om contact te hebben met zijn dochter zeer begrijpelijk is, kan onder de huidige omstandigheden niet van [minderjarige] verwacht worden dat dit wordt afgedwongen. Dit zou ook een averechts effect kunnen hebben op het beoogde doel van de man, namelijk een goed contact met zijn dochter. Ook de man ziet dit in en heeft om die reden zijn verzoek tot vaststelling van een zorgregeling ingetrokken. Uit de toelichting van de bijzondere curator, die heeft gesproken met [minderjarige] , de ouders en de school, is gebleken dat zij niet de indruk heeft dat het [minderjarige] aan emotionele toestemming heeft ontbroken vanuit haar moeder. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat zij in een loyaliteitsconflict verkeerd. Dit maakt dat het verzoek tot het ontzeggen van het contact tussen de man en [minderjarige] op meerdere grondslagen voor toewijzing gereed ligt. [minderjarige] , ouder dan 12, heeft namelijk laten weten dat zij ernstige bezwaren heeft tegen contact met haar vader. Daarnaast is het afdwingen van contact onder de huidige omstandigheden anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Dit betekent dat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen. De rechtbank zal de man het recht op contact met [minderjarige] ontzeggen voor onbepaalde tijd.
4.6
De rechtbank vertrouwt erop dat de vrouw de wensen van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de man in de gaten houdt en haar de ruimte geeft om contact met hem op te nemen indien daar in de toekomst weer ruimte voor ontstaat.
Informatieregeling
4.7
De man stelt dat de vrouw op grond van de wet verplicht is om hem als niet-verzorgende ouder op de hoogte te houden over zijn dochter. De man verzoekt de rechtbank vast te leggen dat de vrouw hem maandelijks op de hoogte brengt van de bezigheden van [minderjarige] in de ruimste zin van het woord en dat hij naar aanleiding daarvan zo nodig nog vragen mag stellen aan de vrouw. De man wil graag op de hoogte blijven wat er zich afspeelt in het leven van [minderjarige] zodat hij de mogelijkheid houdt om te kunnen aansluiten bij [minderjarige] .
4.8
De vrouw begrijpt de wens om informatie te verkrijgen over [minderjarige] , maar [minderjarige] heeft heel duidelijk laten weten dat zij niet wil dat de man de beschikking krijgt over haar contactgegevens. Ook wil zij niet dat de vrouw informatie over haar verstrekt aan de man. Dit blijkt ook uit het verslag van de bijzondere curator. De vrouw staat zelf niet per definitie onwelwillend tegenover het verstrekken van informatie, maar zij wil haar vertrouwensband met [minderjarige] niet onder druk zetten. Daarom verzoekt zij het verzoek van de man af te wijzen. Indien het verzoek van de man wordt toegewezen, wil de vrouw niet dat de man de mogelijkheid krijgt om te reageren op de informatieverstrekking. Dat leidt volgens haar onherroepelijk tot discussies. In de communicatie tussen partijen is het maximale behaald.
4.9
De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] niet wil dat haar vader op de hoogte raakt van informatie over haar. Als dat tegen haar zin in toch wordt gedaan, dan is dit niet in het belang van [minderjarige] , aldus de bijzondere curator. [minderjarige] heeft het gevoel dat zij nu alsnog onder druk gezet wordt en dat werkt alleen maar weerstand en aversie in de hand. Als de vrouw hiertoe verplicht wordt, geeft dat stress en dat zal haar in een moreel dilemma plaatsen ten opzichte van [minderjarige] . De man heeft aangegeven dat hij [minderjarige] niet onder druk wil zetten, maar dat gebeurt indirect wel. Het zou mooi zijn als de man een brief zou schrijven aan [minderjarige] waarin hij dingen aan haar uitlegt. Het is belangrijk dat die opening vanuit de man wordt geboden voor de toekomst.
4.1
Namens de Raad is naar voren gebracht dat [minderjarige] nu 12 jaar oud is. Kinderen moeten net als volwassenen soms dingen doen die niet leuk zijn. De Raad kan zich voorstellen dat het voor de man erg belangrijk is om basale informatie te blijven ontvangen over [minderjarige] . Nu de druk van het hebben van contact bij [minderjarige] wegvalt, zal de situatie ook wat meer tot rust komen. Daarin past ook de boodschap dat het belangrijk is dat haar vader nog wel informatie over haar krijgt.
4.11
Op grond van artikel 1:253a, lid 2, sub c, van het BW kan de rechtbank, in geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de wijze waarop informatie over het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.12
De rechtbank overweegt als volgt. Wanneer er geen contacten zijn tussen een ouder en kind, is de informatieregeling een belangrijk middel voor een ouder om een band met zijn kind te behouden. De man heeft, als gezagdragende en niet-verzorgende ouder, daarom belang bij een informatieregeling. De rechtbank is niet gebleken dat met het verstrekken van informatie, de belangen van [minderjarige] dusdanig geschaad worden dat afgeweken moet worden van het wettelijke uitgangspunt van informatieverstrekking. De rechtbank overweegt daarbij dat de sterke weerstand van [minderjarige] met name lijkt samen te hangen met de contactregeling met haar vader. Met deze beschikking wordt de man het recht op contact met [minderjarige] ontzegt voor onbepaalde tijd, wat betekent dat de situatie voor [minderjarige] tot rust komt. De informatieregeling heeft namelijk niet als doel om het contactherstel te bewerkstelligen. Wel is het belangrijk dat de man met deze informatieverstrekking op de hoogte blijft van het wel en wee van [minderjarige] zodat hij aansluiting bij haar kan houden. Dit kan nuttig zijn bij het nemen van gezagbeslissingen en/of een opening bieden in een eventueel herstel van het contact in de toekomst als daar bij [minderjarige] ruimte voor ontstaat. In de actuele omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een frequentie van eens per kwartaal passend is. Daarbij zal het verzoek van de man om te mogen reageren op de informatieverstrekking, gelet op de verstoorde verstandhouding tussen partijen, worden afgewezen. Voor zover de man verzoekt om de beschikking te krijgen over de contactgegevens van [minderjarige] , zal ook dat verzoek worden afgewezen, omdat [minderjarige] op dit moment uitdrukkelijk geen contact wil met de man. Voor zover de man zijn verzoek om een dwangsom te verbinden aan de informatieregeling nog handhaaft, zal ook dat verzoek worden afgewezen, nu er zijdens de vrouw is toegezegd dat zij, bij toewijzing van het verzoek, haar medewerking zal verlenen aan de beslissing van de rechtbank.
4.13
De rechtbank zal de volgende informatieregeling vaststellen. De vrouw dient de man eens per kwartaal per e-mail te informeren over gewichtige aangelegenheden betreffende het leven van [minderjarige] . Onder gewichtige aangelegenheden verstaat de rechtbank feitelijke informatie over (bijvoorbeeld) de ontwikkeling van [minderjarige] , over haar gezondheidstoestand, haar schoolprestaties en over de buitenschoolse activiteiten waaraan zij deelneemt.
4.14
Partijen zijn in een eerdere fase van deze procedure verwezen naar het UHA. De hulpververlening in dat kader was gericht op het contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader en niet, dan wel in beperkte mate, op de communicatie tussen partijen. Nu met deze eindbeschikking een definitieve beslissing is genomen over het contact tussen de man en [minderjarige] , is het voornaamste doel van het UHA-traject weggevallen. Dit betekent dat dit hulpverleningstraject kan worden beëindigd.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
wijst het verzoek van de man tot wijziging van de zorgregeling af;
5.2
verbiedt de man met ingang van vandaag contact te hebben met [minderjarige] voor onbepaalde tijd;
5.3
bepaalt dat de vrouw de man éénmaal per kwartaal per e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige] , conform rechtsoverweging 4.13;
5.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
ontslaat drs. [persoon] van haar taak als bijzondere curator van [minderjarige] ;
5.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in aanwezigheid van Rozendaal, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.