ECLI:NL:RBZWB:2026:5468

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/401666 / FA RK 22-4251
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vriends
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWBrussel II-ter VerordeningHaags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige in belang van het kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 mei 2026 een beschikking gegeven over het hoofdverblijf, de zorgregeling, inschrijving op school en informatieregeling van een minderjarige geboren in 2015. De zaak betreft een geschil tussen de ouders over de woonplaats en zorgverdeling van het kind, waarbij ook de gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken zijn.

Na een uitgebreid proces met meerdere rapportages en adviezen van de Raad, waarbij de minderjarige sinds september 2024 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder in België verblijft, heeft de rechtbank geoordeeld dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder wordt vastgesteld. Dit is in het belang van het kind omdat het verblijf bij de moeder het minst ontwrichtend is, de schoolgang en sportactiviteiten kunnen worden voortgezet en de moeder meer in staat lijkt de vader toe te laten in het leven van het kind.

De zorgregeling is vastgesteld op basis van een weekendregeling waarbij de minderjarige twee weekenden bij de vader verblijft en één weekend bij de moeder, met een uitgebreide regeling voor vakanties en feestdagen. De rechtbank wijst verzoeken om vervangende toestemming voor reizen binnen Europa af vanwege onbepaaldheid, en stelt dat toestemming per reis moet worden gevraagd. Tevens is een kindbrief opgesteld om de beslissing aan de minderjarige uit te leggen.

De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het hoofdverblijf van de minderjarige wordt vastgesteld bij de moeder in België met een zorgregeling die het contact met de vader waarborgt volgens een weekendregeling 2 om 1 en een gedetailleerde vakantieverdeling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/401666 / FA RK 22-4251
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Nadere beschikking over vaststelling hoofdverblijf, zorgregeling, inschrijving school en informatieregeling
In de zaak van:
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. S. Smeets te Venlo,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. A.H. van Haga te Den Haag,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] , België, hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Etten-Leur,
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het nadere procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
  • de beschikking van 15 maart 2024 en alle daarin genoemde stukken;
  • het op 29 augustus 2024 ontvangen rapport van de Raad;
  • de op 9 september 2024 van de Raad ontvangen stukken over het veiligheidsplan;
  • de op 16 september 2024 van de Raad ontvangen brief;
  • de op 7 oktober 2024 ontvangen e-mail van mr. Smeets met bijlage;
  • de op 12 februari 2025, 9 oktober 2025 en 10 maart 2026 ontvangen e-mailberichten van mr. Smeets met bijlage;
  • het op 24 februari 2026 ontvangen rapport van de Raad;
  • het op 30 maart 2026 ontvangen gewijzigde verzoek van mr. Smeets;
  • het op 3 april 2026 ontvangen gewijzigde verzoek van mr. Van Haga met bijlagen;
  • het op 8 april 2026 ontvangen e-mailbericht van de GI;
  • het e-mailbericht van mr. Van Haga van 13 april 2026.
1.2.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 10 april 2026. Bij die behandeling waren aanwezig partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad en de GI.
1.3.
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Met de beschikking van 15 maart 2024 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, inschrijving school en informatieregeling worden aangehouden in afwachting van een onderzoek door de Raad. Voor de duur van de procedure achtte de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zij in de voor haar op dat moment vertrouwde omgeving (bij de man) blijft. De rechtbank heeft een voorlopige beslissing over de zorgregeling genomen en bepaald dat (samengevat) de vrouw en [minderjarige] contact met elkaar hebben één keer in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur en dat zij, in de week dat er geen fysiek contact is, gerechtigd zijn tot het hebben van contact door middel van videobellen op woensdag om 19.00 uur.
2.2.
Met afzonderlijke beschikking van 15 maart 2024 heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is meermaals verlengd.
2.3.
Op 29 augustus 2024 werd het raadsonderzoek afgerond. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de definitieve beslissing over onder meer het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de termijn van negen maanden in afwachting van de resultaten binnen de gedwongen hulpverlening. Verder adviseerde de raad op de voorlopige contactregeling te wijzigen, zodat [minderjarige] drie weekenden per maand bij de vrouw verblijft en, in de week dat er geen (fysiek) contact is, er op woensdag een videobelcontact plaatsvindt.
2.4.
Sinds 6 september 2024 verblijft [minderjarige] op basis van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing bij de vrouw vanwege zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man.
2.5.
Vervolgens heeft de Raad aangegeven dat de gewijzigde omstandigheden aanleiding vormen om het advies aan de rechtbank te heroverwegen en deels te wijzigen. De Raad heeft ten aanzien van de voorlopige contactregeling geadviseerd om de regie over de wijze en voorwaarden waarop er tussen [minderjarige] en de man contact kan plaatsvinden bij de GI te leggen.
2.6.
De rechtbank heeft op 24 februari 2026 de rapportage van de Raad ontvangen.
2.7.
Op dit moment verblijft [minderjarige] middels de (verlengde) machtiging tot uithuisplaatsing bij de vrouw in [plaats 2] in België en is zij om de week bij de man van woensdag na school tot maandag aanvang school (althans tot aanvang van de afspraak bij hulpverlener [hulpverlener] ).
2.8.
De rechtbank verwijst voor de overige voor zover hier van belang zijnde feiten naar de beschikking van 15 maart 2024.

3.De (resterende) verzoeken

3.1.
De man heeft op 30 maart 2026 zijn verzoek aangepast, in die zin dat hij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem zal zijn;
subsidiair: indien het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal worden bepaald, de volgende zorgregeling vast te stellen:
  • weekendregeling: [minderjarige] verblijft iedere week van vrijdag na school tot maandag voor school bij de man;
  • vakantieregeling:
zomervakantie: even jaren eerste drie weken bij de man en laatste drie weken bij de vrouw, in de oneven jaren vice versa;
voorjaarsvakantie: even jaren eerste week bij de man en tweede week bij de vrouw. In de oneven jaren vice versa;
meivakantie: even jaren eerste week bij de man en tweede week bij de vrouw. In de oneven jaren vice versa;
herfstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de oneven jaren vice versa;
feestdagen: Tweede paasdag bij de man, Tweede pinksterdag bij de man, Koningsdag bij de man. Verder zal er ten minste één kerstdag worden gevierd bij de ouder waar [minderjarige] op dat moment niet verblijft.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.
3.3.
Bij gewijzigd zelfstandig verzoek, ontvangen op 3 april 2026, heeft de vrouw verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, waarbij [minderjarige] haar schoolgang houdt op haar school te [plaats 3] en, voor zover nodig, toestemming van de man voor inschrijving vervangen wordt. Verder verzoekt de vrouw dat [minderjarige] bij de man verblijft conform de navolgende zorgregeling:
- Om de twee weken van vrijdag na school tot maandag, waarbij de man ophaalt en weer
naar school brengt.
- Indien een studiedag direct aansluit op een periode waarin [minderjarige] bij de man verblijft,
kan zij die dag ook bij hem blijven.
- De vakanties beginnen op de laatste schooldag na schooltijd. [minderjarige] wordt opgehaald bij
school door de ouder waar zij aansluitend voor vakantie verblijft. De ouder bij wie [minderjarige] aan het einde van de vakantie verblijft, brengt haar rechtstreeks naar school op de
eerste schooldag na de vakantie.
  • De herfstvakantie (één week) brengt zij volledig bij de man door.
  • De kerstvakantie (twee weken) wordt verdeeld in twee gelijke delen: één week bij ieder,
jaarlijks alternerend.
  • De krokusvakantie vanaf 2027 (één week) brengt zij volledig bij de man door.
  • De paasvakantie (twee weken) wordt eveneens verdeeld in twee gelijke delen: één
week bij ieder, jaarlijks alternerend.
- De zomervakantie begint onmiddellijk na de laatste schooldag en wordt bij helfte
gedeeld in die zin dat [minderjarige] de laatste week van de zomervakantie altijd bij de vrouw verblijft en de eerste zes weken worden opgedeeld in 2 blokken van 3 weken
aaneengesloten: 3-3-1-1 (vader-moeder-vader-moeder) en het jaar daarna 3-4-1
(moeder-vader-moeder);
- En daarbij te bepalen dat vervangende toestemming wordt gegeven voor een reis en
verblijf van [minderjarige] met de ouder bij wie zij in die periode verblijft, in landen in Europa,
subsidiair Portugal en Frankrijk, waar [minderjarige] met een identiteitsbewijs naartoe kan
reizen, indien de andere ouder zijn/haar toestemming weigert te verstrekken;
3.4.
Op het moment dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man zal worden bepaald, is namens de vrouw tijdens de zitting mondeling, en schriftelijk bevestigd op 13 april 2026, verzocht om de navolgende zorgregeling vast te stellen:
  • de vrouw [minderjarige] drie weekeinden op een rij van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij zich zal hebben, waarna [minderjarige] een weekeinde bij de man zal zijn, enzovoorts,
  • en indien een studiedag of een vrije dag direct aansluit bij de zorgregeling bij de vrouw, [minderjarige] die dag bij de vrouw doorbrengt,
  • en ten aanzien van de vakanties dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft:
  • in de éénweekse vakanties inclusief het weekeinde volgens de zorgregeling,
  • in de tweeweekse vakanties gedurende één vakantieweek bij de vrouw (om en om) inclusief het weekeinde volgens de zorgregeling,
  • in de zomervakantie 3 weken aaneengesloten, om en om de eerste of de laatste 3 weken, inclusief de weekeinden volgens de zorgregeling,
3.5.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
3.6.
Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, ingegaan.

4.De (verdere) beoordeling

Internationale bevoegdheid
4.1.
Omdat [minderjarige] op dit moment feitelijk bij de vrouw in België verblijft, ziet de rechtbank aanleiding om opnieuw haar internationale bevoegdheid te toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op dit moment in Nederland is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] bij de vrouw in België verblijft op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing; een kinderbeschermingsmaatregel die naar zijn aard tijdelijk is. Ook ontvangt zij hulpverlening vanuit en in Nederland. Omdat de gewone verblijfsplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd en is Nederlands recht van toepassing op grond van de Brussel II-ter Verordening en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, in geval van samenloop tussen deze regelingen, de bevoegdheidsregeling van Brussel II-ter Verordening voorrang heeft boven die van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 indien het betrokken kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat.
Hoofdverblijf
4.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. De rechtbank kan op grond van het tweede lid sub b van dit artikel op verzoek beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
4.3.
De Raad heeft geadviseerd om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De Raad heeft binnen het onderzoek geconstateerd dat de opvoedsituaties vrijwel gelijk aan elkaar zijn en dat [minderjarige] vertrouwd is bij beide ouders. Om tot een advies te komen wat het meest in het belang van [minderjarige] is, heeft de Raad de gevolgen van zowel het scenario van hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man als het scenario van hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw doorlopen. Beide scenario’s kennen voor- en nadelen. De Raad komt tot de conclusie dat hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw op dit moment het minst ontwrichtend voor haar is. [minderjarige] kan dan op haar huidige school blijven. Ook hoeft [minderjarige] niet te wisselen van woonomgeving en kan zij blijven volleyballen op de plek waar zij nu de sport beoefent, iets waar ze zelf veel waarde aan hecht. Verder is meegewogen dat de Raad signalen heeft bemerkt dat het voor de man ingewikkelder lijkt om de vrouw toe te laten in het leven van [minderjarige] dan dat dit andersom is. Zo is in het onderzoek naar voren gekomen dat de man acties wil ondernemen die tornen aan de basis van de vrouw (zoals haar verblijfsstatus en haar woning), iets wat ook [minderjarige] raakt. De Raad heeft er aandacht voor gehad dat het bepalen van het hoofdverblijf bij de vrouw tot gevolg heeft dat de hulpverlening overgedragen zal moeten worden. Hoewel de Raad er over het algemeen de voorkeur voor heeft om een hulpverleningstraject niet te doorkruisen, heeft de Raad op basis van de informatie van de GI en de hulpverlener van [hulpverlener] er vertrouwen in dat [minderjarige] een dergelijke wissel aan kan en dat de hulpverlening op een juiste wijze overgedragen zal worden. Mogelijk kan een frisse blik ook weer tot nieuwe inzichten leiden of tot het doorbreken van bepaalde patronen.
4.4.
De GI onderschrijft het advies van de Raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. Indien het hoofdverblijf van [minderjarige] in België zal worden bepaald, dan zal de GI zorgen voor overdracht naar de hulpverlening aldaar.
4.5.
Door en namens de man is aangegeven dat hij zich met het advies van de Raad niet kan verenigen. De man wijst erop dat in het raadsrapport geen contra-indicaties worden gezien voor een verblijf van [minderjarige] bij beide ouders. Volgens de man is op basis van de bevindingen van de Raad en de GI vast te stellen dat er geen zorgen bestaan over een verblijf van [minderjarige] bij hem. De man blijft bij zijn standpunt dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem in Nederland moet worden bepaald. Uit eerdere procedures is al gebleken dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen. [minderjarige] heeft voor de machtiging uithuisplaatsing nooit in België gewoond. De man vindt het opmerkelijk dat de Raad in zijn advies uitgaat van de huidige feitelijke situatie waarin [minderjarige] bij de vrouw in België verblijft. De man meent dat niet kan worden uitgaan van een feitelijke situatie, die uitsluitend is ontstaan als gevolg van een tijdelijke maatregel en juridisch nog onderwerp van geschil is. Uitgangspunt van deze tijdelijke maatregel is dat wordt toegewerkt naar terugplaatsing in de thuissituatie. Nu is gebleken dat de thuissituatie bij de man geen aanleiding geeft tot zorgen, ligt het volgens de man niet in de rede om de door de uithuisplaatsing ontstane feitelijke situatie te bestendigen door de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De man stelt dat de omgeving bij hem voor [minderjarige] op de langere termijn meer stabiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden biedt. De man gunt het [minderjarige] dat zij opgroeit binnen haar sociale en familiale netwerk en acht het van belang dat het hulpverleningstraject bij [hulpverlener] kan worden voortgezet. De man maakt zich zorgen voor de toekomst als het hoofdverblijf van [minderjarige] in België wordt bepaald. Op dat moment valt de ondertoezichtstelling weg en de man vreest dat de vrouw haar eigen gang gaat en er geen zorgregeling wordt nagekomen. Zo heeft de vrouw [minderjarige] in het recente verleden ingeschreven op een basisschool zonder overleg met de man.
4.6.
Door en namens de vrouw is aangegeven dat zij zich kan verenigen met het advies van de Raad over het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw. Zij heeft aangevoerd dat het zwaartepunt van de verzorging van [minderjarige] al in België lag. [minderjarige] heeft een deel van haar leven doorgebracht in België en verblijft bij de vrouw in een woning die er altijd al voor haar was. Daar was ook haar eerste schoolgang vanaf schooljaar 2018-2019 tot september 2022. Sinds de uithuisplaatsing bij de vrouw gaat [minderjarige] weer naar deze basisschool in [plaats 3] en heeft ze haar sociaal netwerk in België weer opgepakt. De vrouw heeft [minderjarige] niet opnieuw ingeschreven op deze bassischool, want de inschrijving is al die tijd blijven staan. Indien het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man wordt bepaald, dan vreest de vrouw dat dit een negatief effect heeft op het contact tussen haar en [minderjarige] . De vrouw is in staat om [minderjarige] contact te laten hebben met haar vader.
4.7.
De rechtbank bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw. De Raad heeft naar het oordeel van de rechtbank beide opties ten aanzien van het hoofdverblijf goed afgewogen. In het uitvoerige rapport is te lezen dat [minderjarige] vertrouwd is bij beide ouders en dat beide opvoedsituaties vrijwel gelijk zijn aan elkaar. [minderjarige] verblijft nu op basis van een machtiging uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling feitelijk de meeste tijd bij de vrouw. Deze kinderbeschermingsmaatregelen zijn weliswaar tijdelijk van aard, maar bij de beslissing over het hoofdverblijf is van zwaarwegend belang welke (feitelijke) gevolgen deze beslissing heeft voor [minderjarige] . Met de Raad en de GI is de rechtbank van oordeel dat een verblijf van [minderjarige] bij de vrouw in België het minst ontwrichtend voor haar is. [minderjarige] hoeft dan niet te wisselen van de woonomgeving waar zij sinds september 2024 de meeste tijd verblijft en haar school- en sportactiviteiten kunnen doorgang blijven vinden. Ook de man heeft aangegeven dat hij het in het belang van [minderjarige] vindt dat zij de basisschool op haar school in België afmaakt. In gesprekken met de Raad is naar voren gekomen dat de schoolgang in België vanaf het adres van de man op lange termijn praktisch niet haalbaar is vanwege de reistijd. Verder weegt de rechtbank mee de bevindingen van de Raad dat de vrouw meer in staat lijkt om de man toe te laten in het leven van [minderjarige] dan andersom en dat de man heeft willen tornen aan de basis (verblijfsstatus en woning) van de vrouw, wat eveneens de belangen van [minderjarige] raakt. De Raad heeft ook onder ogen gezien dat bepaling van het hoofdverblijf bij de vrouw tot gevolg zal hebben dat de lopende hulpverlening in Nederland zal eindigen, maar de hulpverlener van [minderjarige] heeft er vertrouwen in dat zij wissel van hulpverlener aan kan. De rechtbank gaat ervan uit dat de GI, zoals aangegeven ter zitting, zal zorgdragen voor een goede overdracht van de hulpverlening vanuit Nederland naar België en op de hoogte is van de te bewandelen route hierin.
Zorgregeling
4.8.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a lid 2 sub a op verzoek een zorgregeling vaststellen. De rechtbank stelt vast dat zowel de man, de vrouw, alsook de GI een voorstel hebben gedaan voor een zorgregeling op het moment dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald. De Raad heeft aanvankelijk geadviseerd om de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van 9 maanden in afwachting van de ontwikkelingen van de hulpverlening. De Raad heeft in het rapport aangegeven dat onvoldoende zicht was verkregen op de praktische (on)mogelijkheden van de man en dat het vanwege de complexiteit van de situatie niet mogelijk was om een concreet advies te geven over hoe de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken eruit kan komen te zien. Dit advies is ter zitting aangepast waarbij het belang is uitgesproken dat de rechtbank op dit moment een definitieve beslissing neemt over de zorgregeling.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat de Raad in het rapport heeft overwogen dat beide opvoedsituaties vrijwel gelijk aan elkaar zijn. Er zijn geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in beide opvoedsituaties. Er zijn geen bezwaren tegen een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het is echter vanwege praktische redenen dat er moet worden gekozen voor een weekendregeling. Daarmee wordt de duur van het verblijf van [minderjarige] bij de man korter dan nu het geval is. De man voert aan dat een beslissing over het hoofdverblijf er niet toe mag leiden dat het contact tussen hem en [minderjarige] wordt gereduceerd en hij heeft verzocht om [minderjarige] ieder weekend bij hem te laten verblijven van vrijdag na school tot maandag aanvang school. Hoewel de rechtbank dit verzoek in het licht van het voorgaande begrijpt, begrijpt de rechtbank ook het standpunt van de vrouw dat zij eveneens graag vrije tijd met [minderjarige] wil doorbrengen in de weekenden om leuke dingen te doen. De rechtbank acht, alles afwegende, een weekendregeling van 2 om 1 het meest in het belang van [minderjarige] . Dit betekent dat zij twee weekenden bij de man zal doorbrengen (van vrijdag na school tot maandag aanvang school, waarbij de man haar ophaalt en brengt). Na twee weekenden bij de man zal [minderjarige] een weekend bij de vrouw doorbrengen, waarna er weer opnieuw twee weekenden bij de man zullen worden doorgebracht, etc. Van maandag na school tot vrijdag aanvang school verblijft [minderjarige] in de reguliere zorgregeling steeds bij de vrouw.
4.10.
Wat betreft de vakanties heeft de man tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij (in geval van bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw) kan instemmen met de vakantieregeling zoals deze door de vrouw is voorgesteld. Dit betreffen de navolgende (Belgische) vakanties:
  • De krokusvakantie (één week) brengt [minderjarige] volledig bij de man door.
  • De paasvakantie (twee weken) wordt verdeeld in twee gelijke delen: één
week bij ieder, jaarlijks alternerend.
  • De zomervakantie begint onmiddellijk na de laatste schooldag en wordt bij helfte gedeeld in die zin dat [minderjarige] de laatste week van de zomervakantie altijd bij de vrouw verblijft en de eerste zes weken worden opgedeeld in 2 blokken van 3 weken aaneengesloten: 3-3-1-1 (vader-moeder-vader-moeder) en het jaar daarna 3-4-1 (moeder-vader-moeder);
  • De herfstvakantie (één week) brengt [minderjarige] volledig bij de man door.
  • Voor de kerstvakantie hebben partijen aangegeven dat zij kunnen instemmen met het voorstel van de Raad, te weten vanaf de start van de kerstvakantie tot de ochtend van de tweede kerstdag bij de ene ouder, waarna [minderjarige] zal overgaan naar de andere ouder tot en met oud- en nieuwjaar en dat zij vervolgens op 2 januari weer terug gaat naar de ene ouder, jaarlijks alternerend.
Ten aanzien van de vakanties zal de rechtbank bovendien bepalen dat deze beginnen op de laatste schooldag na schooltijd. [minderjarige] wordt opgehaald bij school door de ouder waar zij aansluitend voor vakantie verblijft. De ouder bij wie [minderjarige] aan het einde van de vakantie verblijft, brengt haar rechtstreeks naar school op de eerste schooldag na de vakantie. Voor wissels die in de vakantie en niet op een schooldag plaatsvinden, is de ophaal- en terugbrengtijd 10.00 uur.
4.13.
Voor wat betreft de overige feestdagen en/of studiedagen zullen deze worden aangesloten op de reguliere regeling of vakantieregeling bij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft. Ook in dat geval vangt het contact aan op de laatste schooldag na schooltijd (dus op donderdag na schooltijd in geval van een studie- of feestdag op vrijdag) of loopt het contact tot aanvang school (dus op dinsdag aanvang school in geval van een studie- of feestdag op maandag).
Vervangende toestemming inschrijving school
4.14.
De rechtbank stelt vast dat de man heeft aangegeven dat hij akkoord kan gaan met de inschrijving van [minderjarige] op haar huidige basisschool, te weten de [basisschool] te [plaats 3] . De vrouw heeft haar verzoek, gelet op deze instemming, ingetrokken. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen, nu het belang bij een verdere beoordeling is komen te ontvallen.
Vervangende toestemming vakanties
4.15.
De vrouw heeft verzocht om beide ouders vervangende toestemming te verlenen voor reizen met [minderjarige] binnen Europa. De man heeft bezwaar tegen dit verzoek en heeft aangegeven graag per reis te willen beslissen of hij daarvoor toestemming verleent. De man merkt daarbij op dat hij nog altijd de vrees heeft dat de vrouw [minderjarige] mee zal nemen naar Brazilië. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw te onbepaald is en zal het verzoek om die reden afwijzen. De rechtbank acht het van belang dat, zodra concreet is welke reis en in welke periode het betreft, dit aan de andere ouder zal worden voorgelegd, onder toezending van een ingevuld toestemmingsformulier. De rechtbank verwacht van partijen dat de andere ouder daar binnen een week op reageert, in geval van toestemming met een ondertekend formulier.
Kindbrief
4.16.
De Raad heeft tijdens de zitting de rechtbank geadviseerd om in een kindbrief aan [minderjarige] te laten weten wat er in deze procedure wordt beslist over het hoofdverblijf en de zorgregeling. Ook partijen kunnen zich vinden in verzending van een kindbrief door de rechtbank aan [minderjarige] . De tekst hierna is daarom tot [minderjarige] gericht. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
“Beste [minderjarige] ,
Op 10 april 2026 heeft er een zitting plaatsgevonden. Daarbij waren jouw ouders, hun advocaten, iemand van de Raad voor de Kinderbescherming en iemand van Stichting Jeugdbescherming Brabant aanwezig.
Op deze zitting is onder andere gesproken over jouw hoofdverblijf, dus bij welke ouder je gaat wonen. Ook is er gesproken over een zorgregeling, dus wanneer je bij papa of bij mama bent.
De rechter heeft gelezen en gehoord dat jij het fijn hebt als je bij mama bent en ook als je bij papa bent. Om een keuze te maken waar jij gaat wonen, heeft de rechter vooral gekeken met welke beslissing er zo weinig mogelijk verandert in jouw leven. De rechter heeft besloten dat jij bij mama in België gaat wonen. Dat betekent dat je kan blijven wonen op de plek waar je nu woont. Je kan ook naar dezelfde school blijven gaan en blijven volleyballen op de plek waar je dat nu doet.
Omdat je bij mama gaat wonen, heeft de rechter ook nagedacht over wanneer jij bij papa bent. Je blijft papa vaak zien. Op schooldagen van maandag tot en met vrijdag ben je steeds bij mama. In de weekenden komt er een vast ritme. Je gaat twee weekenden achter elkaar naar papa en daarna ben je één weekend bij mama. Daarna begint het weer opnieuw: twee weekenden bij papa, één weekend bij mama. Als je naar papa gaat, haalt papa je op vrijdag na school op. Je blijft dan bij hem tot en met maandag. Op maandag brengt papa je weer naar school.
De rechter heeft ook samen met je ouders nagedacht over de vakanties en andere vrije dagen en daarover een beslissing genomen. In de vakanties ben je soms bij papa en soms bij mama. Jouw ouders krijgen een officiële uitspraak waarin precies staat wat de rechter heeft beslist. Daarin staat ook de tekst van deze brief. Zo weten jouw ouders wat ik daarover aan jou heb geschreven.
Ik hoop dat ik hiermee de beslissing van de rechter aan jou heb kunnen uitleggen.
Met vriendelijke groet,
de griffier“

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.2.
bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar in de weekenden volgens het 2 om 1 principe, waarbij [minderjarige] twee weekenden bij de man verblijft en vervolgens 1 weekend bij de vrouw etc. Deze weekendregeling loopt van vrijdag na school tot maandag aanvang school, waarbij de man [minderjarige] ophaalt van en weer terugbrengt naar school. Feestdagen en/of studiedagen aansluitend op de zorgregeling bij de man zal [minderjarige] ook bij de man doorbrengen.
Gedurende de (Belgische) vakantie zal er contact zijn als volgt:
  • De krokusvakantie (één week) brengt zij volledig bij de man door.
  • De paasvakantie (twee weken) wordt verdeeld in twee gelijke delen: één week bij ieder, jaarlijks alternerend.
  • De zomervakantie begint onmiddellijk na de laatste schooldag en wordt bij helfte verdeeld in die zin dat [minderjarige] de laatste week van de zomervakantie altijd bij de vrouw verblijft en de eerste zes weken worden opgedeeld in 2 blokken van 3 weken aaneengesloten: 3-3-1-1 (vader-moeder-vader-moeder) en het jaar daarna 3-4-1 (moeder-vader-moeder);
  • De herfstvakantie (één week) brengt [minderjarige] volledig bij de man door.
  • De kerstvakantie: vanaf de start van de kerstvakantie tot de ochtend van de tweede kerstdag bij de ene ouder, waarna [minderjarige] zal overgaan naar de andere ouder tot en met oud- en nieuwjaar en zij vervolgens op 2 januari weer terug gaat naar de ene ouder, jaarlijks alternerend.
Ten aanzien van de vakanties zal de rechtbank ook bepalen dat deze beginnen op de laatste schooldag na schooltijd. [minderjarige] wordt opgehaald bij school door de ouder waar zij aansluitend voor vakantie verblijft. De ouder bij wie [minderjarige] aan het einde van de vakantie verblijft, brengt haar rechtstreeks naar school op de eerste schooldag na de vakantie. Voor wissels die in de vakantie en niet op een schooldag plaatsvinden, is de ophaal- en terugbrengtijd 10.00 uur.
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 door mr. Vriends, rechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.