ECLI:NL:RBZWB:2026:5469

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/444734 / FA RK 26-614
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens huiselijk geweld en afwijzing omgangs- en informatieregeling vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 22 mei 2026 een verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te wijzigen in eenhoofdig gezag ten gunste van haar. De vader verzocht om een omgangs- en informatieregeling met het kind.

De moeder stelde dat zij sinds 2024 werd mishandeld, bedreigd en gestalkt door de vader, met meerdere aangiftes en een strafrechtelijk onderzoek tot gevolg. De vader ontkende de beschuldigingen en benadrukte zijn wens tot contact met het kind, maar er geldt een contact- en locatieverbod tegen hem. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de verzoeken van de moeder toe te wijzen en die van de vader af te wijzen.

De rechtbank oordeelde dat de moeder voldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van fysiek en mentaal geweld, wat ernstige spanningen en veiligheidsrisico's veroorzaakt. Gezien het contactverbod en de verstoorde relatie is gezamenlijk gezag niet houdbaar en vormt het een onaanvaardbaar risico voor het kind. Omgang en informatievoorziening aan de vader zijn op dit moment niet in het belang van het kind vanwege de lopende strafrechtelijke procedure en veiligheidsrisico's.

De rechtbank wees het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag toe, wees de verzoeken van de vader tot omgang en informatie af, verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten zodat partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: De rechtbank kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en wijst de omgangs- en informatieregelingen van de vader af wegens veiligheidsrisico's en het belang van het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444734 / FA RK 26-614
datum uitspraak: 22 mei 2026
beschikking over gezag, omgang en informatie
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers in Roosendaal,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
verblijvende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. F.O. Ligeon-Merton in Rotterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 5 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen 1 tot en met 7;
- de op 3 april 2026 ingediende bijlagen 8 tot en met 11, van de zijde van de vrouw;
- het op 21 april 2026 ontvangen verweerschrift met zelfstandig verzoek met bijlagen 1 en 2;
- het uittreksel uit het gezagsregister over de minderjarige.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 24 april 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond bij de ouders van de vrouw.
2.2
Uit deze relatie is het volgende, minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.4
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over het minderjarige kind van partijen, [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2026 te [geboorteplaats] .
3.2
De man verzoekt zelfstandig om bij beschikking, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad:
- een omgangsregeling vast te stellen waarbij de man de minderjarige een dag per veertien dagen voor omgang bij zich heeft, dan wel een in goede justitie te bepalen gedeelde omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast te stellen;
- te bepalen dat de vrouw de man maandelijks informeert over de ontwikkelingen
van de minderjarige, of zoveel eerder indien een urgente situatie zich voordoet,
dan wel een in goede justitie te bepalen informatieregeling tussen de man en de
minderjarige vast te stellen.

4.De standpunten van partijen en het advies van de Raad

Standpunt van de vrouw
4.1
Door en namens de vrouw is in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Vanaf het moment dat de man in 2024 bij de vrouw en haar ouders was ingetrokken, is hij haar gaan controleren en mishandelen. Op
9 januari 2025, tijdens haar zwangerschap, heeft zij voor het eerst aangifte gedaan tegen de man van mishandeling. Op of omstreeks 1 februari 2025 is de man door de politie aangehouden. Ook tijdens zijn detentie heeft de man haar lastiggevallen en bedreigd. Daarvan heeft zij op 11 augustus 2025 aangifte gedaan. De hulpverlening maakt zich zorgen om de vrouw en over de rol van de man. Dit volgt uit het evaluatieverslag “Kansrijke start’ van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) van 30 oktober 2025. Op 14 november 2025 is de man in vrijheid gesteld. Kort daarvoor heeft de politie hem een STOP-brief gestuurd, waarin hem (opnieuw) werd meegedeeld te stoppen met het zoeken van contact met de vrouw en haar naasten. Op 14 november 2025 stuurde de man haar echter een WhatsApp-bericht met de mededeling: “Hallo schatje, ik ben vrij.” Een week later is er een explosief in de tuin van haar buren gegooid. Op 27 november en 18 december 2025 heeft zij aangifte gedaan tegen de man van stalking, bedreiging, mishandeling, poging ontvoering van [minderjarige] , poging zware mishandeling van [minderjarige] en van vernieling van haar telefoon. Als gevolg van alle gebeurtenissen zijn Veilig Thuis, de politie, Safegroup, CJG en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken. De hulpverlening is bezig met het opstellen van een veiligheidsplan. Verder heeft zij een AWARE-knop (Abused Women’s Active Response Emergency) bij zich en is afgesproken dat zij niet alleen met [minderjarige] naar buiten gaat. Gelet op de handelwijze van de man is een onaanvaardbaar risico ontstaan dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen zijn ouders. Niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Wijziging in het gezag is ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Door de continue dreiging die van de man uit gaat, kan in alle redelijkheid niet van haar gevergd worden dat zij nog probeert met de man uitoefening te geven aan het ouderlijk gezag. Voor het effectief uitoefenen van gezamenlijk gezag is het nodig dat zij het contact met de man moet blijven aangaan. Dat brengt te veel spanningen bij haar met zich, hetgeen een uitwerking heeft op [minderjarige] . Verder is voor gezamenlijk gezag nodig dat beide ouders samen op regelmatige basis belangrijke beslissingen (kunnen) nemen met betrekking tot de ontwikkeling en/of het welzijn van [minderjarige] . Van een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening door beide ouders is echter nooit sprake geweest. Het is van essentieel belang dat de vrouw - als enige verzorgende ouder - in staat wordt gesteld om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zij en [minderjarige] hebben veiligheid en rust nodig. Gelet op het contactverbod van de man en in verband met haar veiligheid en die van [minderjarige] is vaststelling van een omgangsregeling en informatieregeling op dit moment ook niet in het belang van [minderjarige] , aldus de vrouw.
Standpunt van de man
4.2
Ter onderbouwing van zijn verweer en zijn zelfstandige verzoeken voert de man, samengevat, het volgende aan. Gedurende zijn verblijf in de penitentiaire inrichting was er regelmatig contact tussen partijen. De vrouw kwam op bezoek en er was telefonisch contact. Ook na de geboorte van [minderjarige] heeft de vrouw hem bezocht. Partijen kennen een hectisch verleden. Het is echter onjuist dat hij de vrouw of [minderjarige] iets zou willen aandoen of iets heeft aangedaan. Het is juist de vrouw die in strijd heeft gehandeld met het gezamenlijk gezag. Zo heeft zij niet bij de gemeente gemeld dat hij [minderjarige] heeft erkend en is zij - voordat de erkenning was geregistreerd - zonder zijn toestemming met [minderjarige] naar Marokko gereisd. Hij heeft er bij de vrouw op aangedrongen om [minderjarige] op structurele basis te kunnen zien. Sinds hij uit de penitentiaire inrichting is, heeft hij [minderjarige] slechts één keer gezien, op
18 december 2025. Er is bij dat contactmoment geen sprake geweest van bedreiging, mishandeling, poging tot ontvoering van [minderjarige] , poging tot zware mishandeling van [minderjarige] of van vernieling van de telefoon van de vrouw. Ter zitting heeft de man uitdrukkelijk aangegeven dat hij verder niet wenst in te gaan op het vermeende incident op
18 december 2025, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. Wel heeft hij hierover opgemerkt dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de vrouw hem, door haar onjuiste negatieve uitlatingen, in een kwaad daglicht probeert te brengen, zodat hij geen contact met [minderjarige] heeft. Hij wil graag het contact tussen hem en [minderjarige] tot stand brengen en is bereid om zich daarbij, zo nodig, te laten begeleiden en het contact op te bouwen. Hij wil graag een substantiële rol spelen in het leven van [minderjarige] . Het uitoefenen van het gezag hoort daarbij. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders of dat beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Vanwege het lopende onderzoek van het openbaar ministerie is er een contact- en locatieverbod opgelegd aan hem. Communicatie tussen hem en de vrouw is er op dit moment dan ook niet, maar hij is van mening dat dit eventueel met behulp van de juiste hulpverlening verbeterd zou kunnen worden.
Advies van de Raad
4.3
De Raad geeft aan dat, hoewel op dit moment nog niet kan worden vastgesteld in hoeverre de aantijgingen van de vrouw jegens de man waar zijn, hetgeen er tussen partijen speelt, hoe dan ook heel zorgelijk is. Mogelijk ziet de Raad dat sprake is van dwingende controle. Vaststaat in ieder geval dat er een strafrechtelijk onderzoek loopt naar de man en dat aan hem een gebiedsverbod en een contactverbod met de vrouw is opgelegd. Onduidelijk is hoe lang dat gebieds- en contactverbod loopt. Omdat er een strafrechtelijk onderzoek gaande is, ziet de Raad vooralsnog geen reden voor een raadsonderzoek. Met betrekking tot het gezag geeft de Raad aan dat er, zeker bij een jong kind als [minderjarige] , enige vorm van communicatie moet zijn tussen de ouders. Dat is op dit moment niet mogelijk. De relatie is dusdanig verstoord dat er geen sprake is van een relatie die eventueel met ouderschapsbemiddeling kan worden verbeterd. Verder geeft de Raad aan dat er geen omgang tussen de man en [minderjarige] kan zijn, zolang het strafrechtelijk onderzoek niet is afgerond. Als naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat er wel hulpverlening mogelijk is, dan kan er eventueel worden gekeken naar mogelijkheden voor omgang. Datzelfde geldt voor de informatieregeling. Of deze kan worden opgelegd is afhankelijk van de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek. De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw toe te wijzen en de verzoeken van de man af te wijzen.

5.De beoordeling

5.1
De rechtbank stelt voorop dat de verzoeken van partijen allemaal verband houden met wat er zich tussen partijen heeft afgespeeld. De rechtbank overweegt daartoe eerst als volgt. De vrouw heeft, kort gezegd, verteld dat zowel tijdens als na het beëindigen van de relatie sprake is van mishandeling, controle, dwang, bedreiging en stalking door de man. Verder heeft de vrouw verteld dat de man op 18 december 2025 heeft gedreigd [minderjarige] op de grond te gooien waarbij hij, met [minderjarige] in zijn armen, een zwaaiende beweging maakte. Later is in het ziekenhuis vastgesteld dat [minderjarige] een breukje in beide polsen had. Dit is mogelijk ontstaan als gevolg van het incident op 18 december 2025, maar dat staat op dit moment niet vast. De man heeft alle door de vrouw gestelde omstandigheden steeds ontkend, ook ten aanzien van het incident op 18 december 2025, en ontkent deze nog steeds. Het strafrechtelijk onderzoek loopt nog.
5.2
De man heeft eerder, van februari tot en met november 2025 gedetineerd gezeten. Het is de rechtbank niet bekend van welke feiten hij werd verdacht. Uit de verklaringen van partijen volgt in ieder geval dat de man, na zijn detentie een locatieverbod en een contactverbod met betrekking tot de vrouw heeft gekregen. Desgevraagd is niet duidelijk geworden voor welke periode deze verboden zijn opgelegd en tot hoe lang het contactverbod dus nog geldt.
5.3
Van een strafrechtelijke veroordeling van de man met betrekking tot het incident op 18 december 2025 is dus op dit moment geen sprake. Dat betekent niet dat de rechtbank in deze civiele zaak ook nog niets kan vaststellen. Voor een strafrechtelijke veroordeling is nodig dat de rechter de overtuiging heeft dat de verdachte heeft gedaan wat hem wordt verweten: dat moet ‘buiten redelijke twijfel’ zijn. Er moet, met andere woorden, een zeer grote mate van waarschijnlijkheid zijn. Voor de civiele rechter is dat anders: de civiele rechter gaat uit van vaststaande feiten of standpunten die niet, of niet voldoende gemotiveerd, betwist zijn. De rechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid bij het waarderen van de onderbouwing door partijen. Stellingen moeten ‘voldoende aannemelijk’ zijn. Met andere woorden: waarschijnlijker wel, dan niet.
5.4
Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen wat er zowel tijdens als na het beëindigen van de relatie precies tussen partijen is gebeurd, acht de rechtbank het in deze civielrechtelijke procedure door de vrouw genoegzaam aangetoond dat er zowel fysiek als mentaal geweld heeft plaatsgevonden. Redenen om dit aan te nemen zijn:
- de vrouw heeft bij de politie gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd, onder meer over verwurging met niet fatale afloop, bedreiging en dwang met betrekking tot de erkenning van [minderjarige] , en het incident op 18 december 2025;
- de vrouw heeft doktersverklaringen met betrekking tot de polsbreukjes van [minderjarige] overgelegd van 24 december 2025 (eerste onderzoek) en 20 januari 2026 (vervolgonderzoek);
- de vrouw heeft een transcriptie van de door de man ingesproken voicemailberichten overgelegd, waaruit blijkt dat de man meerdere berichten heeft ingesproken waarin hij de vrouw veelvuldig uitscheldt en bedreigingen uit jegens de vrouw.
5.5
De rechtbank stelt bovendien vast dat de situatie door alle betrokken instanties zeer serieus wordt genomen:
- Uit het verslag ‘Kansrijke Start’ van het CJG van 30 oktober 2025 volgt dat de politie bij het CJG heeft aangegeven dat de man ‘veel op zijn kerfstok heeft en dat het belangrijk is dat jij (
de vrouw, toevoeging rechtbank) jezelf en de baby in veiligheid brengt’. Er is een melding bij Veilig Thuis gedaan en er wordt hulpverlening ingezet vanuit de Safegroup.
- Uit de door Veilig Thuis opgestelde veiligheidskaart blijkt dat er op
19 december 2025 en 23 december 2025 meldingen zijn geweest vanuit de politie en de gezondheidszorg. Verder staat in de veiligheidskaart gedetailleerd beschreven waaruit de veiligheidsrisico’s bestaan.
- Sinds de man uit detentie is heeft hij een gebiedsverbod en een contactverbod met de vrouw.
- De vrouw heeft een AWARE-knop (alarmsysteem). Met de vrouw is afgesproken dat zij niet alleen met [minderjarige] naar buiten mag.
5.6
Het voorgaande vormt voor de rechtbank het uitgangspunt voor het nemen van haar beslissingen. Daarbij betrekt de rechtbank nadrukkelijk het Verdrag van Istanbul. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden. In dit verdrag is onder andere vastgelegd dat er maatregelen moeten worden genomen bij het vaststellen van contactregelingen om te zorgen dat dit niet ten koste gaat van de rechten en veiligheid van slachtoffers van huiselijk geweld of de kinderen.
Het gezag
5.7
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt. Verder staat in artikel 1:253n lid 1 BW dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.8
De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag houden. De rechtbank vindt dat daarvan in dit geval moet worden afgeweken. De rechtbank zal uitleggen waarom.
5.9
Hoewel het strafrechtelijk onderzoek naar het incident op 18 december 2025 nog loopt, acht de rechtbank op basis van hetgeen hiervoor onder 5.4 en 5.5 is overwogen genoegzaam gebleken dat sprake is van controle, mishandeling, bedreiging door de man jegens de vrouw en mogelijk jegens [minderjarige] , hetgeen veel spanningen en angst meebrengt voor de vrouw. Verder is uit de stukken in het dossier en de mondelinge behandeling gebleken dat de man iedere vorm van relatieproblematiek blijft ontkennen. Deze ontkenning door de man is niet te rijmen met de verklaring van de vrouw, haar aangiftes, de informatie uit het verslag ‘Kansrijke start’ van het CGJ en de door Veilig Thuis opgestelde veiligheidskaart. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat aan de vrouw een AWARE-knop is gegeven en dat zij hulpverlening krijgt vanuit Veilig Thuis en de Safegroup. Dergelijke maatregelen worden in de regel niet genomen als er niets aan de hand is, en daarmee is de aannemelijkheid van het verhaal van de vrouw verder toegenomen.
5.1
Vanwege genoemde veiligheidsredenen en het aan de man opgelegde contactverbod, is er geen enkel contact tussen partijen mogelijk. Voor de vrouw is het dan ook niet mogelijk en kan overigens ook niet van haar worden gevraagd om samen met de man de benodigde beslissingen te nemen over [minderjarige] . Hierdoor ontbreekt de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag. Bovendien is het de vraag in hoeverre de man in staat is om gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige] te kunnen nemen. De man mist vanaf de geboorte betrokkenheid bij [minderjarige] en hij weet zodoende niet echt wat er in zijn leven speelt en wat zijn ontwikkelingsbehoeften zijn. Omdat de rechtbank geen omgangsregeling zal vaststellen (zie hetgeen hierna onder 5.12. en verder wordt overwogen), is het niet waarschijnlijk dat het contact tussen de man en [minderjarige] op korte termijn hersteld zal worden. De man heeft daardoor (in ieder geval) op dit moment en in de nabije toekomst onvoldoende zicht op de behoefte van [minderjarige] . Gezamenlijk gezag levert dan ook een onaanvaardbaar risico op dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen ouders. De rechtbank verwacht gelet op alle omstandigheden niet dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt.
5.11
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in lijn met het advies van de Raad, het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag toewijzen.
De omgangsregeling
5.12
Omdat de rechtbank het gezamenlijk gezag van partijen zal beëindigen, zal in het hierna volgende worden gesproken over de ‘omgangsregeling’.
5.13
In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een verzoek van de ouder zonder gezag enkel afwijzen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.14
[minderjarige] heeft nooit in gezinsverband met de man en de vrouw samengeleefd en kent de man eigenlijk niet. Gezien zijn zeer jonge leeftijd is het voor [minderjarige] van groot belang dat hij eerst stabiliteit en veiligheid ervaart in zijn dagelijks leven, voordat een vorm van omgang met de man overwogen kan worden. Hiervoor heeft hij een sterke en stabiele moeder nodig, die op dit moment als enige opvoeder in zijn leven fungeert. De vrouw krijgt daarbij ondersteuning van de Safegroup en Veilig Thuis.
5.15
Vanwege de ernst van de verdenkingen tegen de man en de risicoschatting door de hulpverlening en de politie alsmede het advies van de Raad acht de rechtbank het nu niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling te bepalen, ook niet in een vorm zonder contact met de vrouw en/of onder begeleiding. Voldoende duidelijk is dat omgang op dit moment te belastend is en een ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat dit belastend voor de vrouw zou zijn, en haar belang verdient op grond van het Verdrag van Istanbul ook bescherming. De rechtbank ziet, evenals de Raad, nu geen aanleiding de Raad te verzoeken onderzoek te verrichten. Er moet eerst duidelijkheid komen over wat er – met name op 18 december 2025 – tussen partijen en met [minderjarige] is gebeurd en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarvoor moet het politieonderzoek worden afgewacht. Gezien ook die onzekerheid is er op dit moment geen basis om een (begeleide) omgangsregeling op te starten, terwijl deze mogelijk op korte termijn ook weer onderbroken zou moeten worden. De rechtbank zal het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling, conform het advies van de Raad, afwijzen.
De informatieregeling
5.16
In artikel 1:377b, eerste lid, BW staat dat de ouder met gezag over een kind informatie moet geven aan de ouder zonder gezag over het kind over hoe het met het kind gaat. Het gaat om informatie over belangrijke zaken over de persoon en het vermogen van het kind. Ook moet de ouder die het gezag over een kind heeft de ouder die geen gezag heeft, raadplegen bij beslissingen die hij of zij over het kind neemt. Dat kan ook met de hulp van een tussenpersoon. De rechter kan op verzoek van een ouder over dit onderwerp een regeling vaststellen. In het tweede lid van dit artikel staat dat de rechter kan beslissen dat de ouder met gezag over het kind geen informatie hoeft te geven aan de ouder zonder gezag over het kind over hoe het met het kind gaat en hem of haar niet hoeft te raadplegen.
5.17
Wanneer er geen omgangsmomenten zijn tussen een ouder en zijn of haar kind, is een informatieregeling een belangrijk middel voor deze ouder om een band met het kind te behouden. De rechtbank begrijpt dan ook de wens van de man om op de hoogte te blijven van de ontwikkeling van [minderjarige] en in beginsel heeft de man belang bij de vaststelling van een informatieregeling. In het onderhavige geval dient het belang van de man echter te wijken voor het belang van [minderjarige] . Er speelt op dit moment teveel, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen de oplegging van een informatieregeling, in ieder geval zolang het politieonderzoek loopt. Bovendien heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat de betrokken hulpverlening er op is gericht dat contact tussen haar en de man tot een minimum wordt beperkt en dat zij vreest dat haar veiligheid en die van [minderjarige] in gevaar komt als een informatieregeling wordt vastgesteld. De rechtbank acht van belang dat nu een beslissing wordt genomen en volgt ook op dit punt het advies van de Raad. Het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling zal dan ook worden afgewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.18
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Proceskosten
5.19
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ;
6.2
wijst de verzoeken van de man tot vaststelling van een omgangsregeling en een informatieregeling af;
6.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.