ECLI:NL:RBZWB:2026:5470

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447373 / KG ZA 26-2024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:199 lid 1 BWArt. 7:600 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over afgifte en kosten van opgeslagen goederen na beëindiging samenleving

Partijen, voormalig samenwonenden met twee minderjarige kinderen, zijn in geschil geraakt over de afgifte van goederen die na beëindiging van hun samenleving in een gehuurde loods zijn opgeslagen. De vrouw heeft de woning verlaten en de man is na een kort geding veroordeeld de woning te ontruimen, maar heeft dit niet gedaan. De vrouw heeft daarop de goederen uit de woning verwijderd en opgeslagen.

De man vordert in kort geding de afgifte van alle goederen uit de loods zonder voorafgaande betaling van opslagkosten, terwijl de vrouw vordert dat de man de goederen binnen een termijn ophaalt onder begeleiding van een deurwaarder en de opslagkosten vergoedt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de goederen aan de man moeten worden overgedragen, maar wijst het verzoek af om de goederen in goede staat af te geven en om een deurwaarder te laten begeleiden, omdat hiervoor geen juridische grondslag is.

De vrouw heeft gehandeld als zaakwaarnemer door de goederen te bewaren om schade te voorkomen, en de man is gehouden de noodzakelijke opslagkosten te vergoeden. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw tot vergoeding van €4.739,82 toe en compenseert de proceskosten tussen partijen. De dwangsommen worden afgewezen omdat partijen het eens zijn over overdracht van de goederen.

Uitkomst: De man moet de goederen uit de opslagloods ophalen en de opslagkosten aan de vrouw vergoeden; proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/447373 / KG ZA 26-2024
Vonnis in kort geding van 22 mei 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. D. Kotterman te Arnhem,
tegen
[de vrouw] .
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. R.J. Verweij te Nijmegen.
Partijen zullen hierna man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties genummerd 1 tot en met 19;
- de op 6 mei 2026 ontvangen producties van de vrouw;
- de op 8 mei 2026 ontvangen brief van mr. Kotterman met producties genummerd 20
tot en met 26;
- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie met producties
genummerd 1 tot en met 17;
- de op 10 mei 2026 ontvangen brief van mr. Kotterman met producties 27 en 28;
- de akte wijziging van eis van de man van 11 mei 2026;
- de mondelinge behandeling op 12 mei 2026.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.
1.3
Tijdens de zitting hebben mr. Kotterman en mr. Verweij ieder een pleitnota voorgedragen.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de volgende kinderen zijn geboren:
1- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2007;
2- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010.
2.2
Op 21 april 2023 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten
De samenlevingsovereenkomst is door de vrouw bij brief van 20 januari 2024 met ingang van 5 september 2023 ontbonden.
2.3
De vrouw was eigenaar van de woning aan [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning).
2.4
De vrouw heeft de woning op 18 april 2024 verlaten. Sinds 8 juli 2024 heeft zij
vervangende woonruimte. De man is na 18 april 2024 met de kinderen in de woning blijven wonen.
2.5
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 6 september 2024 is de man veroordeeld om uiterlijk 31 oktober 2024 de woning te verlaten en te ontruimen en verlaten en ontruimd te houden met overhandiging van de sleutels aan de vrouw.
2.6
De man is in november 2024 aangehouden en in detentie geraakt.
2.7
Vanaf 8 februari 2025 heeft de vrouw een loods gehuurd aan [adres 2] te [plaats 2] (hierna; de loods) waarin nog in de woning aanwezige goederen zijn opgeslagen.
2.8
De vrouw heeft de woning tijdens de detentie van de man verkocht. De woning zou op 23 mei 2025 moeten worden geleverd maar de man heeft op 21 mei 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning. Het gelegde beslag is vervolgens bij vonnis van 12 juni 2025 opgeheven. Daarna is de woning geleverd aan derden.

3.De vorderingen

3.1
De man vordert
in conventiebij vonnis in kort geding, na wijziging van eis en toelichting ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen
een in goede justitie te bepalen termijn, alle roerende zaken, welke goederen zich bevinden in de opslagloods staande en gelegen aan [adres 2] te [plaats 2] , in goede staat aan de man af te geven;
2. te bepalen dat deze afgifte dient plaats te vinden zonder dat daaraan enige voorwaarde
van voorafgaande betaling wordt verbonden;
3. subsidiair, voor het geval enige kosten voor vergoeding in aanmerking zouden
komen, te bepalen dat:
o deze kosten eerst achteraf tussen partijen dienen te worden verrekend, althans
o door de voorzieningenrechter worden begroot op een redelijk bedrag;
4. de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,= per dag,
althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor
iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het onder 1 bepaalde te voldoen, met een maximum van € 50.000,=;
5. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de
nakosten en wettelijke rente.
3.2
De vrouw vordert
in reconventiebij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om binnen tien werkdagen na betekening van dit vonnis,
althans binnen een nader te bepalen termijn, alle goederen uit de opslagloods staande en gelegen aan [adres 2] te [plaats 2] op te halen onder begeleiding van een door de vrouw aan te wijzen deurwaarder die voor rekening van de man de aanwezige goederen inventariseert op straffe van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat de man in gebreke blijft hieraan te voldoen tot een maximum van
€ 50.000,=;
II. de man te veroordelen tot vergoeding van de door de vrouw gemaakte kosten
van € 4.739,82 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag veertien dagen na datum vonnis tot de dag van de algehele voldoening;
III. de man te veroordelen in primair de forfaitaire kosten van dit geding subsidiair
in de werkelijke proceskosten te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis en - voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1
De voorzieningenrechter ziet gelet op hun onderlinge samenhang aanleiding de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te behandelen.
Spoedeisend belang
4.2
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de zitting. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen.
4.3
Volgens de man is de spoedeisendheid van zijn vorderingen erin gelegen dat hij zijn in de loods opgeslagen goederen nodig heeft om zijn werkzaamheden te kunnen hervatten; hij heeft op korte termijn een grote opdracht waarvoor hij bepaalde opgeslagen zaken nodig heeft. Hoewel de vrouw het spoedeisend belang bij het door de man gevorderde betwist, blijkt uit haar reconventionele vordering dat ook zij een spoedeisend belang aanwezig acht bij het ophalen van die goederen. De kosten voor opslag lopen op. Gelet op het over en weer gestelde en de oplopende kosten acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij het gevorderde aanwezig.
Inhoudelijke beoordeling
vorderingen in conventie onder 1. en 4. en in reconventie onder I.
4.4
De man vordert afgifte van alle in de loods opgeslagen goederen en legt daaraan het volgende ten grondslag. Hij heeft de goederen nodig voor de uitvoering van een aan hem verstrekte opdracht. Alleen als hij over de goederen beschikt, kan hij zijn bedrijf hervatten en inkomen verwerven. Hij kan niet voldoen aan de voorwaarde die de vrouw tot op heden stelde voor afgifte: betaling van de kosten van de opslagruimte. Hij heeft namelijk geen geld. Hij heeft er op zich geen bezwaar tegen dat een deurwaarder wordt ingeschakeld om op de overdracht van de goederen toe te zien, maar stelt dat dit stuit op het praktische bezwaar dat deurwaarders dergelijke opdrachten niet uitvoeren. Desgevraagd ter zitting heeft de man aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben om de goederen op te halen in de loods. Waar de man in eerste instantie stelde dat zich in de loods ook veel goederen van de kinderen bevinden waarvan hij eveneens afgifte vorderde (namelijk afgifte van alle goederen conform producties 24, 25 en 26), heeft hij dit standpunt ter zitting verlaten, zijn eis aangepast en naar voren gebracht dat de vrouw in haar stellingen en reconventionele vordering erkent dat hij recht heeft op (afgifte van) alle goederen die zich in de loods bevinden, zodat het onderscheid van wat van hem en wat van de kinderen is er niet langer toe doet.
4.5
De vrouw voert aan dat zij genoodzaakt was de goederen voor haar rekening op te slaan. De man weigerde haar woning te verlaten en te ontruimen als gevolg waarvan de vrouw in kort geding de ontruiming heeft moeten afdwingen. Nadat haar vordering was toegewezen hield de man zich vervolgens echter niet aan het vonnis en heeft hij de woning niet ontruimd. De vrouw heeft noodgedwongen een loods gehuurd per 8 februari 2025 waarin zij de goederen heeft opgeslagen. Niemand was er immers bij gebaat dat de goederen op straat kwamen te staan. Al vanaf juni 2025 probeert zij afspraken te maken met de man en sommeert zij hem tevergeefs om de goederen op te halen uit de loods waarbij zij als voorwaarde stelde dat de man de stallingskosten aan haar voldoet en bij het ophalen een deurwaarder aanwezig is. De man handelt onrechtmatig door de goederen niet op te halen en is gehouden door haar geleden schade te voldoen. De vrouw betwist het bestaan van en het eigendomsrecht van de man op de goederen opgesomd in producties 24, 25 en 26. Ook voert zij aan dat de man ten aanzien van de vordering voor zover deze ziet op goederen van de kinderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ter zitting voegt de vrouw toe dat zij het eigendomsrecht van de man op alle goederen in de loods erkent onder de voorwaarde dat een vergoeding wordt betaald voor de opslag en een deurwaarder registreert welke goederen worden meegenomen.
4.6
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit het gevorderde in conventie onder 1 en 4 en in reconventie onder I volgt dat partijen het erover eens zijn dat
allegoederen in de loods overgedragen dienen te worden aan de man. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in het kader van deze (spoed)procedure niet in zal gaan op de vraag welke van de goederen aan de kinderen van partijen toebehoren en wat dat betekent voor de door de vrouw ingenomen stelling ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man in zijn vordering en voor het overige evenmin op het eigendomsrecht van de goederen. Partijen verschillen blijkens hun vordering op enkele punten wel nog van inzicht over de wijze waarop de overdracht van de goederen dient te gebeuren. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien daarvan als volgt.
a.
Ophalen of afgeven.
4.7
Ter zitting heeft de man zich bereid verklaard om, zoals door de vrouw gevorderd, de goederen uit de loods op te halen.
b.
In goede staat
4.8
Voor zover de vordering van de man onder 1. erop ziet dat de goederen in goede staat dienen te zijn, wijst de voorzieningenrechter dit af. De man heeft immers niets gesteld over de staat waarin de goederen zich bevonden voorafgaand aan de opslag daarvan, zodat ter zake niets kan worden vastgesteld.
c.
Deurwaarder
4.9
De vrouw vordert dat een door haar aan te wijzen deurwaarder het ophalen van de goederen begeleidt en de betreffende goederen inventariseert. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij op zich geen bezwaar heeft tegen dit onderdeel van de vordering van de vrouw, maar dat zijn ervaring is dat deurwaarders een dergelijke opdracht niet zullen uitvoeren. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw desgevraagd niet heeft kunnen aangeven dat een deurwaarder tot het door haar gevorderde bereid is en evenmin heeft zij aangegeven wat de grondslag is van dit door haar gevorderde. Gelet hierop en nu een grondslag de voorzieningenrechter ook niet anderszins is gebleken, wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het partijen gezamenlijk, althans de vrouw, vrij staat aan een deurwaarder de opdracht te geven een proces-verbaal van constatering op te maken van de in de loods aanwezige goederen.
d.
Termijn
4.1
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de goederen op een door de vrouw in overleg met de man te bepalen datum gelegen binnen 5 werkdagen na betekening van dit vonnis opgehaald dienen te worden.
e.
Dwangsom
4.11
Gelet op al het voorgaande en nu partijen het erover eens zijn dat alle goederen in de loods in het bezit dienen te komen van de man, zal de voorzieningenrechter de man veroordelen tot het ophalen van de goederen in de loods en de vrouw veroordelen tot het afgeven van deze goederen door openstelling van de loods. Gelet hierop zullen de over en weer gevorderde dwangsommen worden afgewezen.
4.12
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal op de vorderingen in conventie onder 1 en 4 en in reconventie onder I als na te melden worden beslist.
vorderingen in conventie onder 2. en 3. en in reconventie onder II
4.13
Volgens de man gaat de stelling dat de vrouw als bewaarnemer kosten heeft moeten maken niet op omdat van een bewaarnemingsovereenkomst in de zin van artikel 7:600 e.v. BW geen sprake is. Hij heeft de goederen immers niet vrijwillig in bewaring gegeven; de vrouw heeft de goederen eenzijdig onder zich genomen. Dat de vrouw kosten maakt en vervolgens betaling van de man verlangt alvorens tot afgifte over te gaan is misbruik maken van haar positie en in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus de man. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat (wel) sprake is van zaakwaarneming, maar dat de vrouw niet aan haar verplichting heeft voldaan tot het afleggen van rekening en verantwoording aan hem.
4.14
De vrouw stelt dat zij op grond van zaakwaarneming de goederen heeft opgeslagen. Zij heeft de man het afgelopen jaar meermaals tevergeefs gesommeerd de goederen op te halen. Omdat de kosten blijven doorlopen kan van haar redelijkerwijs niet worden verlangd de zaakwaarneming langer voort te zetten. De opslagkosten dienen door de man aan haar te worden vergoed.
4.15
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man conform genoemd vonnis van 6 september 2024 de woning moest ontruimen en verlaten maar dat hij dat niet heeft gedaan. De vrouw heeft daarom op enig moment in 2025 de nog in de woning aanwezige goederen afgevoerd en opgeslagen. Voldoende aannemelijk is dat dit is gebeurd met de intentie om te voorkomen dat de goederen op straat moesten worden gezet en onbeheerd op de openbare weg zouden achterblijven en daardoor teniet zouden kunnen gaan of schade zouden kunnen oplopen. Niet betwist is dat de vrouw al sinds het ontslag van de man uit detentie in juni 2025 probeert afspraken te maken met de man over het leeghalen van de opslagruimte, maar dat dat niet is gelukt. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter gehandeld als zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:199 lid 1 BW Pro hetgeen de man ter zitting ook heeft erkend. Hij is echter van mening dat de vrouw niet aan haar verplichting als zaakwaarnemer heeft voldaan omdat zij rekening en verantwoording had moeten afleggen aan hem. Nog los van de vraag of de vrouw daartoe gehouden is, heeft te gelden dat de man aan deze stelling geen juridische consequenties heeft verbonden, zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbij gaat. De vrouw wordt dan ook gevolgd in haar stelling dat de kosten voor zaakwaarneming, noodzakelijk om de betreffende goederen te behouden, in beginsel door de man moeten worden vergoed.
4.16
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in de veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken
de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
4.17
De voorzienrechter acht het bestaan en de hoogte van de vordering voldoende aannemelijk nu de man daartegen geen verweer heeft gevoerd. Daar komt bij dat is gesteld noch gebleken dat er sprake is van een restitutierisico. Het verweer van de man tot slot dat hij nu geen middelen heeft om de vordering te betalen betreft geen juridisch steekhoudend verweer, zodat de voorzieningenrechter dat passeert. Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw in reconventie onder II. zal worden toegewezen onder gelijktijdige afwijzing van de vorderingen van de man in conventie onder 2. en 3.
vordering in conventie onder 5, vordering in reconventie onder III
4.18
De proceskosten zullen gelet op het familierechtelijke karakter van de zaak tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Ook omdat partijen over en weer vorderingen hebben ingesteld welke (deels) zijn toegewezen, kan niet gesteld worden dat er sprake is van nodeloos procederen of misbruik van procesrecht.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter;
in conventie en in reconventie
5.1
veroordeelt de man tot het ophalen van alle goederen die zich bevinden in de opslagloods staande en gelegen aan [adres 2] te [plaats 2] en veroordeelt de vrouw tot afgifte van deze goederen aan de man door openstelling van de loods, een en ander op een door de vrouw in overleg met de man te bepalen datum binnen 5 werkdagen na betekening van dit vonnis;
5.2
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 4.739,82 (vierduizend zevenhonderdnegenendertig euro en tweeëntachtig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, voorzieningenrechter en in aanwezigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.