ECLI:NL:RBZWB:2026:5475

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448103 / JE RK 26-823
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met Oekraïense nationaliteit, geboren in 2009, die momenteel verblijft bij haar pleeg/adoptiemoeder. De biologische moeder is overleden en er bestaat onzekerheid over de gezagspositie van de pleeg/adoptiemoeder. De Raad stelt dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat een vrijwillig kader niet toereikend is.

Tijdens de zitting op 22 mei 2026 zijn de belanghebbenden gehoord, waaronder de moeder met haar advocaat en een tolk. De minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van haar spreekrecht. De pleeg/adoptiemoeder en de GI onderschrijven het verzoek, waarbij de GI benadrukt dat de minderjarige angstig is en niet terug wil naar haar moeder vanwege nare ervaringen in de thuissituatie.

De moeder betwist de inhoud van het verzoekschrift maar verzet zich niet tegen de uithuisplaatsing. De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. De voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk om deze bedreiging weg te nemen. Gezien de onduidelijkheid over een passende plaatsing wordt een brede machtiging verleend voor plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, een voorziening voor pleegzorg of een gezinshuis.

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen drie maanden na de uitspraak of betekening.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en brede machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt toegewezen voor drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448103 / JE RK 26-823
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST
BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Oekraïne),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de pleeg/adoptiemoeder] ,
hierna te noemen: de pleeg/adoptiemoeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: M.V. de Nooijer te Middelburg.
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 12 mei 2026 met alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
  • het op 21 mei 2026 ontvangen bericht van mr. de Nooijer met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en een tolk Oekraïens;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Uit het verzoekschrift van de Raad volgt dat de biologische moeder van [minderjarige]
zou zijn overleden.
2.2.
[minderjarige] verblijft samen met haar pleeg/adoptiemoeder in [woonplaats] . De Raad is
momenteel in afwachting van informatie van de Centrale Autoriteiten (CA) met betrekking
tot de gezagspositie van de pleeg/adoptiemoeder (hierna: moeder). Vooralsnog wordt ervan
uit gegaan dat zoals de moeder stelt, zij de voogdij over [minderjarige] heeft.
2.3.
[minderjarige] heeft de Oekraïense nationaliteit.
2.4.
Bij beschikking van 12 mei 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 mei 2026 en tot 26 mei 2026. Tevens is er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 12 mei 2026 en tot 26 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt met spoed [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de
duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad met spoed een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te
verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de
belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft ter zitting het aangehouden deel van het verzoek gewijzigd, in die zin dat de Raad verzoekt om een brede machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De Raad verzoekt om [minderjarige] uit huis te plaatsen in ofwel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ofwel in een voorziening voor pleegzorg ofwel in een gezinshuis.
3.3.
Thans ligt nog ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 12 mei 2026, alsmede het (gewijzigde) verzoek van de Raad, te weten de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] over de periode van 26 mei 2026 en tot 12 augustus 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] over de periode van 26 mei 2026 en tot 12 augustus 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat er een vermoeden bestaat dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat aan de gronden van een ondertoezichtstelling is voldaan. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling weg te nemen. De Raad heeft grote zorgen over de tegenstrijdige verhalen die de moeder en [minderjarige] vertellen. De komende periode dient hier nader onderzoek naar te worden verricht. Het vrijwillig kader is – mede gelet op de tegenstrijdige verhalen en de grote zorgen – niet toereikend. De Raad stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] op dit moment niet kan terugkeren naar de moeder en dat er verder zicht moet komen op de (opvoed)situatie bij de moeder. Omdat [minderjarige] op dit moment op een crisisplek verblijft en nog onduidelijk is waar zij nadien kan verblijven, verzoekt de Raad een brede machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij [minderjarige] ofwel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder kan worden geplaatst, ofwel in een voorziening voor pleegzorg, ofwel in een gezinshuis.
4.2.
De GI kan zich vinden in het gewijzigde verzoek van de Raad. De vertegenwoordiger van de GI is vanaf de start van de voorlopige ondertoezichtstelling betrokken bij [minderjarige] . [minderjarige] verblijft momenteel op een crisisplek en is erg angstig dat zij haar moeder tegenkomt of dat zij haar komt opzoeken. [minderjarige] heeft verteld dat zij nare dingen in de thuissituatie heeft meegemaakt en dat zij erg onder druk staat. De komende periode vindt de GI het van belang dat er gekeken wordt naar een plek waar [minderjarige] veilig kan opgroeien. De GI heeft een aanmelding gedaan voor een pleeggezin, maar nog onduidelijk is of [minderjarige] hier terecht kan. Wanneer dit niet mogelijk is, zou een woongroep of een gezinshuis een passend alternatief zijn. Het maakt [minderjarige] niet uit waar zij woont, als dat maar niet bij haar moeder is. Tot slot moet bekeken worden wat het contactverlies voor [minderjarige] betekent en of het contact tussen [minderjarige] en de moeder hersteld kan worden.
4.3.
Namens de moeder bepleit de advocaat afwijzing van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder is bereid om vrijwillig mee te werken en om de hulpverlening te accepteren. Een dwangkader is hierbij niet noodzakelijk. Voor wat betreft het verzoek van de Raad om [minderjarige] uit huis te plaatsen, verzet de advocaat zich niet tegen de verzochte wijziging van het verzoek. Inhoudelijk refereert de moeder zich aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder betwist de inhoud van het verzoekschrift en stelt dat er veel onwaarheden in staan, maar wil [minderjarige] niet dwingen om terug te keren naar huis. De moeder benoemt tot slot dat zij de situatie betreurt. Zij vindt het wel fijn om te horen dat het goed gaat met [minderjarige] en wil meegeven dat zij altijd kan terugkeren naar huis.

5.De beoordeling

Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Bij beschikking van 12 mei 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 12 mei 2026 en tot 26 mei 2026. Die beslissing is genomen zonder dat de belanghebbenden daaraan voorafgaand zijn gehoord. Tijdens de zitting op 22 mei 2026 zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de beslissing van 12 mei 2026 zou moeten worden herroepen.
Beoordeling resterende deel van het verzoek
5.2.
De kinderrechter overweegt allereerst dat zij de verzochte wijziging van het verzoek toestaat, nu de moeder zich hiertegen niet verzet en de belanghebbenden hierdoor niet in hun procespositie worden geraakt. Ter beoordeling ligt dan ook voor het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling alsmede het verzoek tot uithuisplaatsing ofwel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ofwel in een voorziening voor pleegzorg ofwel in een gezinshuis, voor beide onderdelen voor de periode met ingang van 26 mei 2026 tot 12 augustus 2026.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat er veel zorgen zijn rondom [minderjarige] . [minderjarige] verblijft middels een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op een crisisplek. [minderjarige] geeft duidelijk aan dat zij niet terug wil naar huis en het thuis niet als prettig ervaart. Er zijn volgens haar dagelijks ruzies, waarbij de moeder erg boos kan worden. De moeder zou een controlerende houding hebben en zou [minderjarige] nauwelijks ruimte te bieden om zichzelf te ontwikkelen. Daarnaast ervaart [minderjarige] veel verdriet over haar biologische familie en ervaart zij onvoldoende ruimte om haar emoties en gevoelens te kunnen uiten. [minderjarige] lijkt zich onmachtig te voelen en ervaart extreme angst om terug te moeten naar de moeder. De moeder herkent zich echter niet in de uitspraken die [minderjarige] doet en vindt dat zij goed voor haar kinderen zorgt en meer respect verdient vanuit [minderjarige] . Er zijn veel tegenstrijdige verhalen, hetgeen de kinderrechter zorgen baart en wat maakt dat het vrijwillig kader ontoereikend is. Er is momenteel onvoldoende zicht op de (opvoed)situatie en daarmee de zorgen rondom [minderjarige] . De komende periode moet hier nader onderzoek naar worden verricht. Daarnaast dient zorgvuldig gekeken te worden of en hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder mogelijk hersteld kan worden.
5.5.
Gelet op voornoemde zorgen is het op dit moment niet mogelijk voor [minderjarige] om terug te keren naar huis. [minderjarige] verblijft momenteel op een crisisplek, maar kan hier niet voor een langere periode blijven. Omdat nog onduidelijk is waar [minderjarige] geplaatst kan worden, wijst de kinderrechter het verzoek van de Raad om een brede machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen toe. Dit betekent dat [minderjarige] ofwel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder kan worden geplaatst, ofwel in een voorziening voor pleegzorg, ofwel in een gezinshuis.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst toe het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 26 mei 2026 tot 12 augustus 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ofwel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ofwel in een voorziening voor pleegzorg ofwel in een gezinshuis met ingang van 26 mei 2026 tot 12 augustus 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder rechtsoverweging 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier,
en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).