ECLI:NL:RBZWB:2026:5478

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448076 / JE RK 26-814
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 3 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het KindArt. 82 Brussel II-ter Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in België met spoedbeslissing

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg in België. De kinderrechter had reeds op 11 mei 2026 een spoedmachtiging verleend voor twee weken, waarna het resterende verzoek werd aangehouden.

Tijdens de zitting op 20 mei 2026 werden de moeder en een vertegenwoordiger van de GI gehoord, terwijl de vader niet verscheen. De minderjarige gaf via MS Teams aan het liefst terug te willen naar haar vader, maar de rechtbank had eerder geoordeeld dat dit niet mogelijk is. De moeder steunt het verzoek en benadrukt de noodzaak van de plaatsing in België totdat er plek is bij een kliniek.

De kinderrechter constateert dat de procedure voor toestemming van de Belgische autoriteiten volgens artikel 82 Brussel Pro II-ter Verordening niet vooraf is gevolgd, maar erkent het spoedeisende belang van de zaak. Daarom wordt het resterende spoedverzoek toegewezen voor de duur van twee weken om de Belgische autoriteiten tijd te geven de plaatsing te beoordelen. Het reguliere verzoek wordt aangehouden in afwachting van berichtgeving van de Nederlandse Centrale Autoriteit.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De GI wordt verzocht voortvarend te handelen en de kinderrechter schriftelijk te informeren over de voortgang. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in België tot 9 juni 2026 en houdt het reguliere verzoek aan in afwachting van toestemming van de Belgische autoriteiten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448076 / JE RK 26-814
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, ,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.T.E Kranenburg uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van mr. Kranenburg van 19 mei 2026, met bijlagen;
  • de schriftelijke bevestiging van het gewijzigde verzoek, ingekomen bij de griffie op 21 mei 2026.
1.2.
Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover via MS Teams een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verbleef tijdelijk bij haar halfbroer (bij [persoon 1] en [persoon 2] ).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd met ingang van 21 augustus 2025 tot 21 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij mondelinge beslissing van 11 mei 2026, schriftelijk bevestigd op 12 mei 2026, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg verleend bij een gezin in België met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende- en reguliere deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.
2.5.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij een pleeggezin in België, zijnde bij een collega van de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het resterende verzoek van de GI tot spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorzienig voor pleegzorg voor de resterende duur van twee weken, en het aansluitende verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft op zitting het verzoek mondeling gewijzigd en verzocht om de aansluitende machtiging te verlenen voor zowel een accommodatie jeugdhulpaanbieder als voor een voorziening voor pleegzorg.
3.3.
De GI heeft dit mondeling gewijzigde verzoek op 21 mei 2026 schriftelijk bevestigd, waarbij is aangegeven dat het verzoek ziet op een spoeduithuisplaatsing zonder horen van belanghebbenden als bedoeld in artikel 800 Rv Pro. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI heeft bedoeld te verzoeken om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen zoals dit ter zitting uitdrukkelijk is besproken en gewijzigd, namelijk: een brede machtiging in zowel een accommodatie jeugdhulpaanbieder als een voorziening voor pleegzorg.

4.Het standpunt van verzoeker

4.1.
Ter toelichting op het schriftelijk verzoek en de eerder mondeling gegeven informatie heeft de GI naar voren gebracht dat het verzoek wordt gewijzigd in die zin dat er naast het verzoek tot machtiging in een accommodatie jeugdhulpvoorziening ook wordt verzocht om een machtiging af te geven in een voorziening voor pleegzorg. Het doel is dat [minderjarige] een traject aangaat bij [kliniek] . [kliniek] geeft aan dat een machtiging niet noodzakelijk is nu zij uitgaan van vrijwilligheid. Indien [minderjarige] niet wil meewerken zal [kliniek] niet met het traject starten. Op 27 mei 2026 vindt er een intakegesprek plaats. In de tussenliggende periode kan zij niet bij een van haar ouders wonen. Een plaatsing bij de vader is eerder al geprobeerd, maar dat is niet gelukt. De vader werkt namelijk niet mee aan de hulpverlening en is grotendeels buiten beeld. [minderjarige] wil niet terug naar de moeder en vanwege het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] is de inzet van hulpverlening bij de moeder lastig. Aan [minderjarige] is uitgelegd wat de mogelijkheden zijn en er bestaat een opening voor een intake bij [kliniek] . Onduidelijk is of dit gaat lukken. Dit maakt dat er een plek nodig is om de plaatsing van [minderjarige] bij [kliniek] te overbruggen nu ze niet langer bij de halfbroer kon blijven. Inmiddels heeft de GI ook contact gelegd met de Nederlandse Centrale Autoriteit om toestemming te krijgen voor de plaatsing in België.
4.2.
Inmiddels is gebleken dat er geen garantie is dat er binnen twee weken plek zal zijn bij [kliniek] (en de vraag blijft of dit überhaupt een haalbare kaart is). Daarom is een uitgebreide machtiging noodzakelijk om, totdat er duidelijk is, de huidige plaatsing van [minderjarige] in België te waarborgen.
4.3.
Desgevraagd licht de GI verder toe dat het eerder ingediende verzoek tot beëindiging van de ondertoezichtstelling zal worden ingetrokken (bekend onder zaaknummer C/02/447434 / JE RK 26-697). Dit verzoek was ingediend naar aanleiding van het verzoek van de moeder tot beëindiging gezamenlijk gezag met betrekking tot de vader. Het idee hierachter was dat de GI met de vader geen contact heeft nu hij niet meewerkt en dat wanneer de moeder eenhoofdig gezag heeft, zij de regie krijgt over de hulpverlening in het vrijwillig kader en de betrokkenheid van de GI niet langer noodzakelijk zou zijn.

5.De standpunten

5.1.
[minderjarige] heeft tijdens haar gesprek met de kinderrechter verteld dat ze het liefst terug naar haar vader wil. Het is fijn bij de collega van haar moeder in België, maar de locatie vindt ze minder leuk. Verder heeft [minderjarige] verteld dat ze geen motivatie heeft voor [kliniek] , maar dat ze dit doet omdat ze dit moet van haar moeder en haar opa. Als ze niet terug mag naar de vader gaat ze het liefst terug naar de moeder in plaats van naar de [kliniek] .
5.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder achter het (gewijzigde) verzoek van de GI staat. Het verbaast moeder niet dat [minderjarige] het liefst terug naar de vader wil. De rechtbank heeft hierover echter al geoordeeld, namelijk dat dit niet mogelijk is. De plaatsing in België is voor nu de beste oplossing totdat er plek is bij [kliniek] . De moeder heeft begin april een gesprek gehad met de GI over beëindiging ondertoezichtstelling. De moeder wilde hiermee wachten totdat er zekerheid was over haar verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag. Dit verzoek wordt op 8 juni 2026 mondeling behandeld. De moeder heeft niet de intentie om [minderjarige] haar vader af te nemen, maar [minderjarige] ervaart dat helaas wel zo. Wanneer [minderjarige] terug bij de moeder zou zijn, loopt ze ’s avonds weg naar de vader. De ouderstrijd verstoort [minderjarige] . Wanneer er geen ruimte is voor haar gedrag, voegt ze zich naar de persoon. De moeder hoopt dat er voldoende zorg ingezet kan worden om tot een verandering in de situatie te komen.

6.De nadere beoordeling

Wettelijk kader6.1. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Spoedmachtiging uithuisplaatsing
6.2.
De kinderrechter heeft bij mondelinge beschikking van 11 mei 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van twee weken. Deze beslissing is genomen zonder eerst de belanghebbenden te horen. De kinderrechter stelt vast dat de spoedmachtiging op juiste gronden is uitgesproken, ook al is er geen rekening gehouden met de toestemming de nodig vanuit de internationale regelgeving. Op grond van artikel 3 International Pro Verdrag voor de Rechten van het Kind kan niet voorbij worden gegaan aan het belang van het kind in spoedeisende situaties. Op basis van die informatie op dat moment voorhanden was, is terecht geoordeeld dat er sprake was van een acute en bedreigde situatie en dat de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin noodzakelijk en in het belang van haar verzorging en opvoeding was. Tijdens de zitting hebben de belanghebbenden alsnog hun standpunten kenbaar kunnen maken. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het (spoed)verzoek.
Plaatsing van [minderjarige] buiten Nederland
6.3.
Artikel 82 van Pro de verordening van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2201/2003 (hierna: de Brussel II-ter Verordening) bepaalt dat de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat moet worden gevraagd, indien beoogd wordt een minderjarige te plaatsen in een andere lidstaat. Daartoe dient de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat aan de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat waar het kind zal worden geplaatst, een verzoek om goedkeuring te zenden (lid 1). De bedoelde plaatsing door de verzoekende lidstaat kan slechts worden gelast of geregeld nadat de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat de plaatsing heeft goedgekeurd (lid 5). De procedure inzake de goedkeuring moet aldus gevolgd worden voordat een verzoek tot plaatsing in het buitenland aan de rechter wordt voorgelegd.
6.4.
Ter zitting heeft de kinderrechter aan de orde gesteld dat er voor de huidige plaatsing instemming van de centrale autoriteit in België noodzakelijk is. De kinderrechter constateert dat voornoemde procedure niet is gevolgd en dat er op dit moment ook geen goedkeuring van de Belgische autoriteit voor plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin in België is. De procedure is pas eerst na het geven van de mondelinge beschikking tot machtiging tot uithuisplaatsing in gang gezet door zowel de GI als de kinderrechter.
6.5.
De kinderrechter heeft op grond van artikel 82 lid 1 Brussel Pro II-ter Verordening gelet op de spoedeisende karakter van de zaak zelf contact opgenomen met de centrale autoriteit. Uit deze communicatie is geconstateerd dat het verzoek, zoals hiervoor in r.o. 6.3 gemeld, inmiddels bij de desbetreffende Belgische autoriteiten ligt, maar dat er vooralsnog geen toestemming is verleend voor de plaatsing in België. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het resterende deel van het spoedverzoek wel moet worden toegewezen voor de duur van twee weken om de Belgische autoriteiten tijd te geven om de bredere machtiging te kunnen beoordelen. Dit zou anders leiden tot een situatie dat [minderjarige] terug naar haar moeder zou moeten gaan, wat niet in haar belang is (en daarmee strijd met artikel 3 Internationaal Pro Verdrag van de Rechten van het Kind, IVRK zou opleveren). Ten aanzien van het reguliere verzoek tot het verlenen van een (brede) machtiging tot uithuisplaatsing zal het verzoek worden aangehouden in afwachting van berichtgeving vanuit de Nederlandse Centrale Autoriteit.
6.6.
De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het spoedverzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen, in die zin dat [minderjarige] in België moet blijven tot 9 juni 2026. Het reguliere verzoek tot het verlenen van een (brede) machtiging uithuisplaatsing zal worden aangehouden tot
5 juni 2026 PRO FORMAin afwachting van de berichtgeving vanuit de Nederlandse Centrale Autoriteit of er toestemming voor de plaatsing vanuit België is verkregen. De kinderrechter verzoekt de GI om hem (onder gelijktijdige verzending aan de vader en de advocaat van de moeder)
uiterlijk op voormelde pro forma datumschriftelijk te informeren over de informatie die zij tot dat toe heeft. De kinderrechter vraagt de GI, gelet op de korte termijnen, voortvarend te handelen. Na binnenkomst van de schriftelijke berichtgeving van de GI zal de kinderrechter het verdere procesverloop bepalen en alle betrokkenen hierover berichten.
6.7.
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 juni 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot
5 juni 2026 PRO FORMAin afwachting van schriftelijk bericht van de GI, zoals is overwogen in rechtsoverweging 6.6.;
7.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.