In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 9 januari 2026, wordt het verzoek van de belanghebbende om een proceskostenveroordeling tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg beoordeeld. De belanghebbende had eerder een beroep ingesteld tegen een besluit van de heffingsambtenaar, maar trok dit beroep in nadat de heffingsambtenaar het besluit had herzien. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar er kwam geen reactie. De rechtbank heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar geheel tegemoet is gekomen aan de belanghebbende door de WOZ-waarde te verlagen. Hierdoor is het verzoek om proceskostenveroordeling kennelijk gegrond. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 400,- voor rechtsbijstand door een gemachtigde. Daarnaast is de heffingsambtenaar verplicht om het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.