Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5500

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
02-329372-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor poging wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal met geweld

Op 27 november 2025 probeerden verdachte en anderen [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven door hem te dwingen in een auto te stappen, waarbij geweld en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werden gebruikt. Tijdens deze gebeurtenis werd ook de telefoon van [slachtoffer 1] met geweld weggenomen. Daarnaast bedreigde verdachte samen met anderen [slachtoffer 2] met een vuurwapenachtig voorwerp.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers en getuigen, telefoongegevens, tapgesprekken en de bekennende verklaring van verdachte over het bezit van een vuurwapen en munitie. De verdediging voerde onder meer aan dat onvoldoende bewijs bestond voor betrokkenheid van verdachte bij de feiten, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleegde aan de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld, bedreiging en het bezit van een verboden vuurwapen. Gelet op de ernst van de feiten, het recidivekarakter en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een vrijheidsbeperkende maatregel van twee jaar met contact- en locatieverbod.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-329372-25
Parketnummer TUL: 02-233767-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
raadsvrouw mr. A.D.M. Klein Selle, advocaat te Oisterwijk.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: samen met anderen geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van zijn vrijheid te beroven;
feit 2: samen met anderen die [slachtoffer 1] van zijn telefoon beroofd heeft;
feit 3: samen met een of meer anderen [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) met een op vuurwapen gelijkend voorwerp heeft bedreigd;
feit 4: bedreiging van [slachtoffer 1] ;
feit 5: in het bezit is geweest van een verboden vuurwapen en munitie.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om [slachtoffer 1] van zijn vrijheid te beroven (feit 1) en aan het medeplegen van een diefstal van zijn telefoon met geweld en met bedreiging van geweld (feit 2), [slachtoffer 1] via diens moeder heeft bedreigd (feit 4) en in het bezit is geweest van een vuurwapen en munitie (feit 5).
Ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer 2] , zoals onder feit 3 ten laste gelegd, vordert de officier van justitie vrijspraak, nu er geen direct bewijs naar verdachte en [medeverdachte 1] wijst. Ook is niet duidelijk of vooraf afspraken zijn gemaakt over het afdreigen van mogelijke getuigen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte van de feiten 1 en 2 moet worden vrijgesproken, omdat hier niet voldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van verdachte aanwezig is. Het wapen dat bij verdachte is aangetroffen is zwart, terwijl [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het bij de feiten gebruikte vuurwapen bruin van kleur was. De telefoon, die aan verdachte gekoppeld is, werd door meerdere mensen gebruikt. De bij verdachte aangetroffen telefoons van [slachtoffer 1] moest hij voor iemand bewaren. Verdachte past tot slot niet in het signalement, zoals in het dossier naar voren is gekomen.
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2] . De aangifte staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door een ander bewijsmiddel.
Ten aanzien van de telefonische bedreiging, zoals onder feit 4 ten laste is gelegd, is de stelling dat het telefoonnummer op naam van de zus van verdachte staat. Bovendien werd de telefoon door meerdere mensen gebruikt, omdat er meerdere accounts op zijn aangetroffen. Daarnaast sprak de beller met een buitenlands accent en doet verdachte dat niet. Dit leidt ertoe dat verdachte ook van dit feit vrijgesproken moet worden.
Gelet op het dossier en de bekennende verklaring van verdachte, kan feit 5 wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Bewezenverklaring feit 5
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 5 december 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen, zoals opgenomen vanaf pagina 72 van het eindproces-verbaal van de politie;
- het proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek aan een vuurwapen en munitie, zoals opgenomen vanaf pagina 236 van het eindproces-verbaal van de politie.
Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4
Aangifte [slachtoffer 1]
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] op 27 november 2025 iets na 20:00 uur in de avond in de [straat] in [plaats 2] liep. Hij heeft verklaard in zijn aangifte dat hij hoorde dat iemand van achteren op hem af kwam rennen. [slachtoffer 1] zag dat ook en rende weg. Daarna zag hij een vuurwapen in een hand van die persoon die op hem af kwam. Deze persoon zei “Blijven staan anders ga ik schieten”. Vervolgens kwam er een auto aangereden waar een andere man uit sprong. [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat er een worsteling tussen hem en de twee mannen ontstond. In die worsteling is [slachtoffer 1] op de grond gaan zitten, zodat de mannen hem niet mee konden krijgen in de auto, zoals hij zelf verklaard heeft. Meerdere keren zeiden de mannen “Ga de auto in”. [slachtoffer 1] is meerdere keren geslagen en getrapt in zijn gezicht. Tijdens het gebeuren had [slachtoffer 1] zijn telefoon in zijn hand en is deze door de mannen op enig moment meegenomen. Uiteindelijk zijn de mannen weggereden in een Opel Corsa.
Aangifte [slachtoffer 2]
was op het moment van het gebeuren ter plaatse zijn hond aan het uitlaten. Hij heeft verklaard dat hij zag dat een persoon werd bedreigd en dat geprobeerd werd hem te ontvoeren. Zijn verklaring houdt in dat twee mannen uit een auto stapten, op een andere man afliepen en tegen deze man meerdere keren “Meekomen” zeiden. Eerst werd dit rustig gezegd en later werd de stem verheven en werd de toon dwingender. [slachtoffer 2] zag dat de man wegrende, dat de twee mannen hem te pakken kregen en hem meenamen naar de auto en dat hij door de twee mannen telkens aan zijn kleding werd getrokken. Voor [slachtoffer 2] was duidelijk dat de man mee moest richting het voertuig. Hij hoorde de man roepen “bel 112”. Hij zag ook dat een andere man met een hond wilde ingrijpen, maar werd weggestuurd door één van de twee mannen. De man die mee moest naar de auto, lag vervolgens op de grond, waarna [slachtoffer 2] besloot om die man te gaan helpen. Hij kreeg vervolgens op een afstand van ongeveer één meter een vuurwapen op zijn borst gericht. De persoon met het vuurwapen zei daarbij “achteruit” of “terug” of woorden van gelijke strekking.
[slachtoffer 2] zag dat de twee mannen door gingen met de man en hem richting het voertuig wilden hebben. Het lukte ze ook om hem bij het voertuig te krijgen. Op dat moment kwam er een man op de fiets, waarna het voertuig met de twee mannen wegreed. Toen de mannen weg waren was de persoon op zoek naar zijn telefoon.
[slachtoffer 2] sprak nog met de man en hij kreeg daarbij het gevoel dat hij de mannen kende. Vervolgens kwam een vriend van de man en deze zei tegen de man dat hij gebeld had naar de telefoon van de man en dat hij een van de mannen gesproken had.
Verklaringen getuigen
[getuige 1] werd tijdens het gebeuren door [slachtoffer 1] gebeld en hoorde gestommel en gebonk, waardoor hij dacht dat iemand in elkaar werd geslagen. Hij hoorde de stem van [slachtoffer 1] meermaals “Help! Help!” roepen. Ook hoorde [getuige 1] dat [slachtoffer 1] de naam “ [medeverdachte 1] ” zei. [getuige 1] moest meteen aan [medeverdachte 1] denken en hij heeft verklaard dat hij weet dat [slachtoffer 1] in het verleden een conflict met [medeverdachte 1] heeft gehad.
[getuige 2] liet tijdens het gebeuren zijn hond uit en zag drie personen rennen. Twee van hen pakten de derde vast bij zijn capuchon en trokken hem mee richting een Opel Corsa. Volgens de getuige wilden de personen de derde persoon het voertuig in trekken. [getuige 2] pakte deze derde persoon vast, waarna één van die twee andere personen tegen hem zei dat hij “moest op tyfen”. In totaal waren het drie personen die bij de auto hoorden. De bestuurder riep “laat maar”, waarna de twee personen in het voertuig stapten en zij weg reden.
[getuige 2] bleef bij de persoon die kennelijk het doelwit was en hoorde deze zeggen dat hij één van die drie jongens vermoedelijk kende.
Tussenconclusie
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat door een aantal personen geprobeerd is om [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, door te proberen om die [slachtoffer 1] in een auto te trekken en ook is hij geslagen en getrapt, waarbij aan hem een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is getoond. Verder wordt vastgesteld dat tijdens deze handelingen op enig moment de telefoon van [slachtoffer 1] is weggenomen.
Ten slotte wordt vastgesteld dat [slachtoffer 2] door een van de daders is bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
De vraag die beantwoord moet worden is of verdachte bij deze feiten betrokken is geweest.
Telefoongegevens
Op 27 november 2025 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] telefonisch contact gehad met [moeder] , de moeder van [slachtoffer 1] . In dat gesprek gaf zij aan dat [slachtoffer 1] thuis was gekomen en verteld had dat hij bijna ontvoerd was. Ook gaf zij aan dat [slachtoffer 1] mogelijk meer wist over het gebeuren en dat het ging om een langlopend conflict. Zowel zij als [slachtoffer 1] wilden echter geen namen noemen in verband met vrees voor represailles. Een dag later werd weer contact opgenomen met de moeder van [slachtoffer 1] , waarna zij benadrukte dat [slachtoffer 1] meer wist. De verbalisanten relateren vervolgens dat uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] beide betrokken waren bij een overval in een woning op 18 september 2020.
Omdat de telefoon van [slachtoffer 1] was weggenomen, was besloten om een tap te plaatsen op zijn telefoonnummer. Op 28 november 2025 kwam er een livegesprek binnen tussen [slachtoffer 1] , die een nieuwe sim-kaart met nummerbehoud had aangeschaft, en zijn moeder. Dit gesprek ging over het gebeuren op 27 november 2025 en in dat gesprek werden meerdere namen genoemd, waaronder de naam “ [medeverdachte 1] ”, zijnde de voornaam van [medeverdachte 1] .
In het tapgesprek tussen [slachtoffer 1] en zijn moeder zegt zij “ik ben benieuwd of die vier omstanders [medeverdachte 1] kunnen identificeren”. In dat gesprek wordt ook gezegd:
Moeder:Want toen waren ze jou de auto in aan het sleuren of zo? Of?
[slachtoffer 1] :Ze waren mij aan het trekken. Ik ging gewoon euh ja, gewoon niet mee, zeg maar.
Moeder:Ja. En was [medeverdachte 1] dan alleen? Jou erin aan het trekken?
[slachtoffer 1] :Hij was aan het proberen. Maar het lukte hem niet. Toen kwam die lange enne, maar die haakte af toen die omstanders erbij kwamen.”
Uit het gesprek wordt ook duidelijk dat “ [medeverdachte 1] ” de moeder van [slachtoffer 1] in de avond van 27 november 2025 gebeld heeft. Uit onderzoek aan de telefoon van de moeder van [slachtoffer 1] blijkt dat zij op 27 november 2025 om 23:30 uur een inkomend gesprek had van “ [medeverdachte 1] ”. Aan dit contact was het [telefoonnummer 1] gekoppeld. In de politiesystemen werd gezien dat dit nummer aan [medeverdachte 1] gekoppeld was.
[medeverdachte 1] is op 30 november 2025 aangehouden. Hij heeft dan een Apple Iphone SE met [telefoonnummer 2] in zijn bezit. Ook heeft hij een Soyes XS15 in zijn bezit. Uit onderzoek aan de Iphone SE blijkt dat [medeverdachte 1] in de dagen en weken voorafgaand aan het gebeuren op 27 november 2025 veelvuldig chatgesprekken heeft over [slachtoffer 1] . Ook heeft [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 2] waarin een afbeelding van het voertuig van [slachtoffer 1] wordt gedeeld en wordt gesproken over het volgen en “kantelen” van [slachtoffer 1] . In de telefoon van verdachte worden ook gesprekken aangetroffen tussen verdachte en ‘ [naam 1] ’ en tussen verdachte [getuige 1] . Verdachte probeert ‘ [naam 1] ’ te bewegen om [slachtoffer 1] naar een locatie te lokken en via [getuige 1] probeert verdachte een afspraak te regelen met [slachtoffer 1] , hetgeen beide niet is gelukt. Verdachte was dus kennelijk al langer bezig om een ontmoeting met [slachtoffer 1] te regelen. Verder heeft [medeverdachte 1] op 30 november 2025 contact met verdachte over “hosseltelefoons”, die waarschijnlijk bij [slachtoffer 1] zijn afgepakt. In dat contact stuurt [medeverdachte 1] ook een foto van telefoonhoesjes. Door de verbalisant wordt gerelateerd dat een van deze hoesjes sterk lijkt op het hoesje van de weggenomen telefoon zoals omschreven door [slachtoffer 1] .
Op 29 november 2025 stuurt [medeverdachte 1] twee berichten naar de moeder van [slachtoffer 1] , inhoudende dat [slachtoffer 1] binnen 24 uur contact moet opnemen.
Ook op 29 november 2025 heeft [medeverdachte 1] via Snapchat contact met [getuige 1] en geeft hem aan
“Geef [slachtoffer 1] door dat die binnen 24 uur contact moet op nemen anders ziet die na die 24 uur hoe of wat”.
Ook de andere telefoon (Soyes XS15) van [medeverdachte 1] is onderzocht en daarop werd aangetroffen een Whatsapp-bericht van 29 november 2025 aan de moeder van [slachtoffer 1] met als inhoud:
“Afspraken worden vanuit [slachtoffer 1] niet na gekomen nu”.
Verdachte
Op 1 december 2025 komt over de tap, afgesloten op het nummer van [slachtoffer 1] , een gesprek tussen hem en zijn moeder binnen. Zijn moeder geeft aan zij gebeld is door een persoon, die gezegd heeft dat [slachtoffer 1] zijn aangifte moet intrekken, anders trekken ze hem vanavond nog in de kofferbak. De moeder van [slachtoffer 1] licht de politie daarover in en doet vervolgens aangifte. Uit onderzoek blijkt vervolgens dat zij om 16:37 uur gebeld is door het [telefoonnummer 3] . In de politiesystemen is te zien dat dit nummer gekoppeld is aan verdachte [verdachte] . Ook blijkt dat dit nummer in de telefoon van [medeverdachte 1] (Iphone SE) opgeslagen staat onder de [naam 2] . Besloten wordt om ook op dit nummer een tap te plaatsen. Op 3 december 2025 komt een gesprek tussen verdachte en zijn vriendin over de lijn. Hij geeft aan dat zijn vriend een dag later zal worden voorgeleid en vraagt of zij een tasje kan bewaren met als inhoud twee of drie telefoons, 8 kogels, een magazijn en een wapen. Door de verbalisant wordt gerelateerd dat [medeverdachte 1] op 4 december 2025 werd voorgeleid.
Op 4 december 2025 wordt verdachte aangehouden en bij zijn aanhouding wordt op zijn bed een tasje aangetroffen met daarin drie telefoons en een scherp schietend vuurwapen met een patroonhouder en zeven kogels. Eén van die telefoons is de weggenomen telefoon van [slachtoffer 1] .
Uit de telefoongegevens blijkt dat de telefoon van verdachte rond het tijdstip van de ten laste gelegde feiten zich in de directe omgeving van de plaats delict bevindt.
Verklaringen verdachte en [medeverdachte 1]
Verdachte en [medeverdachte 1] hebben zich bij de politie beroepen op hun zwijgrecht. Op zitting heeft verdachte zich ook beroepen op zijn zwijgrecht.
Conclusie
Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan de gebeurtenissen op 27 november 2025 op zoek was naar [slachtoffer 1] . Niet duidelijk is geworden wat er speelde tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] , maar uit het hiervoor omschreven telefonisch verkeer blijkt wel dat er een conflict was. Kort na de gebeurtenissen vindt er contact plaats tussen [medeverdachte 1] en de moeder van [slachtoffer 1] . Uit de telefoongegevens blijkt dat de naam “ [medeverdachte 1] ” genoemd wordt als één van de daders van de poging tot ontvoering en deze naam werd ook al genoemd door [getuige 1] . In de dagen na het gebeuren blijkt uit contact tussen [medeverdachte 1] en verdachte dat gesproken wordt over weggenomen telefoons. Een weggenomen telefoon van [slachtoffer 1] wordt vervolgens enkele dagen na het gebeuren in het bezit van verdachte aangetroffen. Bovendien is de telefoon, die aan verdachte gekoppeld kan worden, ten tijde van het gebeuren te plaatsen in de buurt van de plaats delict.
Tot slot wordt met die telefoon de moeder van [slachtoffer 1] gebeld en wordt [slachtoffer 1] via zijn moeder bedreigd.
Juist door bovenstaande in onderling verband en samenhang te bezien, kan het niet anders dan dat verdachte en [medeverdachte 1] op de plaats delict waren en dat zij diegenen zijn geweest die [slachtoffer 1] probeerden te ontvoeren, hem hebben geslagen en getrapt, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hem hebben gericht en tijdens deze handelingen zijn telefoon hebben weggenomen.
Het verweer van de verdediging met betrekking tot de feiten 1, 2 en 4 wordt verworpen. Verdachte heeft geen aannemelijk en voldoende concreet alternatief scenario geschetst dat vorenstaande feiten kan verklaren. Dat de omschrijving van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat bij de gebeurtenissen op 27 november 2025 is gebruikt niet overeenkomt met het vuurwapen dat bij verdachte is aangetroffen, doet niet ter zake. Voor een bewezenverklaring is immers niet van belang of het om hetzelfde vuurwapen gaat. Wat betreft de door de verdediging omschreven verschillen tussen het door getuigen opgegeven signalement van de daders en het uiterlijk van verdachte merkt de rechtbank op dat het die avond donker was en de daders gezichtsbedekkende kleding droegen.Daaraan komt dus geen doorslaggevende betekenis toe.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat het enkel aantreffen van meerdere accounts op de telefoon, die aan verdachte wordt gekoppeld, niet automatisch met zich brengt dat er meerdere gebruikers van die telefoon zijn geweest. Het dossier levert daar ook geen aanwijzingen voor. Van de verdediging mag in dat geval verwacht worden dat onderbouwd wordt wie dan die andere gebruikers zijn geweest.
De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3 is eveneens verweer gevoerd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de aangifte van [slachtoffer 2] wel degelijk voldoende steun in de overige bewijsmiddelen. [slachtoffer 1] verklaart immers ook over de aanwezigheid van een vuurwapen. Dat [slachtoffer 1] en de [getuige 2] niet over deze bedreiging hebben verklaard, maakt dat niet anders. De bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv Pro heeft immers betrekking op de bewezenverklaring als geheel en niet op ieder onderdeel daarvan.
Zowel [medeverdachte 1] als verdachte waren op de plaats delict zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld en hebben zich schuldig gemaakt aan de onder de 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Daarbij is gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Uit het dossier wordt duidelijk dat géén van hen zich op enig wijze onttrokken heeft aan die feiten. Als op voorhand al niet duidelijk was dat een vuurwapen of iets dat daarop lijkt gebruikt zou worden, dan hebben zij, door zich niet te onttrekken nadat het op een vuurwapen gelijkende voorwerp werd getoond aan [slachtoffer 1] , stilzwijgend ingestemd met het gebruiken daarvan. Die handelingen zijn bovendien verricht op de openbare weg, in een woonwijk en op een tijdstip waarop geheel voorstelbaar is dat er omstanders kunnen zijn, hetgeen ook feitelijk zo was. De bedreiging van [slachtoffer 2] stond niet los van deze handelingen, maar vond plaats in het kader van de uitvoering van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal van de telefoon.
De rechtbank leidt hieruit af dat er een gezamenlijk plan was om [slachtoffer 1] onder dreiging van iets dat op een vuurwapen lijkt op straat van zijn vrijheid te beroven en dat verdachte als onderdeel van dat gezamenlijk plan heeft aanvaard dat in het geval omstanders te hulp zouden schieten, deze omstanders bedreigd zouden worden met datzelfde op een vuurwapen gelijkende voorwerp. Ook feit 3 is daarmee wettig en overtuigend bewezen, ook voor wat betreft het medeplegen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, op de openbare weg, te weten de [straat] , een telefoon, die aan [slachtoffer 1]
[slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld en bedreiging met
geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping
op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij
de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door
een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te
tonen en die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “blijven staan
anders ga ik schieten”, en
die [slachtoffer 1] meermalen, in het gezicht te slaan
en te trappen;
2
op 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven,
een op een vuurwapen gelijkend voorwerp
heeft getoond en
die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: “blijven staan anders ga ik
schieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en
meermalen, getracht die [slachtoffer 1] in een auto te
trekken en/of te duwen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
op 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
door die [slachtoffer 2] een op een vuurwapen
gelijkend voorwerp te tonen en daarbij dreigend de woorden toe te
voegen "achteruit en/of terug", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking;
4
op 1 december 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
[slachtoffer 1] (via [moeder] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling,
door die [moeder] dreigend de woorden toe te
voegen "Spreek ik met [moeder] , ben jij de moeder van [slachtoffer 1] ? Zeg dat
[slachtoffer 1] zijn aangifte intrekt, anders gaat hij vanavond nog de kofferbak in";
5
op 3 december 2025 te [plaats 3] , gemeente Goirle, een wapen en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of 7 kogelpatronen, zijnde munitie, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor een periode van twee jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en zijn moeder en een locatieverbod voor de [plaats 2] , met de bepaling dat bij iedere overtreding van deze maatregel twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 is vrijspraak bepleit. Voor wat betreft feit 5 kan een veroordeling volgen en is het verzoek om een straf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een of meer andere personen schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] op de openbare weg. Daarbij is gebruikgemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Door ingrijpen van omstanders is het bij een poging gebleven. Dergelijke feiten kunnen niet alleen bij een slachtoffer grote angst veroorzaken, maar dragen ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich samen met een of meer andere personen schuldig gemaakt aan de bedreiging van een omstander die wilde ingrijpen ten behoeve van [slachtoffer 1] . Ook daarbij is gebruikgemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Door een behulpzame omstander op deze wijze te intimideren heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de veiligheid en integriteit van anderen.
Verder heeft verdachte zich gedurende deze gebeurtenissen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van de telefoon van [slachtoffer 1] , gepleegd in vereniging. Het geweld is toegepast in een situatie waarin [slachtoffer 1] reeds in een kwetsbare positie verkeerde als gevolg van de poging hem van zijn vrijheid te beroven.
Ook heeft verdachte deze [slachtoffer 1] bedreigd en heeft hij een vuurwapen en munitie in zijn bezit gehad.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank het strafblad van verdachte betrokken. Uit dit strafblad blijkt dat sprake is van relevante recidive.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. Bij verdachte is een verstandelijke beperking vastgesteld, wat van invloed is op zijn (delict)gedrag. De reclassering vindt het, gelet op zijn jonge leeftijd, zeer zorgelijk dat de aard en frequentie van justitiecontacten in een gestaag tempo lijken toe te nemen. Verdachte is beïnvloedbaar, heeft beperkte copingsvaardigheden om met problemen om te gaan, overziet onvoldoende de consequenties van zijn gedrag en de reclassering ziet een zeer beperkte mate van inlevingsvermogen. Het sociaal netwerk baart ook zorgen, aangezien onderhavige verdenking en ook eerdere delicten in vereniging zijn gepleegd. Op de overige leefgebieden ziet de reclassering ook overwegend instabiliteit. Door zijn preventieve hechtenis heeft verdachte geen zicht op huisvesting. Voor zijn hechtenis was er sprake van fors middelengebruik (cannabis), hij heeft geen vorm van dagbesteding en zijn pro-criminele houding is uiterst zorgelijk.
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
De rechtbank heeft deze omstandigheden betrokken bij haar oordeel over de persoon van verdachte.
Ondanks zijn jonge leeftijd van 19 jaar, wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte is volgens de reclassering niet ontvankelijk voor pedagogische beïnvloeding, neemt niet actief deel aan een gezin en continuering van school is niet nodig. Hij stond tijdens zijn aanhouding onder toezicht van de jeugdreclassering, maar dit heeft geen recidive verlagende werking gehad. Verdachte geeft zelf aan dat een penitentiaire inrichting meer bij hem past dan een justitiële jeugdinrichting. De (pedagogische) mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht zijn ‘uitgeput’.
Omdat er toch mogelijkheden worden gezien om met verdachte aan de slag te gaan binnen een reclasseringstoezicht, wordt door de reclassering geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
- Meldplicht bij reclassering;
- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
- Ambulante behandeling;
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- Contactverbod slachtoffers;
- Locatieverbod (met elektronisch toezicht) [plaats 2] ;
- Dagbesteding;
- Beheersing middelengebruik;
- Ambulante begeleiding.
De rechtbank neemt het voornoemde advies om het volwassenenstrafrecht toe te passen over.
De rechtbank weegt mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, geen inzicht heeft getoond in de ernst van zijn gedrag en geen blijk heeft gegeven van enige wroeging of medeleven met de slachtoffers, waaronder een onschuldige omstander.
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Hoewel voor de bewezenverklaarde combinatie van feiten geen specifiek oriëntatiepunt bestaat, bieden de oriëntatiepunten voor geweldsdelicten en straatroof een bruikbaar referentiekader. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee het optreden in vereniging en het gebruik van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de openbare weg.
De rechtbank weegt mee dat verdachte binnen het feitencomplex geen sturende rol heeft vervuld.
Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte een nog jonge leeftijd heeft.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat er aanknopingspunten zijn om verdachte tot een gedragsverandering te krijgen. Zij zal dan ook een groot deel van de gevangenisstraf, te weten 10 maanden, voorwaardelijk opleggen. Dit omdat enerzijds getwijfeld wordt aan de motivatie van verdachte en er anderzijds sprake is van een forse hoeveelheid bijzondere voorwaarden, die de rechtbank zal verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel, met uitzondering van het contact- en locatieverbod en de elektronische monitoring. De rechtbank acht hierbij een proeftijd voor de duur van drie jaar noodzakelijk.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende:
  • een contactverbod met het [slachtoffer 1] en zijn [moeder] ;
  • een gebiedsverbod voor de [plaats 2] , in de gemeente Tilburg.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de aard van de bewezenverklaarde feiten en het door de reclassering hoog ingeschatte recidiverisico en de omstandigheid dat eerdere interventies en begeleidingstrajecten niet hebben geleid tot een vermindering van het risico op nieuw strafbaar gedrag. De maatregel strekt ertoe de veiligheid van de betrokken personen, in dit geval [slachtoffer 1] en zijn moeder, te beschermen en hernieuwde confrontaties te voorkomen. De rechtbank acht deze maatregel noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten.
Nu aan de bewezenverklaarde feiten kennelijk een (onopgelost) conflict tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] ten grondslag lag, verdachte beïnvloedbaar is en uit het strafdossier blijkt dat betrokkenen vrezen voor repercussies, moet er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens genoemde personen. De rechtbank beveelt daarom dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank acht ten aanzien van verdachte een termijn van twee jaar voor deze maatregel voldoende, nu het conflict in beginsel bestond tussen de medeverdachte en [slachtoffer 1] .

7.Het beslag

7.1.
De verbeurdverklaring
Het inbeslaggenomen voorwerpen wordt verbeurd verklaard. Dit voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp aan verdachte toebehoort en het onder 4
bewezen feit met behulp van dit voorwerp is begaan.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke jeugddetentie van 91 dagen, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Breda van 22 juli 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft afwijzing van de vordering verzocht. De verdediging gaat uit van een vrijspraak voor de feiten 1 tot en met 4. Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 5 is door de verdediging primair aangevoerd dat dit een andersoortig feit is. Subsidiair is aangevoerd dat tenuitvoerlegging van de jeugddetentie niet opportuun is, nu de reclassering zich zorgen maakt dat verdachte de medegedetineerden in een justitiële jeugdinrichting zal beïnvloeden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe (ook soortgelijke) strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.
Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank stelt vast dat verdachte al voor het plegen van de feiten de leeftijd van achttien jaar had bereikt en niet meer in aanmerking kom voor een jeugddetentie. Ook wordt in de onderhavige zaak een gevangenisstraf opgelegd. De eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal dan ook worden omgezet in een gevangenisstraf.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 38v, 38w, 45, 47, 55, 57, 282, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
feit 1:medeplegen van poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving;
in eendaadse samenloop gepleegd met:
feit 2:diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen en een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
en in eendaadse samenloop gepleegd met:
feit 3:medeplegen van bedreiging;
en in meerdaadse samenloop gepleegd met:
feit 4:bedreiging;
feit 5:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275, te Tilburg;
2. dat verdachte, indien de reclassering het nodig acht, binnen de proeftijd deelneemt aan de
gedragsinterventie CoVa (plus) van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
3. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Stevig! of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden;
4. dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na aanmelding. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
6. dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en drugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
7. dat verdacht meewerkt indien de reclassering het nodig acht aan ambulante begeleiding op de praktische leefgebieden, bijvoorbeeld van Humanitas Homerun of Unitio;
daarbij gelden van rechtswege de voorwaarden:
- dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
- dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
2 (twee) jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1999;
- [moeder] , geboren op [geboortedag 3] 1970;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens genoemde personen;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in [plaats 2] , gemeente Tilburg;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens genoemde personen;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
1. STK GSM (Omschrijving: PL2000-2025318308-G2936780, Apple)
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke jeugddetentie die bij vonnis van 22 juli 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-233767-24
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
een jeugddetentie van 91 dagen en vervangt deze door een gevangenisstraf van 91 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter,
en mr. F.L. Donders en mr. L.W.A. Gruijthuijsen, rechters,
in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juni 2026.
De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
op de openbare weg, te weten de [straat] ,
een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met
geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping
op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij
de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door
een vuurwapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp te
tonen en/of die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “blijven staan
anders ga ik schieten”, en/of
die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in het gezicht te slaan
en/of te stompen en/of te trappen;
(art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art
312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer 1]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
een vuurwapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp
heeft/hebben getoond en/of
die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: “blijven staan anders ga ik
schieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
meermalen, althans eenmaal getracht die [slachtoffer 1] in een auto te
trekken en/of te duwen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 282 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht,
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 27 november 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een (vuur)wapen
gelijkend voorwerp te tonen en/of daarbij (dreigend) de woorden toe te
voegen
"achteruit en/of terug", althans handelingen en/of woorden van gelijke
dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van
Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 1 december 2025 te [plaats 2] , gemeente Tilburg,
althans in Nederland,
[slachtoffer 1] (via [moeder] ) heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 1] en/of [moeder] dreigend de woorden toe te
voegen "Spreek ik met [moeder] , ben jij de moeder van [slachtoffer 1] ? Zeg dat
[slachtoffer 1] zijn
aangifte intrekt, anders gaat hij vanavond nog de kofferbak in" althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
5
hij op of omstreeks 3 december 2025 te [plaats 3] , gemeente Goirle, althans in
Nederland,
een wapen en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens
en munitie, te
weten een vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of 7 kogelpatronen, zijnde munitie,
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie )