ECLI:NL:RBZWB:2026:5502

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/02/449143 / HA RK 26-114
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • L. Luijks
  • J. Kool
  • M. Van Noort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArtikel 4 lid 2 aanhef en onder a Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen kinderrechter wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter in een zaak betreffende omgangsrecht. Het verzoek was gebaseerd op een gesprek dat de kinderrechter had met haar zoon, waarbij zij meende dat de rechter niet aan het kind had gevraagd of hij bij haar wilde logeren, wat zij als vooringenomenheid interpreteerde.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid.

De kamer oordeelde dat verzoekster geen feitelijke onderbouwing had geleverd voor de vermeende vooringenomenheid. Het enkele feit dat de kinderrechter niet expliciet had gevraagd of het kind wilde logeren bij verzoekster, was onvoldoende om een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid aan te nemen.

Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en werd de behandeling van de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter is kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Wrakingskamer
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/449143 / HA RK 26-114
Beschikking van18juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: verzoekster,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het ter zitting van 10 juni 2026 gedane wrakingsverzoek van verzoekster gericht tegen mr. De Beer in zijn hoedanigheid van kinderrechter in deze rechtbank,
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 juni 2026 in de zaken met zaaknummer C/02/447937 / FA RK 26-2356 (voogdijoverdracht) en C/02/428215 / JE RK 24-1973 (omgang),
  • de mededeling van mr. De Beer dat hij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. De Beer (hierna: de kinderrechter) in de zaak met zaaknummer C/02/428215 / JE RK 24-1973.
2.2.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt het volgende. De kinderrechter deelt ter zitting mee dat hij de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft gesproken met [zoon van verzoekster], zoon van verzoekster. De kinderrechter geeft vervolgens de inhoud van het besprokene weer.
2.3.
Vervolgens vermeldt het proces-verbaal met betrekking tot het verzoek tot wraking:

De moeder: U liegt – ik geloof er helemaal niets van. Als ik erachter kom dat u liegt dan
wraak ik u. U zit glashard te liegen. Heeft u gevraagd aan hem of hij wil blijven logeren?
De kinderrechter: nee dat heb ik niet gevraagd. Ik heb gevraagd wat hij het liefste zou
willen
De moeder: ik wraak u – u bent een leugenaar.
De kinderrechter: om welke reden?
De moeder: omdat u niet aan mijn kind heeft gevraagd of hij een keertje bij mij wil
logeren.”
2.4.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
2.5.
Op grond van artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.6.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.7.
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is. Verzoekster heeft op geen enkele manier feitelijk onderbouwd dat sprake is geweest van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid. De omstandigheid dat de kinderrechter in het gesprek met de zoon van verzoekster niet heeft gevraagd of hij een keertje bij verzoekster wil logeren, is daartoe onvoldoende.
2.8.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4 lid 2 aanhef Pro en onder a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond,
3.2.
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met zaaknummer C/02/428215 / JE RK 24-1973 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beschikking is gegeven op 18 juni 2026 door mr. Luijks, mr. Kool en mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026. De beslissing wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.